Lijf ooit lijf nu lijf ooit

 

Ooit had het vlaktespanning.
Een huid die zich uitstrekte als vers ijs op een vijver.
Alles kon het aan: onhandig gestuntel, hakken, kwikzilver in een onderbuik.
Het was zo lichtzinnig om zich lelijk te vinden.
Wist niet beter.

De tijd was rijp, het gehoorzaamde de broedwet,
nest na nest.
Het klapte om onder de liefste last, het werd weer rechtgezet.
De onderkoelde korst warmde in armen.

Nu breken krasjes door,
sluipen wakken in, water
aan de blekere lippen.
Begint het onderhuids verzakken.

Ooit zal het vliesdun en dooraderd liggen, stil.
In het diep de schim van een zwarte vis die traag voorbijglijdt.
Het zal beter weten.

botanische tuin

 

zon wordt over jullie uitgestrooid als munten
twee toevallige seconden beelden jullie het gouden koppel uit
dat onder de begroeide boog door stapt

jij hebt geen schoenen aan
hij meldt iets milds op een grijs t-shirt
grond blijkt helemaal grond onder jullie voeten

bijna nu worden grote kinderen klein in jullie hoofden
de overgave aan plantennamen kan beginnen
frivole wensen ach hadden we die heideanjer ook in onze tuin

er blijven bodems waarin niet te veel gewoeld moet worden
duizend dingen waarin zacht verschil knarst
maar frieten ergens op een pleintje straks

alleen over de saus gaapt er een kloof

kantelpunt

 

een schelp net opgeraapt uit het zand
je besluit mij te houden

korrels wegblazen kijken
met je vinger langs het randje gaan

in je zak laten glijden
af en toe er weer uithalen

thuis leg je mij rechts naast het bed
ik zorg voor ruis

in je slaap onder de deken
trilt je neusvleugel even mee
met je binnenoor
kan je de zee nog horen

op één been

 

als je altijd kon zeggen
altijd woorden had om te leggen

nee het steekt er niet onderuit
niks fouts met die kleur doe maar

intussen liggen je wijsvingers op je oogleden
adem je in het kommetje van je handen

de middagklok herinnert je
twaalf bakens

als je stilstaat
botst er iemand tegen je aan

als je doorgaat
denk je waar zijn zij gebleven

hoe heten ze je somt ze op
je houdt te veel namen over voor te weinig vakjes

je sluit de wind hermetisch buiten
terwijl de deur blijft zeuren

op één been hinkelen
ooit hield je daarvan

twee verhaaltjes uit de oertijd

 

opstanding

 

met haar voet tekent ze figuren op de plavuizen
duizend figuren en de mis is uit

voor het eerst valt haar het misdienaartje op
ziet hij haar ook en hoe haar nieuwe jurk valt de bultjes eronder
verdwijnen in lichte schouderkromming

voorbeden en vergeving wiegen oor in oor uit
ze slaat haar benen over elkaar in verse vrouwelijkheid

als je het gezangenboek opent
ver genoeg
krult de rode kaft om tot een hart

voor wie geduld heeft verricht Hij een mirakel
ze wordt twaalf en koopt een album met een slotje
ze schrijft in het grootste geheim de eerste zinnen

 

xxx

 

vluchtig

 

een jeugdhuis ergens in de polder
natte zeelucht neergegooide fietsen
zij is het stugste dertien van de wereld

ze maakt iets met handen
een mand een weefsel een pot
ze vergeet zichzelf en buigt voorover

de handen die achterlangs op haar gaan liggen
kneden haar plots
heeft zij heupen om naar te grijpen

ze schrikt op als een ree
slaat de handen weg
achter haar rug bast een lach met de baard in de keel

 

midweegs

 

liever wil je nu reizen in je eentje
instappen aan het laatste perron
waar de klaprozen en de distels heersen

je bladert door diorama’s achter een ruit
golvend groen terloops ontblote achtertuinen
je weerspiegelde gezicht er overheen
geen kans om te vergeten

je lichaam een koffer die kostbare inhoud draagt
je hoofd een mand om een nieuw mens in te bewaren

in treinen koop je tijd
stille beweging voor inventarissen

je opent een raampje je hand erdoor
geklapper als een zakdoek in de felle luchtstroom
je vingers ontspannen
je laat gaan

portret van Edith – Egon Schiele

 

twee handen strijken neer op een veelkleurige rok
als witte kaketoes in de jungle

alleen gekomen om te zeggen dat zij niet wil poseren
vandaag niet lieverd
geeft zij zich over in een glimlach
onder opgestapeld haar

zijn blik kreukelt de stof
haar buik voelt het penseel

hij trekt een baan oranje
zij laat zich vangen als een kat

in strepen kan je zwemmen tot je zinkt
vallen en nooit neerkomen

Keep writing!

Nee, ik ga het niet over corona hebben. Niet goed wetend of ik de potentiële lezer daarmee een plezier doe – ‘oef, het zal een keertje niet daarover gaan!’ – of dat ik mezelf zowat moet excuseren – ‘denkt ze nu echt dat er ook maar iets relevant is behalve corona?’.  Sinds half maart is schrijven onmiskenbaar anders. Ik moet mezelf positioneren: schrijf ik ‘daarover’ of net niet? Al wekenlang stel ik vast dat ik er niet over schrijf. Blijkbaar bewaak ik mijn terrein en let ik erop dat het virus niet doordringt. Geen behoefte aan corona-gedichten, corona-overpeinzingen, niks van dat alles. Maar wat dan wel? De paradox is natuurlijk dat ik door toe te lichten dat ik niet over corona schrijf uiteindelijk toch over corona schrijf. Basta dus!

Er komt weinig vanzelf, zoals dat doorgaans wel het geval is. Aanknopingspunten, beginregels van gedichten tuimelen niet spontaan mijn hoofd in. Dus heb ik besloten mezelf een handje te helpen, want schrijven is, naast mijn reguliere job, ook mijn werk – als er iets is wat ik in deze in sommige opzichten trage weken heb besloten, is het zeker dat. Jezelf een zetje geven om te schrijven, hoe gaat dat?

Sla een dichtbundel open en beschouw de eerste regel waar je oog op valt als een opdracht. Neem die regel als inspiratie voor een gedicht. Ik sloeg ‘New Collected Poems’ van Tomas Tranströmer open, vond daar achtereenvolgens ‘the only thing that shines’ en ‘and in the evening I lie like a ship’. Hup, schrijven dus.

Of nog: kies een beeld dat je bevalt en schrijf over wat je ziet. Het werd een schilderij van de Russische landschapsschilder Isaak Levitan, ‘Lente, hoogwater’ (1897).

xxx

geheugensteun

ze daalt af in de kelder
tussen inmaakpotten aardappels met scheuten ongebruikte stoelen
nutteloos en voor-het-geval-dat leven er in symbiose
het enige wat glinstert
een slakkenspoor op de tegels

ze is vergeten waarvoor ze kwam
staart in gedachten naar het spoor

hebben slakken een geheugen
en waar komt het eerst een eind aan
hun vermogen om de weg naar buiten terug te vinden
of het verlangen van hun lijf naar water

bovenaan de trap
weet ze weer dat ze touw zocht
om oude kranten bij elkaar te binden

xxx

 

in de avond

en in de avond lig ik als een schip
klaar met aanmeren
elk blad van de perenboom trilt
de grasmaaiers zwijgen nukkig
in donkere schuurtjes

er is geen zee toch ruist het in mijn oren
en zingt iemand zeemansliedjes in de verte
ik kan een kind de dijk af laten lopen
ijsjes uitdelen tot slot

en in de avond liggen de woorden stil
als kleren over de leuning van een stoel

xxx

berkentroost

berkjes op een schilderij van Levitan
eentje groeit nadrukkelijk krom
allemaal staan ze in het water
dunnetjes te weerspiegelen
vooraan een gammel bootje
verderop huizen in de watervlakte
mensen beredderen buiten beeld
berkjes beschouwen

het is de kunst

 

in het licht van deze dag
blijken straten solide vergaarbakken
voor de menselijke soort

buitenwanden discreet opgesteld
lantaarnpalen kaarsrecht
strepen getrokken stoepjes gelegd

dat alles met het oog op nut
verbeelding prikkelen is voor frivolen
hier verkiest men degelijke materialen

binnenwands
draagt elk van ons een muisgrijs lichtje
ergens op een rechtgeaarde plek

spot en hemelwater glijden er vanaf en
ook met handen er omheen wil het niet aldoor branden
muisgrijs muisgrijs lichtje

het is de kunst om vast te houden
voor zover dat kan