De vergeetachtige engel

angel

Engelen spreken tot de verbeelding. Zijn ze wel zo heilig als ze er meestal uitzien? Wat zit er onder hun gewaad? Hoe zitten hun vleugels vast? Wat eten ze? Kan je op ze rekenen wanneer je ze nodig hebt? Een gedicht schrijven bij een kunstwerk doe ik zelden, maar bij deze engel van Paul Klee kon ik het niet laten. Wanneer Klee begint te tekenen sluipt er meestal eenvoud en speelsheid in, maar ook dubbele bodems. Is het toeval dat hij uitgerekend in 1939 een serie engelen tekent?

 

 

 

 

Vergeetachtige engel, 1939

Dat hij eergisteren al de gewaden van de opperengel had moeten halen in de stomerij.
Dat er dringend gouden lepeltjes moeten bijbesteld.
Dat de stoep voor de poort moet geveegd.
De bazuinen moeten opgepoetst want morgen is het zondag.

Zijn hoofd loopt om, hij is van het dromerige type, weet je wel.
Hij staart vaak in de wolken en vraagt zich af of geen vleugels hebben ook voordelen heeft.
Misschien mag alles dan trager hoewel als hij eens naar beneden kijkt weet hij het niet zo zeker.

Ondanks dat mankement wil Klee hem tekenen vandaag.
Hij had ook kunnen zeggen: stuur je broer of neef maar naar me toe, die hebben tenminste vereeuwiging verdiend.
Maar nee, de kunstenaar begrijpt die neergeslagen blik, die van gêne friemelende handen.
Met wat lijnen heeft hij hem zo op papier.
Niet ten voeten uit, want vergeetachtigen hebben altijd meer te verbergen dan zo op het eerste gezicht lijkt.
Wanneer hij klaar is en de engel uitgeleide doet, plukt hij discreet een stofpluk uit diens linkervleugel.
Vast vergeten opschudden na het ragen van de gewelven.