moeder

iets voor twaalven
en het huis moet nog wat rechtgetrokken in de hoeken
voor zij onder zeil gaat bovenin
ze weet dat breedbeeld noch almacht binnen bereik liggen
dat hoogstens haar hand
gladstrijkt omspoelt wegbergt tot
de volgende explosie van huiselijkheid in een nieuwe dag

ze kent de permanentie van haar lichaam
dat niets heeft van een breed schip of een kerk
om bij onweer in te schuilen
meer lijkt op de perenboom met volle takken
die niet wegwandelt nooit het tuinhek voor altijd achter zich dichtslaat
rotte vruchten zonder aarzeling laat vallen
en ook wel eens een tak verliest

ze doet dit al sinds kinderheugenis
de kweek is klaar al haperen de vleugels nog
maar nooit is het af nooit uit nooit helemaal volbracht
het weze zo
ze gaat naar boven
neemt het wasgoed mee
zet de wekker

blouse

Woedende shampoo

Ik ben in het station.
Lees achteloos de reclameborden waar ik langs loop.
‘Het woedende recept voor zeer droog haar’.
Het valt mij op en ik denk: ‘Hé ja, dat klopt eigenlijk wel, om heel droog haar te lijf te gaan, heeft die shampoo best wel wat knetterende energie nodig. Zoiets van: erop of eronder. Dit varkentje – of eigenlijk, deze kurkdroge haardos – wassen we zo even. Kaboemmmm!’
Euh, nee dus.
Er staat gewoon: ‘Het voedende recept voor zeer droog haar’.
Je fantasie gaat met je op de loop, schat.
Je wordt echt een beetje kierewiet.
Wat zegt dit over jouw energie, als je ‘woedend’ leest in plaats van ‘voedend’ en drie keer moet kijken voor je door hebt dat het eerste echt niet is wat er staat.
Het is vooral jouw energie die knettert en laait de laatste tijd.
Geregeld richting woedend in plaats van voedend.
Maar eigenlijk … so what?
Ik weet het, woedend is zo ‘not done’.
Zo oei-oei-wat-scheelt-er?
Zo ‘kan je je niet een beetje beheersen’?
Nee, er scheelt niks.
Ik weet het gewoon van mezelf.
Ontkenning noch verontschuldiging, het gaat niet ondergronds.
Ik leef even in een wereld waarin woedende shampoo plausibel is en alles soms flink oplaait vanbinnen.
Omdat het mag hoef ik niet binnenkort iets in de fik te steken, hoef ik – meestal – geen onschuldige verrot te schelden of niet helemaal loos te gaan op sociale media.
Zo werkt dat.
Best voedend eigenlijk.

 

Wat doe je met 59 dagboeken?

Ik zit al weken in een minimaliseer-fase. Ik schreef er onlangs over, en ik doe het ook echt. Intussen staan er enkele kubieke meters kartonnen dozen klaar om volgende week door de kringwinkel te worden opgehaald.

Kasten, schouwmantels en tafels zijn plots niet langer de oppervlakken die dankbaar gebruikt worden om alles en nog wat kwijt te kunnen. Ze zijn leeg. Verkwikkend, zen-achtig, maar ook lichtjes confronterend – moet daar nu echt niet één of ander decoratiedingetje staan? – leeg.

Eén van mijn bezittingen komt niet in aanmerking om aan de kringwinkel te schenken, en wel deze:

Een kartonnen doos met welgeteld 59 dagboeken erin. Volgeschreven tussen begin 1983 en vandaag. Dat maakt dik 35 jaar levensgeschiedenis. En dus de mogelijkheid om te achterhalen wat mij bezighield op mijn 14e, 26e, 33e, 41e, en alle jaren daar tussenin. De mogelijkheid om te weten wat ik dacht of voelde bij het stuk gaan van relaties, bij de geboorte en het opgroeien van kinderen, bij verliefdheid, bij wat er gebeurde in vriendschappen en in jobs en in een lang lang huwelijk en op doodgewone dagen van geluk of miserie.

Maak ik ook gebruik van die mogelijkheid? Eerder zelden eigenlijk. Als ik herlees, dan is het meestal het meest recente wat ik heb geschreven, ook omdat die dagboeken zich nog ergens in mijn buurt ophouden. Waar de kartonnen doos met oudere dagboeken zich nu eigenlijk bevond in mijn huis wist ik niet meer precies. Wat ik er uiteindelijk mee moet, is wel iets wat al jaren af en toe opduikt in mijn gedachten. En mij dan een wat ongemakkelijk gevoel geeft, zoals alles wat met het verstrijken van tijd en met vergankelijkheid te maken heeft dat kan doen. Want ultiem kan ik er niet onderuit om er een beslissing over te nemen, of iemand anders doet dat als ik het zelf niet doe. Ik ben ook op een leeftijd gekomen waarop je nog niet echt oud bent, maar toch al wat vaker aan je eindigheid denkt dan wanneer je 30 bent.

Dus wat met die dagboeken? Laat ik eens creatief alle mogelijkheden oplijsten:

  1. Gewoon weg ermee. Oud papier. (= de radicale oplossing, geen sentimenteel gedoe)
  2. Verbranden. (= de met symboliek geladen oplossing, loutering, het verleden achter je laten)
  3. Integraal nalaten aan partner en/of kinderen bij overlijden. (= de psychologisch complexe oplossing, sowieso doet het wat met hen)
  4. Bij leven en welzijn dagboeken wegschenken aan gezins- of familieleden, vrienden, bekenden en bewust kiezen wie welk deel uit welke periode krijgt. (= de moedig/kwetsbare oplossing, potentieel kan het relaties flink beïnvloeden, in positieve of negatieve zin)
  5. Bij leven en welzijn dagboeken wegschenken aan om het even wie erin geïnteresseerd is, bekende of onbekende, en de ontvanger de periode laten kiezen. (= de uiterst avontuurlijke oplossing, dit is zoiets als van een klif in zee springen of een bungeejump in de Grand Canyon)
  6. Bij leven en welzijn op parkbanken, in publieke vuilnisbakken, aan bushaltes of in treincoupés afzonderlijke dagboeken achterlaten, zonder contactgegevens erbij. (= de romantische oplossing, zoiets waar een auteur een roman uit zou kunnen puren of een scenarioschrijver een film).
  7. Schenken aan het Nederlands Dagboekarchief. (= de licht griezelige oplossing, wie wil eigenlijk dat haar dagboeken potentieel door wetenschappers worden bestudeerd?)
  8. Alle dagboeken herlezen en enkel die die het beste gevoel geven of het interessantst zijn bijhouden. (= de pragmatische oplossing, of de positivo-oplossing, weg met de depri-dagboeken en de zeurpagina’s)
  9. Van elk dagboek een foto van de kaft maken. Vervolgens elk dagboek lukraak openslaan en een foto maken van de opengeslagen bladzijden. De foto’s bijhouden op een computer. (= de creatieve, luchthartige oplossing)
  10. Gewoon alle dagboeken bijhouden (= de angstvallige oplossing, niet kunnen loslaten).
  11. Online verkopen (= de zakelijke, materialistische oplossing, maar wie wil in vredesnaam ook maar een cent uitgeven aan een doos dagboeken van een nobele onbekende?)
  12. Alle mogelijke variaties op bovenstaande.

Wat het wordt? Ik zou het voorlopig echt niet weten. Intussen herlees ik hier en daar, word ik beurtelings aangenaam en onaangenaam verrast, of word ik melancholisch of nog wat anders. Wat ik wel vaststel: herinneringen aan periodes verschillen meestal van de beleving zoals ik ze toen heb beschreven en van sommige dingen kan ik me helemaal niet herinneren ze ooit te hebben geschreven, hoewel ik mezelf erin herken. Voorlopig geen uitkomst dus. In afwachting toch alvast foto’s maken. En geef toe: mooi zijn ze wel.

 

 

Fabuleus 50 of ouwe doos?

Ik word vijftig. Nog niet helemaal heel binnenkort, maar toch. In september is het zo ver. Nu moet je weten dat ik de afgelopen jaren bij momenten met een mengeling van weerzin en benauwdheid aan alles wat dat getal voor mij betekende heb zitten denken: menopauze – ugghhh! – , nog meer rimpels, eventueel oprukkende kilo’s en vetrollen, slap vel, slapeloosheid, hormoon-rollercoasters met bijhorend idioot gedrag. Kortom, zieligheid en gruwel troef leek het mij. Ik kon er met de beste wil van de wereld niks positiefs aan ontdekken om de mistige kaap van 50 te ronden. Mijn echtgenoot suste tussendoor dat het allemaal heus wel zou meevallen en een man van een eind in de 50 verzekerde mij dat het allemaal alleen maar beter werd met de jaren voor intelligente mensen zoals ik. Dat laatste was mooi meegenomen als compliment, maar voor de rest vond ik dat ze vooral één detail over het hoofd zagen: zij zijn geen vrouwen, dus weten zij veel.

vintage50

Ik bespeur in de media een wat hijgerig discours over vrouwen van 50 en ouder dat vooral door vrouwen zelf wordt onderhouden (lees er Sonja Kimpen en Martine Prenen op na): ze tellen echt nog mee / nee, ze zijn niet oud / niet klaar om alleen nog koekjes te bakken en de geraniums water te geven. Tot en met het overspannen uitbazuinen van peptalk à la ‘een heel nieuwe levensfase’ / ‘begin lekker opnieuw’ / ‘nergens te laat voor’ / ’50 worden is fabuleus’. Met perfect gestileerde foto’s met de juiste lichtinval erbij zodat de intredende aftakeling nog niet al te zichtbaar is.

Ik heb besloten dat ik het op mijn geheel eigen wijze ga aanpakken. Dat wil zeggen: wegkwijnen noch doen alsof 50 het nieuwe 35 is, niet flauw doen, niet in ontkenning gaan en wel zien wat zich aandient. Ik weet dat ik af en toe in stilte ga blijven gillen dat ik geen zin heb om een oud wijf te worden, dat ik met een zekere regelmaat de echtgenoot aan de kop ga zeuren en dat ik met enige afgunst ga zitten gluren naar een mannengezicht hier, een mannenarm daar waarvan ik vind dat die zoveel eleganter ouder worden dan mijn onderdelen. (Waarbij ik eerlijkheidshalve moet toegeven dat sommige mannen-onderdelen dan weer minder gracieus verouderen dan mijn equivalent, maar laat ik nu niet té veel in detail treden.)

Wat ik ook ga doen: mijn zegeningen tellen. Ik ben bijna vijftig en nee, ik verga niet van de opvliegers, heb voorlopig hetzelfde figuur als 10 jaar geleden, nauwelijks een grijze haar en het maandelijkse klokje tikt nog tamelijk netjes. Ik heb van de natuur gewoon de tijd gekregen om er helemaal klaar voor te zijn, en dat ben ik nu wel zowat geloof ik. Op die grijze haren zit ik eigenlijk bijna te wachten omdat ik denk dat ze, geloof het of niet, flatterend zullen staan.

Ik ging er helemaal van uit dat het in mijn lijf zou starten, het hele meno-gedoe, maar nee, sinds kort stel ik vast dat mijn hoofd het startschot heeft gegeven. Met de regelmaat van een klok ben ik kwaad, woedend, laaiend van ergernis en frustratie en slaan de vlammen net niet uit mijn haar. Want alle kut-klerezooi kan de hort op, inclusief alle verdomde lastpakken rond mij – euhm, sorry jongens – en ik sta klaar om mijn strijdwagen met 4 zwarte merries ervoor van stal te halen, denderend de straat uit te jagen en alles achter mij te laten. Godverdomme!

Nu moet ik zeggen dat ik woede ken bij mezelf. Toen ik jonger was, had ik er af en toe flink last van, maar met de jaren was het op dat vlak wel wat kalmer geworden in de huishouding. Echtgenoot, Kinderen en ik kunnen nu vaststellen dat Hare Wilde Boze Ontembaarheid opnieuw de kop opsteekt.

Maar ik herhaal: niet in ontkenning gaan en zien wat zich aandient. Woede dus voorlopig, en een verlangen om uit te breken. Geef Me Iets Anders, godbetert. Voorlopig verlaat ik huis en haard nog niet, maar ik voel dat het wel goed is, de evidenties die uit hun tuttige hoesjes worden geschud en op de grond in scherven vallen. In vraag stellen of ik altijd moet proberen om correct, verzoenend, sociaal wenselijk gedrag te vertonen. Niet dat ik dat eerder altijd deed (vooral Echtgenoot en Kinderen kunnen daarover meespreken, vrees ik), maar zelf voel ik het zo aan dat ik al mijn halve leven zo verdomd mijn best heb zitten doen en het nu misschien stilaan wat minder mag.

Laverend tussen fabuleus – meer dan ooit vaststellend dat het leven veel kleine en grote snoepmomentjes heeft – en weerspannige ouwe doos – nee, ik wil pertinent geen botox, geen lifting en ja die stomme voorhoofdrimpels en die lijnen rond mijn mond zijn lelijk en diep en dat is dan maar zo – vaart mijn vrouwelijke-piratenkapiteinboot richting september. Als het zo uitkomt stuur ik de komende tijd nog wel eens een postkaartje.

 

 

 

‘Mais … vous ne me l’aviez pas dit!’

Een paar decennia geleden liepen zijn weg en de mijne even parallel. Daarna gingen we verschillende kanten uit. Heel af en toe, met jaren tussenin, was er een miniem stapsteentje van contact. Onlangs leidden de ondoorgrondelijke stromen van de sociale media ons allebei naar hetzelfde evenement in de stad. We deden wat hele oude kennissen dan doen: bijpraten met een drankje. Zijn verhaal was voor mij verrassend en onvermoed, ogen-openend en treffend …

belgium-2628337_960_720

Ik belde aan. Het was donderdag om vijf voor elf – zoals altijd. Eerst sprak niemand. Dan klonk een stem die als het ware uit bed kwam:

      ‘Qui est-ce ?

      ‘Mais … c’est moi’.

–      ‘Mais, c’est le 21 juillet !’, zei mijn psychanaliste die ik aanbad. ‘Je ne reçois pas aujourd’hui’.

–      ‘Mais … vous ne me l’aviez pas dit.’

      ‘Non. Naturellement pas. C’est évident, non ? C’est la Fête nationale….’

Zij en ik hadden het eindelijk gevonden – na zoveel maanden.

Autisme.

Een psychodiagnose bevestigde het: ‘Vermoedelijk autisme – “active but odd”’. Ik ben degene die je, sympathiek maar wat raar, aanspreekt aan de bushalte. Ik doe aan politiek om mensen op straat te kunnen aanklampen. Verder vond de psychologe zware hiaten in verwerkingssnelheid, stressbestendigheid, oplossingsvermogen en geheugen…

Maar ik was opgelucht. En het internet leerde me dat ik niet alleen ben. Je rond de vijftig omdraaien en de puinhoop achter je zien ? En plots begrijpen waarom ? Zo zijn er velen.

We brachten ons dochtertje naar een sportkamp. Het kamp werkt ook met autistische kinderen. Een mooie affiche vol bloemen vermeldde heel liefjes veel van wat ik ben : “Geef me bedenktijd als je iets zegt of vraagt” – “Als ik boos ben kan dat zijn omdat het te druk is. Laat mij dan maar eventjes. Alleen zijn helpt mij echt” – “Een vast plekje vind ik fijn” – “Raak mij liever niet onverwacht aan” – “Wachten of niets doen vind ik moeilijk” – “Praat langzaam en met korte zinnen” – “Verwacht niet van me dat ik je in de ogen aankijk. Ik ben dan snel afgeleid. Ik kan misschien beter luisteren als ik ergens anders naar mag kijken”. Ik voeg er enkele aan toe: mijn soldaatjes stonden altijd zorgvuldig in slagorde, maar vechten deden ze zelden. Ik heb ook nooit een model gevonden in andere mensen. Angst ligt op elk plekje van mijn huid. En heel problematisch: ik weet pas hoe ik een situatie zal aanvoelen wanneer ik me erin bevind. Is het een gebrek aan verbeeldingskracht?

Onbewust gruwde ik voor wereldvreemdheid en isolement. Ik wilde ‘in het echte leven staan’. Ik koos voor het professionele leven dat het minst bij me paste: hyper-internationaal, met een massa sociale contacten. Onbewust koos ik vermoedelijk een beroep niet als beroep maar als therapie. Ik haatte de ontworteling die met verplaatsingen gepaard ging, maar besefte het niet. De contacten putten me uit.  (Een anekdote: ik leerde mensen in de ogen kijken, vermoedelijk toen ik aan de universiteit begon, maar wat ik niet kan is mijn blik doen glijden van een persoon naar een ander. Ik sprak op een receptie met een man. Zijn vrouw voegde zich bij ons. Ik kon haar niet begroeten. Wat ik ook nooit heb gekund is mensen aan elkaar voorstellen).

Veel is nu stuk. En veel mensen heb ik kwaad gedaan. Of ik professioneel de berg weer wat op kan is niet zeker. Maar ik ken nu mijn beperkingen, en ik zal me niet meer in onmogelijke situaties stoppen. Ik geniet meer van kleine dingen, en ik kan me heel gezellig in mezelf terugtrekken. En vooral: ik ken mezelf. “Mensen met autisme begrijpen de ander niet goed”, dat weten we. Maar ik kende mezelf niet. In griezelfilms staat iemand voor een spiegel en ziet hij of zij niemand. Er bestaan zeer weinig foto’s van me. Ik vermeed die. Een Canadese vriend vroeg me telkens met veel aandrang: “How are you doing today?”. Ik werd altijd woedend. Zonder dat ik het begreep, deed zijn vraag me voelen dat ik niet wist hoe ik me voelde.

Twee vrouwen om naar te luisteren (en laat die clichés nu maar los)

Hier is een dubbele leestip voor je: Rachida Aziz (‘Niemand zal haar slapen vannacht’) en Rachida Lamrabet (‘Zwijg, allochtoon’). Lees minstens één van beiden, maar liefst allebei. Omdat hun stemmen zo nodig zijn in een tijd waarin ‘islam’ in de mond van zowat elke politicus van dit westers halfrond staat voor ‘probleem’ en ‘gevaar’. En ook omdat ze vrouwen zijn. Ze klinken verschillend, de twee Rachida’s. Aziz messcherp en razend kwaad, Lamrabet analytisch en appelerend. Ze hebben elk hun verhalen. Rachida Aziz schrijft hoe ze op haar 8e door eigen ervaring ontdekte wat racisme is. Hoe voor haar als dochter uit een eenvoudig migrantengezin een toekomst als poetsvrouw zowat vanaf haar geboorte was uitgestippeld, tot ze haar energie, frustratie en intelligentie verzamelde om zich uit die voorbestemming los te vechten. Ze las en bekeek alles wat relevant was voor haar situatie, trok haar eigen conclusies en werd mode-ontwerpster en schrijfster. Rachida Lamrabet werkte 16 jaar als juriste en ging ook schrijven, tot ze in 2017 bij gelijke-kansenwaakhond Unia werd ontslagen wegens een conflict over een artistiek project dat ze los van haar functie had gecreëerd.

Ondanks die verschillende context lopen de ervaringen en boodschap van beide vrouwen ook opvallend gelijk. Allebei getuigen hoe hen als gekleurde vrouwen vaak flagrant het recht wordt ontzegd het maatschappelijk debat over de islam mee te bepalen, want ‘wij’ (lees: witte mannen) weten al wel hoe ‘jullie’ (moslims) in elkaar zitten. Hoe de media – als ze dan eens uitgenodigd worden tot spreken – hen liefst willen opvoeren als ‘de moslima’ die de clichés mag komen bevestigen in de krant of op tv en als vertegenwoordigster van een homogene groep wordt gezien in plaats van als een individu met een eigen mening, eigen projecten en dromen.

Rachida Aziz haalt genadeloos uit naar het welbekende hameren door politici op de waarden van de verlichting die moslims zouden moeten respecteren. Ze toont met feiten en citaten aan dat de helden van die mooie verlichtingsidealen stuk voor stuk welgestelde witte mannen waren die vonden dat vrijheid en gelijkheid voor iedereen die eruitzag als zij voorbehouden moest worden, maar natuurlijk niet voor vrouwen of gekleurde mannen gold. Ze vindt tussen de plooien van de verlichting andere figuren, die niet de geschiedenisboeken haalden, maar die aan den lijve rechteloosheid ondervonden en wel opkwamen voor echte gelijkheid en vrijheid voor iedereen.

Rachida Lamrabet gaat onder andere in op het kledingvraagstuk en stelt de vraag of – los van het feit of je een vrouw met een gezichtsbedekkende sluier in het straatbeeld of in boerkini op het strand stuitend vindt – de manier waarop iemand zich kleedt niet een kwestie is van mensenrechten en of vrouwen niet gewoon het recht hebben gevrijwaard te blijven van doorgaans mannelijke dwang. In de Arabische wereld gaat het om de dwang hun lichaam te bedekken, in het westen om het net niet te bedekken. Strikt genomen gaat het in beide gevallen om keuzevrijheid die wordt ontzegd en dwang die wordt toegepast.

Potentieel kan je uit beide boeken een hoop citaten plukken en er een bevlogen tooggesprek over opzetten, maar ze lezen is alvast een goed begin. Gevolgd door doorgeven en aanbevelen in ruime kring.

Soms

Soms moet zij het lief ontlopen om niet te hoeven spreken
en de vlucht vooruit nemen naar de top van het huis.
Soms moet zij boeken om zich heen slaan en de lamp aanknippen ook al is het dag
en haar koude voeten opnieuw tussen de lakens laten glijden
waar goddank nog warmte van lijven bewaard ligt.
Soms moet zij, het hoofd achterover, door de rechthoek raam staren
en bekers blauw drinken en ook al lust zij geen warme melk, toch lijkt het daarop.
Soms moet de ochtend herbeginnen en
doet zij hem over zonder er een punt van te maken.
Soms mag het bloeden wat haar betreft stoppen, maar het gaat door
de dagen, de maanden, haar ondergoed.
Soms wordt het later, zij weet het, het deert niet.