vlees en bloed

 

je kan dan wel stoer denken
het is hun leven nu
maar je temperatuur stijgt en daalt met de hare
je hartspier balt zich op het ritme van de zijne

hoe doet hun vader het
de blik net iets strakker op eigen belangwekkende bezigheden
met meer gepaste afstand dan jij toekijkend
al bonst het ook in zijn botten
wanneer grote kinderen balanceren
en zoveel harder kunnen vallen dan toen van het hek

jij voelt nog rukjes van die draad van bloed en slijm
hij herinnert zich het knippen
jij droeg hen op de plek waar alleen jij het kon
hij op alle andere delen van een sterker lijf

nu dansen jullie de tango van nog nodige ouders
op vrijdag fel met bier en om ter snelste grappen
op maandag met lood in de aderen na een telefoontje
elk op verschillende muziek soms
of zonder in een donkere kamer
schuifelend tegen elkaars schouder

 

Na het ongeluk

Peggy & Marco Lachmann-Anke via Pixabay

 

Het naambandje om de porseleinen pols probeert mij te overtuigen:
deze vrouw in het bed is wel degelijk uw familielid J.

Ik graaf in de puinhoop van vervormde trekken,
tref geen spoor van haar,
schreeuw bijna mijn protest de gang in:
dit-is-zij-niet-hier-ligt-de-tante-van-een-ander-hoe-durven-jullie!

Dan plots vind ik een wenkbrauw,
het voorhoofd met de juiste welving,
zie hoe ze achter de bonte oogleden knipoogt:
kijk mij hier liggen, nichtje.
Dat gekke haarnet op mijn kapotte hoofd,
ik kan het echt niet helpen hoor.

Ik luister, knik, ik praat met elke beurse plek.
De loop van slangetjes over bleek vel volg ik
tot ze verdwijnen in een plooi.
Waar gaan die dingen heen?

Nu zij bestaat uit cijfers op een scherm,
bij de gratie van brouwsels in zakjes,
neem ik haar bij de hand,
doen we een zweefvlucht door de kamer.

Tot ik het raam open en zij met een zucht ontsnapt.

Levensloterij

su-ju photo via Pixabay

 

En altijd zal je zien dat net de zachtmoedige oom,
de goedlachse nicht met één haal worden geknakt.
Terwijl wat jou betreft de nurkse neef,
de chagrijnige schoonzus eerder in aanmerking kwamen.

De inhalige doet niet aan die logica.
Zijn kennersoog merkt op wat jij en ik niet kunnen zien.
De plotse knik in de knie, de seconde van lichtheid in het hoofd,
het overslaan van de bloedpomp.

Waarop hij knipt met de vastheid van de chirurg
en diens gebrek aan sentiment.
Misschien maar beter zo.
Vreesden we hem nog meer als hij te voorspellen viel.

 

Het verlangen om er niet te zijn

alkemade via Pixabay

 

I.

De bomen ruisen woest.
Plots wil je van je fiets geslagen worden.
Pijnloos weggedragen op een luchtstroom met bestemming onbekend.

II.

Op het natte bankje zitten langs het pad. Niks anders nu.
Opgaan als een halm in het veld.
Onzichtbaar blijven voor wie langsloopt.

III.

Knip de wereld uit als een staande lamp.
Waar ben je dan?
Is het daar zwart en klein of wit en eindeloos?

IV.

Alle mondvollen over de weldaad van stilstand, je begrijpt ze niet.
Altijd is er een volgende seconde.
Zelfs foto’s en rotsen worden ouder.

V.

Het verlangen om er niet te zijn maar nu ook weer niet dood ofzo.
Misschien moet je je schamen om die luxe.
Hoe dan ook trapezewerker zonder net.

Waar zij gaat

AnnRos via Pixabay

 

Het hoofd van de vrouw zit vol.
Vogels, bloemen, vruchten, lianen, een palmboom, een kolibrie om te completeren.
Haar ogen kijken uit dit verborgen oerwoud naar buiten, onverstoorbaar.
Binnenin mag kleur exploderen, zij draagt een shirt met smalle streep.
Hoogstens verraadt een blosje op elke wang, het is nu eenmaal warm.
Voor een hoed zit het hoofd te vol.
Hij zou wankelen, eraf vallen, in de goot rollen.
Vergeet die hoed.

De vrouw draagt dit hoofd behoedzaam als was het een aquarium waaruit niet mag worden gemorst.
Zo dragen vrouwen doorgaans hun hoofd.
Het uitdelen begint, zonder teken, zonder aanleiding.
Zij overhandigt een parkiet.
Een stuk of wat pioenen stromen uit haar mond.
Zij schudt en laat het rijpe vijgen regenen.

Het hoofd loopt leeg.
Tot zij naar buiten kijkt uit leegte.
Zij weert een aanvliegende ijsvogel af.
Strijkt de laatste flinter kamperfoelie van een mouw.
Er komen nu dagen van niets geven.
Zij zal aan tafel zitten, bij de bloesemtak in het vaasje.

 

 

Van binnen naar buiten naar binnen

 

Jij en ik behangen de muren met watervaste dialoog.
We zetten de kamers blank met onze gesprekken.
en varen er doorheen met bootjes.

Op andere dagen nemen we een zwijgverzekering.
Verbinden ons tot eigen uithoek van het huis.
Polis zonder garanties.

Voortdurend het slappe koord van wat wanneer.
Doorbuigen onder te lange zinnen.
Knappen in stilte.

Dan maar naar buiten.
Zon verbleekt het spreken tot handwarme strepen.
Jaren van praten langs eendjes langs vijvers door wereldsteden.

Komt het moment waarop antwoord uitblijft.
Zal ik je hemden toespreken in de kast.
Zal jij woorden leggen naast het overbodige bord op de tafel.

Parenthese

 

Patio with cloud – Georgia O’Keeffe (1956)

 

Beschavingsgeluid blijft uit.
Telefoon en wereld zwijgen.
Of laten haar links liggen.
Het hangt af van de blik.

Ze bevindt zich als tussen witte lakens aan waslijnen.
Water verdampt traag.
Binnenkoertjes liggen voor de eeuwigheid.
Hemdsmouwen waaraan gisteren haar blik bleef haken vervagen.

Ze denkt aan de schilder die telkens opnieuw
de achterdeur van haar huis schilderde.
Beweerde aldoor bang te zijn en toch bleef schilderen.

Tussen bollend wit katoen kan alles heruitgevonden worden.
Gelukkig hoeft het niet.
Lakens doen aan vlaggen denken.
Koelte op zomerbedden.
Lijkwades.
Levenslijnen.

Lijf ooit lijf nu lijf ooit

 

Ooit had het vlaktespanning.
Een huid die zich uitstrekte als vers ijs op een vijver.
Alles kon het aan: onhandig gestuntel, hakken, kwikzilver in een onderbuik.
Het was zo lichtzinnig om zich lelijk te vinden.
Wist niet beter.

De tijd was rijp, het gehoorzaamde de broedwet,
nest na nest.
Het klapte om onder de liefste last, het werd weer rechtgezet.
De onderkoelde korst warmde in armen.

Nu breken krasjes door,
sluipen wakken in, water
aan de blekere lippen.
Begint het onderhuids verzakken.

Ooit zal het vliesdun en dooraderd liggen, stil.
In het diep de schim van een zwarte vis die traag voorbijglijdt.
Het zal beter weten.

botanische tuin

 

zon wordt over jullie uitgestrooid als munten
twee toevallige seconden beelden jullie het gouden koppel uit
dat onder de begroeide boog door stapt

jij hebt geen schoenen aan
hij meldt iets milds op een grijs t-shirt
grond blijkt helemaal grond onder jullie voeten

bijna nu worden grote kinderen klein in jullie hoofden
de overgave aan plantennamen kan beginnen
frivole wensen ach hadden we die heideanjer ook in onze tuin

er blijven bodems waarin niet te veel gewoeld moet worden
duizend dingen waarin zacht verschil knarst
maar frieten ergens op een pleintje straks

alleen over de saus gaapt er een kloof

kantelpunt

 

een schelp net opgeraapt uit het zand
je besluit mij te houden

korrels wegblazen kijken
met je vinger langs het randje gaan

in je zak laten glijden
af en toe er weer uithalen

thuis leg je mij rechts naast het bed
ik zorg voor ruis

in je slaap onder de deken
trilt je neusvleugel even mee
met je binnenoor
kan je de zee nog horen