‘Mais … vous ne me l’aviez pas dit!’

Een paar decennia geleden liepen zijn weg en de mijne even parallel. Daarna gingen we verschillende kanten uit. Heel af en toe, met jaren tussenin, was er een miniem stapsteentje van contact. Onlangs leidden de ondoorgrondelijke stromen van de sociale media ons allebei naar hetzelfde evenement in de stad. We deden wat hele oude kennissen dan doen: bijpraten met een drankje. Zijn verhaal was voor mij verrassend en onvermoed, ogen-openend en treffend …

belgium-2628337_960_720

Ik belde aan. Het was donderdag om vijf voor elf – zoals altijd. Eerst sprak niemand. Dan klonk een stem die als het ware uit bed kwam:

      ‘Qui est-ce ?

      ‘Mais … c’est moi’.

–      ‘Mais, c’est le 21 juillet !’, zei mijn psychanaliste die ik aanbad. ‘Je ne reçois pas aujourd’hui’.

–      ‘Mais … vous ne me l’aviez pas dit.’

      ‘Non. Naturellement pas. C’est évident, non ? C’est la Fête nationale….’

Zij en ik hadden het eindelijk gevonden – na zoveel maanden.

Autisme.

Een psychodiagnose bevestigde het: ‘Vermoedelijk autisme – “active but odd”’. Ik ben degene die je, sympathiek maar wat raar, aanspreekt aan de bushalte. Ik doe aan politiek om mensen op straat te kunnen aanklampen. Verder vond de psychologe zware hiaten in verwerkingssnelheid, stressbestendigheid, oplossingsvermogen en geheugen…

Maar ik was opgelucht. En het internet leerde me dat ik niet alleen ben. Je rond de vijftig omdraaien en de puinhoop achter je zien ? En plots begrijpen waarom ? Zo zijn er velen.

We brachten ons dochtertje naar een sportkamp. Het kamp werkt ook met autistische kinderen. Een mooie affiche vol bloemen vermeldde heel liefjes veel van wat ik ben : “Geef me bedenktijd als je iets zegt of vraagt” – “Als ik boos ben kan dat zijn omdat het te druk is. Laat mij dan maar eventjes. Alleen zijn helpt mij echt” – “Een vast plekje vind ik fijn” – “Raak mij liever niet onverwacht aan” – “Wachten of niets doen vind ik moeilijk” – “Praat langzaam en met korte zinnen” – “Verwacht niet van me dat ik je in de ogen aankijk. Ik ben dan snel afgeleid. Ik kan misschien beter luisteren als ik ergens anders naar mag kijken”. Ik voeg er enkele aan toe: mijn soldaatjes stonden altijd zorgvuldig in slagorde, maar vechten deden ze zelden. Ik heb ook nooit een model gevonden in andere mensen. Angst ligt op elk plekje van mijn huid. En heel problematisch: ik weet pas hoe ik een situatie zal aanvoelen wanneer ik me erin bevind. Is het een gebrek aan verbeeldingskracht?

Onbewust gruwde ik voor wereldvreemdheid en isolement. Ik wilde ‘in het echte leven staan’. Ik koos voor het professionele leven dat het minst bij me paste: hyper-internationaal, met een massa sociale contacten. Onbewust koos ik vermoedelijk een beroep niet als beroep maar als therapie. Ik haatte de ontworteling die met verplaatsingen gepaard ging, maar besefte het niet. De contacten putten me uit.  (Een anekdote: ik leerde mensen in de ogen kijken, vermoedelijk toen ik aan de universiteit begon, maar wat ik niet kan is mijn blik doen glijden van een persoon naar een ander. Ik sprak op een receptie met een man. Zijn vrouw voegde zich bij ons. Ik kon haar niet begroeten. Wat ik ook nooit heb gekund is mensen aan elkaar voorstellen).

Veel is nu stuk. En veel mensen heb ik kwaad gedaan. Of ik professioneel de berg weer wat op kan is niet zeker. Maar ik ken nu mijn beperkingen, en ik zal me niet meer in onmogelijke situaties stoppen. Ik geniet meer van kleine dingen, en ik kan me heel gezellig in mezelf terugtrekken. En vooral: ik ken mezelf. “Mensen met autisme begrijpen de ander niet goed”, dat weten we. Maar ik kende mezelf niet. In griezelfilms staat iemand voor een spiegel en ziet hij of zij niemand. Er bestaan zeer weinig foto’s van me. Ik vermeed die. Een Canadese vriend vroeg me telkens met veel aandrang: “How are you doing today?”. Ik werd altijd woedend. Zonder dat ik het begreep, deed zijn vraag me voelen dat ik niet wist hoe ik me voelde.

Twee vrouwen om naar te luisteren (en laat die clichés nu maar los)

Hier is een dubbele leestip voor je: Rachida Aziz (‘Niemand zal haar slapen vannacht’) en Rachida Lamrabet (‘Zwijg, allochtoon’). Lees minstens één van beiden, maar liefst allebei. Omdat hun stemmen zo nodig zijn in een tijd waarin ‘islam’ in de mond van zowat elke politicus van dit westers halfrond staat voor ‘probleem’ en ‘gevaar’. En ook omdat ze vrouwen zijn. Ze klinken verschillend, de twee Rachida’s. Aziz messcherp en razend kwaad, Lamrabet analytisch en appelerend. Ze hebben elk hun verhalen. Rachida Aziz schrijft hoe ze op haar 8e door eigen ervaring ontdekte wat racisme is. Hoe voor haar als dochter uit een eenvoudig migrantengezin een toekomst als poetsvrouw zowat vanaf haar geboorte was uitgestippeld, tot ze haar energie, frustratie en intelligentie verzamelde om zich uit die voorbestemming los te vechten. Ze las en bekeek alles wat relevant was voor haar situatie, trok haar eigen conclusies en werd mode-ontwerpster en schrijfster. Rachida Lamrabet werkte 16 jaar als juriste en ging ook schrijven, tot ze in 2017 bij gelijke-kansenwaakhond Unia werd ontslagen wegens een conflict over een artistiek project dat ze los van haar functie had gecreëerd.

Ondanks die verschillende context lopen de ervaringen en boodschap van beide vrouwen ook opvallend gelijk. Allebei getuigen hoe hen als gekleurde vrouwen vaak flagrant het recht wordt ontzegd het maatschappelijk debat over de islam mee te bepalen, want ‘wij’ (lees: witte mannen) weten al wel hoe ‘jullie’ (moslims) in elkaar zitten. Hoe de media – als ze dan eens uitgenodigd worden tot spreken – hen liefst willen opvoeren als ‘de moslima’ die de clichés mag komen bevestigen in de krant of op tv en als vertegenwoordigster van een homogene groep wordt gezien in plaats van als een individu met een eigen mening, eigen projecten en dromen.

Rachida Aziz haalt genadeloos uit naar het welbekende hameren door politici op de waarden van de verlichting die moslims zouden moeten respecteren. Ze toont met feiten en citaten aan dat de helden van die mooie verlichtingsidealen stuk voor stuk welgestelde witte mannen waren die vonden dat vrijheid en gelijkheid voor iedereen die eruitzag als zij voorbehouden moest worden, maar natuurlijk niet voor vrouwen of gekleurde mannen gold. Ze vindt tussen de plooien van de verlichting andere figuren, die niet de geschiedenisboeken haalden, maar die aan den lijve rechteloosheid ondervonden en wel opkwamen voor echte gelijkheid en vrijheid voor iedereen.

Rachida Lamrabet gaat onder andere in op het kledingvraagstuk en stelt de vraag of – los van het feit of je een vrouw met een gezichtsbedekkende sluier in het straatbeeld of in boerkini op het strand stuitend vindt – de manier waarop iemand zich kleedt niet een kwestie is van mensenrechten en of vrouwen niet gewoon het recht hebben gevrijwaard te blijven van doorgaans mannelijke dwang. In de Arabische wereld gaat het om de dwang hun lichaam te bedekken, in het westen om het net niet te bedekken. Strikt genomen gaat het in beide gevallen om keuzevrijheid die wordt ontzegd en dwang die wordt toegepast.

Potentieel kan je uit beide boeken een hoop citaten plukken en er een bevlogen tooggesprek over opzetten, maar ze lezen is alvast een goed begin. Gevolgd door doorgeven en aanbevelen in ruime kring.

Soms

Soms moet zij het lief ontlopen om niet te hoeven spreken
en de vlucht vooruit nemen naar de top van het huis.
Soms moet zij boeken om zich heen slaan en de lamp aanknippen ook al is het dag
en haar koude voeten opnieuw tussen de lakens laten glijden
waar goddank nog warmte van lijven bewaard ligt.
Soms moet zij, het hoofd achterover, door de rechthoek raam staren
en bekers blauw drinken en ook al lust zij geen warme melk, toch lijkt het daarop.
Soms moet de ochtend herbeginnen en
doet zij hem over zonder er een punt van te maken.
Soms mag het bloeden wat haar betreft stoppen, maar het gaat door
de dagen, de maanden, haar ondergoed.
Soms wordt het later, zij weet het, het deert niet.

 

14 verhaaltjes over vrouw zijn

Heel vaak zal ik in wat volgt zeggen ‘er was eens’ of ‘en dan was er ook nog’. Dat is niet omdat ik van sprookjes hou of omdat wat ik vertel verzonnen zou zijn. Integendeel, alles wat ik vertel is waar. Het is alleen dat mensen gemakkelijker iets onthouden als je er een verhaal over vertelt.

1. Er was eens een onderzoekster die aan een theorie over de stress-respons werkte. Op een dag volgde ze de zoveelste lezing over de stress-respons bij ratten. Ze verwonderde zich erover dat ze in wat ze te horen kreeg, niets herkende wat overeenstemde met haar dagelijkse onderzoek bij mensen. Toen ze hierover in discussie ging met collega-wetenschappers, vertelde één van hen langs zijn neus weg dat haast alle studieresultaten bij dieren gebaseerd waren op onderzoek bij mannelijke ratten. Blijkbaar zijn er vrouwelijke onderzoekers nodig om te bedenken dat het misschien de moeite waard is om ook onderzoek bij vrouwelijke exemplaren van de soort te doen, en dat daar – wie weet, misschien – andere resultaten uitkomen.

2. Toen ik in het 4e middelbaar zat was mijn leerkracht Frans een grote vrouw met een weelderig lichaam en lang golvend zwart haar. Ik zal haar mevrouw F. noemen, ze was van Italiaanse afkomst, streng in haar vak en tegelijk lachte ze graag en gul. Ik was 15 en ik begon Simone de Beauvoir te lezen, ‘Le deuxième sexe’. Een wereld ging voor mij open. Mijn moeder vond het een beetje zorgwekkend en sprak tijdens een oudercontact mevrouw F. aan. Mevrouw F. gaf geen krimp, integendeel, ze begon te stralen en moedigde mij aan om vooral zo door te gaan. Dat deed ik dan ook. Toen ik 20 was verkondigde ik: ‘Mama, ik ga waarschijnlijk nooit een langdurige relatie hebben, vele kortere relaties achter elkaar lijkt mij veel beter’. Mijn moeder maakte zich nog meer zorgen. Intussen ben ik 23 jaar getrouwd (ik heb er geen spijt van trouwens).

3. En dan is er de strijd om gelijk loon voor mannen en vrouwen. Ik snap het wel, maar waarom gaat het dan alleen over het feit dat de vrouwelijke boekhouder of het vrouwelijke kaderlid hetzelfde moet verdienen als de mannelijke? Waarom gaat het er niet over waarom de sectoren waarin massaal veel vrouwen werken – toevallig of niet – die zijn waarin de laagste lonen worden verdiend, zoals het onderwijs en de zorg. Waarom gaat het er niet over dat dat sectoren zijn waarin – toevallig of niet – ook nog eens hopen vrijwilligerswerk wordt gedaan door vrouwen? In onze samenleving is de beste graadmeter voor de waarde die aan iets gehecht wordt of het in het BNP zit en of er geld voor gegeven wordt. Huishoudelijk werk en de zorg voor kinderen thuis – waarvan vrouwen nog altijd veruit het grootste deel op zich nemen – zitten niet in het BNP en worden op geen enkele manier financieel beloond. Voilà, zo kunnen we meteen de conclusie maken welke waarde onze samenleving daaraan hecht.

4. Maar laten we het even over vrouwenlijven hebben. Ze zijn problematisch, helaas. De hele tijd zijn ze geketend aan hun vrouw-zijn, elke maand weer bloeden ze en daar is iets mee, het is een beetje vies en mysterieus en er in het openbaar over spreken of er ook maar iets van laten zien, dat doe je gewoon niet. Daar moet je mannen niet mee lastig vallen. En dan baren die vrouwenlijven kinderen en dat doet verdomd veel zeer en oh my god daarna hebben ze minstens een half jaar geen zin in seks. En als die vervelende functies eindelijk uitgewerkt zijn dan komt het pas: ok, ze bloeden dan wel niet meer maar dan hebben de dames hun menopauze. Ik weet het, we zouden er beter niks over zeggen, zo’n ouder wordend vrouwenlijf daar wil je toch niks mee te maken hebben zeker. Niks dan miserie trouwens die menopauze, het houdt echt niet op met die problematische vrouwenlijven.

5. En dan hebben we het nog niet over Me too# gehad. Allez vooruit, het mag nog efkes. Maar na een tijdje is het toch ook wel heel zeurderig, slachtofferachtig, humorloos en we hebben het nu wel genoeg gehoord en die arme mannen weten het nu helemaal niet meer wat ze eigenlijk wel nog mogen doen.

6. Een vraagje: wist je dat Robert Schumann – de componist – een vrouw had, Clara, dat zij een pianovirtuoos was en dat zij ook componeerde? Wist je dat Felix Mendelssohn – die andere componist – een oudere zus had, Fanny, dat zij honderden composities heeft gemaakt en dat sommige van haar stukken onder zijn naam gepubliceerd zijn, maar geen enkel onder haar eigen naam?

woman

7. Er was eens een man van achter in de 50 die met mij sprak over een vrouw van zijn leeftijd: ‘Zij ziet haar vrouwelijkheid wegdeemsteren en dat is normaal op haar leeftijd.’ Ik was te verbouwereerd om hem te vragen hoe het dan met zijn mannelijkheid gesteld was en of hij die ook zag wegdeemsteren en of dat ook normaal was op zijn leeftijd. Ik vermoed van niet.

8. Een vrouw die de sterren van de hemel schrijft wordt ‘één van de beste vrouwelijke auteurs van haar generatie’ genoemd. De man die goed schrijft is gewoon ‘één van de beste auteurs van zijn generatie’. Blijkbaar kunnen vrouwen alleen met de top mee als je ze enkel met andere vrouwen vergelijkt. Of misschien is het ondenkbaar dat vrouwen in de categorie mens vallen en je ze dus ongeacht hun geslacht kan vergelijken met andere mensen – ja ook mannen – die toevallig met hetzelfde bezig zijn.

9. In 2014 publiceerde Rebecca Solnit het boek ‘Mannen leggen me altijd alles uit’. Ze schreef dat vrouwen, ook uiterst professionele en deskundige vrouwen, routinematig beschouwd en behandeld worden als minder geloofwaardig dan mannen. Dat hun inzichten of zelfs hun gerechtelijk getuigenis worden afgewezen tenzij ze gevalideerd zijn door een man. Dat mannen de kwalijke gewoonte hebben dingen aan vrouwen uit te leggen, zelfs wanneer die vrouwen duidelijk over een grotere deskundigheid en kennis beschikken dan zijzelf. Ze verzon daar een nieuw woord voor, ze noemde het ‘mansplaining’.

10. Er was eens de aarde. Nee, er is de aarde, en ze is er belabberd aan toe. Ik zie een connectie tussen de diep wanhopige situatie waarin onze aarde zich bevindt en onze patriarchale cultuur en waarden. Als je de scheiding maakt tussen het hoofd en de rest van het lichaam en de focus legt op rationaliteit, als je emoties en intuïtie als minderwaardig beschouwt en de natuur als één van de dingen waar we vrijelijk over kunnen beschikken en waar we boven staan, dan is dit het resultaat. Succesvol leven in onze tijd steunt op macht, winst, prestatie, competitie. In die eenzijdige focus zijn waarden als zorg, empathie, verbondenheid en aandacht voor spiritualiteit tweederangs. En is er niks mis mee om te vinden dat er nog meer olie en gas uit de grond mag worden gehaald – want aandeelhouders willen ook wat – als dat betekent dat op termijn een aantal eilandstaten door de zee worden verzwolgen en de gezondheid en het leven van elke mens en elk dier, behalve misschien wie op tijd zijn gepantserde bunker ingericht heeft, bedreigd wordt.

11. En dan was er nog die man met wie ik zakelijk moest samenwerken – een jaar of 20 ouder dan ik. Hij permitteerde zich naar mijn zin iets te veel seksueel getinte opmerkingen. Niet rechtstreeks over mij, maar het stoorde, ik hoefde zoiets niet in onze contacten. Toen ik zonder er doekjes om te winden liet verstaan dat het moest stoppen, voerde hij als excuus aan dat in de professionele kringen waarin hij vertoefde dat helemaal niet ongebruikelijk was. Tussen haakjes: we bleven wel samenwerken en hij stopte ermee.

12. Zo, en kunnen we dan nu de conclusies trekken: het is foute boel, het is kutzooi om het maar eens toepasselijk te zeggen, ocharme die vrouwen, ocharme wij, we zijn zo verdrukt, vernederd, onrecht aangedaan, worden zo slecht behandeld …

13. Toch? Misschien, ja, maar we zijn soms ook onnozele miekes, trutjes, flauwe grieten en excuustruzen. We moeten ook in onszelf durven kijken. Durven we ook wel de confrontatie met onze eigen kracht aangaan en vanuit die kracht handelen, durven we in onszelf de wildheid, de natuur terugvinden en die gebruiken? Durven we uit het slachtofferschap treden en ons te gedragen alsof we dat allang achter ons hebben gelaten? Durven we onze rechten als vrouw zo evident vinden dat we niet meer gaan smeken en bedelen om onze waarden in de wereld te mogen zetten maar het doodgewoon doen zonder enige schaamte of twijfel? Durven we tijd nemen om onszelf en onze creativiteit te voeden en vanuit die inspiratie de wereld rond ons te beïnvloeden op onze manier, niet op de manier die van ons verwacht wordt door een op mannen afgestemde samenleving, niet door keihard te werken en zoveel mogelijk te proberen ‘one of the guys’ te zijn of hun goedkeuring te krijgen. We moeten het niet alleen doen, en we moeten mannen ook niet in de hoek zetten. Ik zou ze zo verdomd missen als ze daar allemaal in die hoek zaten. Zoals wij vrouwen onze authentieke vrouwelijkheid een beetje kwijtgeraakt zijn, zo zijn mannen ook van het pad van hun authentieke mannelijkheid af. Terwijl de combinatie van die twee nu net meestal de mooiste resultaten oplevert.

14. We zijn sterk, oh ja, en dat weten we wel van onszelf, maar we vergeten het soms. ‘Gezonde vrouwen lijken op gezonde wolven. Ze delen bepaalde eigenschappen: een scherp waarnemingsvermogen, een speelse geest en een groot vermogen om zich aan iets te wijden. Wolven en vrouwen zijn van nature relatiegericht, onderzoekend, en bezitten een bijzonder uithoudingsvermogen en bijzondere kracht. Ze zijn sterk en intuïtief en bekommeren zich in hoge mate om hun jongen, hun partner en hun groep. Ze zijn er bedreven in zich aan voortdurend veranderende omstandigheden aan te passen: ze zijn uitermate standvastig en heel dapper.’

Bovenstaande verhaaltjes schreef ik voor de workshop ‘Krachtige vrouwen, creatieve vrouwen’ die ik organiseer voor Villa VanZelf vzw. Het afsluitende citaat komt uit ‘De ontembare vrouw’ van Clarissa Pinkola Estes. Meer info over de workshop vind je hier.

Sandra

In treinen

Af en toe stuur ik gedichten in naar wedstrijden of voor publicatie. Heel soms levert dat iets op, maar net zo vaak komt het neer op afwijzing. Schrijven is incasseren. In het beste geval krijg je feedback en kan je daar iets mee. Hieronder één van mijn afgewezen schrijfsels. De feedback van twee ‘echte’ dichters was: goed gemaakt, maar neigt toch te sterk naar de kolder, op het fraaie einde na. Nu hoef ik het met feedback natuurlijk niet eens te zijn. Gedichten schrijf je om te delen, dus deel ik het hier. En ook al is de sfeer licht, ik bedoel dit gedicht helemaal niet als kolder. Wat ik er wel mee wil zeggen: soms, wanneer je in een zware periode zit (zie laatste strofe), kan je door de kleine opmerkelijke dingen rond je te zien toch plots enige lichtheid ervaren. In treinen is dat zeker het geval af en toe. Tussen haakjes: alles gebaseerd op ware feiten (behalve het ei).

 

In treinen

In treinen gebeurt er nog eens wat.
Er kotst er één,
hij waggelt weg,
een ander stapt er overheen.

Een heer toont te veel been
boven de sok.
Na drie stations zakt hij ineen
en glijdt de krant halfstok.

Een tienermeisje zegt:
‘De kleinste maat is daar te groot voor mij’.
Haar moeder – blik op locked –
pelt traag een ei.

Een jonge vrouw verdraagt de wapperende handjes van een reisgenoot,
interpreteert zijn klanken met devoot gezicht.
Is hij haar broer?
Zijn kogelronde blik op elke koe en fiets gericht.

En ik? In treinen mis ik minder.
Tranen kunnen achter een hand.
Ik beeld me in en blijk toch nog op weg
naar jouw bevroren land.

trein

 

Vleugelpiano’s

2120250-AKLUNKRW-7

Vleugelpiano’s

Vleugelpiano’s zijn zwart.
Witte een gril van de natuur – zoiets als albino’s –, bruine een verwaarloosbare vergissing.
Buffetpiano’s? Je weet toch waarom ze zo heten?
Zet er wat schotels met hapjes op als je een feestje houdt en vergeet ze verder.
Vleugelpiano’s dus. Mateloos onbescheiden, ruim in de schouders
als die bink aan wiens arm je graag gezien wordt.
Stemhebbend, ook met alle kleppen dicht.
Oogstrelend, zelfs met een gehaakt kleedje en een vaas met plastic bloemen erop.
Van te diep in hun zwart kijken word je stomdronken.
Je kust ze ten afscheid als minnaars van wie je voelt dat het de laatste keer is.
Om te knuffelen zijn ze te groot, maar bij liefdesverdriet kan je eronder gaan liggen
en bij storm waaien ze niet weg.
Je kan ze openklappen als oude voorraadkasten die op hun rug liggen en hun inhoud
langzaam prijsgeven, je in leven houden als het erom spant.
Vleugelpiano’s doen aan winstmaximalisatie.
Foute noten liggen niet aan hen, hemelbestorming wel.
Voor één ding moet je op je hoede zijn, kom niet te dicht.
Ze slokken je op, ze lijmen je vingers vast.
Ze wurgen je net niet met een snaar.
Je bent euforisch. Voor je het weet verloren.

 

Foto: Jan Chlebek

De vergeetachtige engel

angel

Engelen spreken tot de verbeelding. Zijn ze wel zo heilig als ze er meestal uitzien? Wat zit er onder hun gewaad? Hoe zitten hun vleugels vast? Wat eten ze? Kan je op ze rekenen wanneer je ze nodig hebt? Een gedicht schrijven bij een kunstwerk doe ik zelden, maar bij deze engel van Paul Klee kon ik het niet laten. Wanneer Klee begint te tekenen sluipt er meestal eenvoud en speelsheid in, maar ook dubbele bodems. Is het toeval dat hij uitgerekend in 1939 een serie engelen tekent?

 

 

 

 

Vergeetachtige engel, 1939

Dat hij eergisteren al de gewaden van de opperengel had moeten halen in de stomerij.
Dat er dringend gouden lepeltjes moeten bijbesteld.
Dat de stoep voor de poort moet geveegd.
De bazuinen moeten opgepoetst want morgen is het zondag.

Zijn hoofd loopt om, hij is van het dromerige type, weet je wel.
Hij staart vaak in de wolken en vraagt zich af of geen vleugels hebben ook voordelen heeft.
Misschien mag alles dan trager hoewel als hij eens naar beneden kijkt weet hij het niet zo zeker.

Ondanks dat mankement wil Klee hem tekenen vandaag.
Hij had ook kunnen zeggen: stuur je broer of neef maar naar me toe, die hebben tenminste vereeuwiging verdiend.
Maar nee, de kunstenaar begrijpt die neergeslagen blik, die van gêne friemelende handen.
Met wat lijnen heeft hij hem zo op papier.
Niet ten voeten uit, want vergeetachtigen hebben altijd meer te verbergen dan zo op het eerste gezicht lijkt.
Wanneer hij klaar is en de engel uitgeleide doet, plukt hij discreet een stofpluk uit diens linkervleugel.
Vast vergeten opschudden na het ragen van de gewelven.