twee verhaaltjes uit de oertijd

 

opstanding

 

met haar voet tekent ze figuren op de plavuizen
duizend figuren en de mis is uit

voor het eerst valt haar het misdienaartje op
ziet hij haar ook en hoe haar nieuwe jurk valt de bultjes eronder
verdwijnen in lichte schouderkromming

voorbeden en vergeving wiegen oor in oor uit
ze slaat haar benen over elkaar in verse vrouwelijkheid

als je het gezangenboek opent
ver genoeg
krult de rode kaft om tot een hart

voor wie geduld heeft verricht Hij een mirakel
ze wordt twaalf en koopt een album met een slotje
ze schrijft in het grootste geheim de eerste zinnen

 

xxx

 

vluchtig

 

een jeugdhuis ergens in de polder
natte zeelucht neergegooide fietsen
zij is het stugste dertien van de wereld

ze maakt iets met handen
een mand een weefsel een pot
ze vergeet zichzelf en buigt voorover

de handen die achterlangs op haar gaan liggen
kneden haar plots
heeft zij heupen om naar te grijpen

ze schrikt op als een ree
slaat de handen weg
achter haar rug bast een lach met de baard in de keel

 

midweegs

 

liever wil je nu reizen in je eentje
instappen aan het laatste perron
waar de klaprozen en de distels heersen

je bladert door diorama’s achter een ruit
golvend groen terloops ontblote achtertuinen
je weerspiegelde gezicht er overheen
geen kans om te vergeten

je lichaam een koffer die kostbare inhoud draagt
je hoofd een mand om een nieuw mens in te bewaren

in treinen koop je tijd
stille beweging voor inventarissen

je opent een raampje je hand erdoor
geklapper als een zakdoek in de felle luchtstroom
je vingers ontspannen
je laat gaan

portret van Edith – Egon Schiele

 

twee handen strijken neer op een veelkleurige rok
als witte kaketoes in de jungle

alleen gekomen om te zeggen dat zij niet wil poseren
vandaag niet lieverd
geeft zij zich over in een glimlach
onder opgestapeld haar

zijn blik kreukelt de stof
haar buik voelt het penseel

hij trekt een baan oranje
zij laat zich vangen als een kat

in strepen kan je zwemmen tot je zinkt
vallen en nooit neerkomen

Keep writing!

Nee, ik ga het niet over corona hebben. Niet goed wetend of ik de potentiële lezer daarmee een plezier doe – ‘oef, het zal een keertje niet daarover gaan!’ – of dat ik mezelf zowat moet excuseren – ‘denkt ze nu echt dat er ook maar iets relevant is behalve corona?’.  Sinds half maart is schrijven onmiskenbaar anders. Ik moet mezelf positioneren: schrijf ik ‘daarover’ of net niet? Al wekenlang stel ik vast dat ik er niet over schrijf. Blijkbaar bewaak ik mijn terrein en let ik erop dat het virus niet doordringt. Geen behoefte aan corona-gedichten, corona-overpeinzingen, niks van dat alles. Maar wat dan wel? De paradox is natuurlijk dat ik door toe te lichten dat ik niet over corona schrijf uiteindelijk toch over corona schrijf. Basta dus!

Er komt weinig vanzelf, zoals dat doorgaans wel het geval is. Aanknopingspunten, beginregels van gedichten tuimelen niet spontaan mijn hoofd in. Dus heb ik besloten mezelf een handje te helpen, want schrijven is, naast mijn reguliere job, ook mijn werk – als er iets is wat ik in deze in sommige opzichten trage weken heb besloten, is het zeker dat. Jezelf een zetje geven om te schrijven, hoe gaat dat?

Sla een dichtbundel open en beschouw de eerste regel waar je oog op valt als een opdracht. Neem die regel als inspiratie voor een gedicht. Ik sloeg ‘New Collected Poems’ van Tomas Tranströmer open, vond daar achtereenvolgens ‘the only thing that shines’ en ‘and in the evening I lie like a ship’. Hup, schrijven dus.

Of nog: kies een beeld dat je bevalt en schrijf over wat je ziet. Het werd een schilderij van de Russische landschapsschilder Isaak Levitan, ‘Lente, hoogwater’ (1897).

xxx

geheugensteun

ze daalt af in de kelder
tussen inmaakpotten aardappels met scheuten ongebruikte stoelen
nutteloos en voor-het-geval-dat leven er in symbiose
het enige wat glinstert
een slakkenspoor op de tegels

ze is vergeten waarvoor ze kwam
staart in gedachten naar het spoor

hebben slakken een geheugen
en waar komt het eerst een eind aan
hun vermogen om de weg naar buiten terug te vinden
of het verlangen van hun lijf naar water

bovenaan de trap
weet ze weer dat ze touw zocht
om oude kranten bij elkaar te binden

xxx

 

in de avond

en in de avond lig ik als een schip
klaar met aanmeren
elk blad van de perenboom trilt
de grasmaaiers zwijgen nukkig
in donkere schuurtjes

er is geen zee toch ruist het in mijn oren
en zingt iemand zeemansliedjes in de verte
ik kan een kind de dijk af laten lopen
ijsjes uitdelen tot slot

en in de avond liggen de woorden stil
als kleren over de leuning van een stoel

xxx

berkentroost

berkjes op een schilderij van Levitan
eentje groeit nadrukkelijk krom
allemaal staan ze in het water
dunnetjes te weerspiegelen
vooraan een gammel bootje
verderop huizen in de watervlakte
mensen beredderen buiten beeld
berkjes beschouwen

het is de kunst

 

in het licht van deze dag
blijken straten solide vergaarbakken
voor de menselijke soort

buitenwanden discreet opgesteld
lantaarnpalen kaarsrecht
strepen getrokken stoepjes gelegd

dat alles met het oog op nut
verbeelding prikkelen is voor frivolen
hier verkiest men degelijke materialen

binnenwands
draagt elk van ons een muisgrijs lichtje
ergens op een rechtgeaarde plek

spot en hemelwater glijden er vanaf en
ook met handen er omheen wil het niet aldoor branden
muisgrijs muisgrijs lichtje

het is de kunst om vast te houden
voor zover dat kan

Dagboekfragmenten december 2019

Dit is een experiment. Zoals dat gaat met experimenten kan het worden herhaald of niet. Als je deze blog al langer leest, weet je dat ik dagboeken schrijf. Dat het er intussen veel te veel zijn naar mijn gevoel. Dat ik ze probeer te minimaliseren. Intussen blijf ik ook schrijven. Wat zoiets is als je huis uitruimen en tegelijk dag na dag spullen blijven kopen. Vandaag heb ik alweer een schrift vol. Het is precies één maand meegegaan. En ja, ik wil het kwijt, het is nutteloos papier met nutteloze woorden geworden. Papier en woorden wegen in mijn hand en op mijn gemoed. Kunnen ze dan echt niemand meer van dienst zijn? Besluit: ik deel ze. Een beetje, geselecteerd. Flard, vers, gedachte, observatie. Zoals je de spullen die je het huis uit wil naar de kringloopwinkel brengt. Het is een gok, maar misschien is er iemand die er nog iets mee kan.

 

05/12/19

ik word wakker als een stenen roos
ergens luiden klokken in de staart van een droom
heb ik iets kostbaars verspeeld
dichtbij staan rillende paarden in een wei

07/12/19

ik blijf je zien
in elke vermeende kloon
elke gelijkende manifestatie in
supermarkt, bibliotheek of trein
die toch telkens niet jij blijkt te zijn

Alles is goed als ik weet dat ik niet de dirigent van storm of regen kan zijn. Ik kan een greppeltje graven, mij tegen de wind keren, maar veel meer niet.

De literaire avond (poëzievoorstelling) moet nog van mij af geboend, van mij af gehaald als een vel van de melk. Alsof te midden van velen zijn mij bedekt met iets wat dan weer moet worden verwijderd. Is dat voor anderen ook zo? Of heeft de man die tussen de krappe rijen stoelen herhaaldelijk met zijn knieën tegen mijn kont stoot, een gsm heeft die hij blijkbaar niet het zwijgen wil opleggen en zijn appreciatie herhaaldelijk het zaaltje in puft, grinnikt of roept helemaal nergens last van? Hoeft hij achteraf niet weer in zichzelf te acclimatiseren?

11/12/19

Wanneer ik mij klein en niet opgewassen voel gaat dat ook altijd samen met de overtuiging dat de anderen geen kleinheid hebben. Geen demonen. Dat zij wijs, volwassen, beheerst, alles-op-een-rij, aangepast, ‘in control’ zijn, kortom alles vrijelijk ter beschikking hebben wat ik dan zo hard mis.

12/12/19

‘Verzamelde gedichten’ van Hanny Michaelis. Moet ik eigenlijk morgen inleveren in de bib. Eén van de weinige boeken die ik liever achterover zou drukken en op één geliefkoosd plankje zetten. Zoals Tranströmer. Het zijn gedichten die ertoe doen. Ze hebben eenvoud en pertinentie, gaan rechtstreeks naar één of ander doelwit in mij dat graag wil worden geraakt. Ze zijn maar al te vaak een schot in mijn roos.

13/12/19

Vaak lijkt het onmogelijk om te schrijven. Of vind ik het bijna onrein om per se in mijn mentale staat te gaan roeren, er dingen uit te dreggen, afzonderlijke dingen, en ze op te prikken als vlinders. Ik wil het niet doen, maar besef dat ik het wel gedaan wil hebben.

16/12/19

Ik begrijp dat sommigen depressief worden van winter. Alles ligt er nat, verzopen, lichtloos bij. Het is niet heel koud, maar wel heel mat en vreugdeloos buiten. Je moet een sterker innerlijk vuur hebben, meer interne bronnen van potentieel goed voelen om winters in een klimaat als dit door te komen.

21/12/19

Regen voegt water toe aan de wereld.
Zo zijn tranen minder zichtbaar.

Ik verlang naar nieuwe woorden. Soms lijkt het alsof de woorden zo oud zijn dat er alleen maar oeroude, achterhaalde, lamme dingen mee kunnen worden beschreven.

stadsbibliotheek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

de sofa’s zijn er niet al te huiselijk
maar wel zacht genoeg
hij heeft een eenpersoons bemachtigd
en zit nu met de ogen dicht
slechts lichtjes onderuitgezakt
het moet niet lijken of hij slaapt

de beduimelde tassen die zijn bestaan omvatten
heeft hij wijselijk in een locker opgeborgen
de groeven haarklitten woekerende baard
kan hij nergens kwijt

het heeft er alle schijn van
dat hij niet voor de boeken komt
toch staat hij na een tijdje op en gaat dwalen
zijn geurvlag achter hem aan
hij benadert de rekken
zoals hij al lang geen vrouw meer heeft benaderd
hij probeert het nog een keer
zichzelf veroveren op onzichtbaarheid

het cordon van ruggen drijft hem achteruit
de schone vingers waar zij zich graag door laten beroeren
kan hij niet bieden
hij draait zich om en gaat op weg naar de meest verlaten plek
achterin bij de encyclopedieën
ten minste zal hij het warm hebben tot sluitingstijd