Wat is het alternatief? Een oefening in verbeelding

Afbeelding: Gordon Johnson via Pixabay

Het begint stilaan zo ver te komen dat ik me met enige angst en beven afvraag wat het volgende is dat we kunnen verwachten. Wat ik vandaag of morgen weer op de radio of in het tv-journaal zal horen, in de krant of op nieuws-sites zal lezen. Ik zou er een lijstje van kunnen maken onder de titel ‘What’s next?’. Het zou gaan over nog sterker polariserende uitspraken van mensen die bij uitstek eenheid zouden moeten nastreven in het land, of over nog meer verregaande morele druk en inbreuken op de privacy. Maar ik besluit bewust om af te zien van zo’n lijstje, dat zou zijn ingegeven door mijn bezorgde verbeelding. Als ik nu eens een alternatief scenario zou bedenken.

Daar gaan we. Wat is het alternatief?

De koning houdt een op alle nationale zenders vlak voor het avondjournaal uitgezonden toespraak waarin hij zijn bezorgdheid uit en oproept om de vrijheid en gelijkheid van alle burgers te blijven respecteren, ongeacht de keuzes die ze maken met betrekking tot de eigen gezondheid. Hij benadrukt het belang van de vrije meningsuiting, de vrijheid van onderzoek en de vrije discussie binnen de wetenschappelijke wereld. Hij spoort de hele Belgische samenleving – zowel burgers als overheid – aan om samen (pauzeert even en kijkt nadrukkelijk in de camera) en los van vooropgezette morele, sociale of andere oordelen terug te keren naar een normaal functioneren van het maatschappelijk leven op alle vlakken.

Nationale en internationale pers berichten over het initiatief van het Belgische staatshoofd. Staatshoofden van andere naties spreken zich op hun beurt in dezelfde zin uit.

Bezorgde burgers starten een beweging op onder het motto ‘Gevaccineerd of niet – allen samen’/ ‘Vacciné ou pas – tous ensemble’. Via banners op sociale media, buttons en andere visuele middelen betuigen sympathisanten hun steun.

Binnen de horeca ontstaat een initiatief waarbij restaurants en cafés een sticker op hun deur kleven ‘Wij respecteren uw privacy. Welkom zonder pasjes of bewijzen’.

In de kunstensector komt een reflectie op gang over controle, polarisering en exclusie. Waar die in het verleden toe hebben geleid. Welke nieuwe vormen van polarisering en exclusie er ontstaan en welke rol media en sociale media erin spelen. Kunstenaars maken theater- en dansvoorstellingen, concerten, tentoonstellingen. Schrijvers en dichters leveren bijdragen voor themanummers van literaire tijdschriften.

Onderwijsinstellingen stellen over netten en koepels heen een charter op in verband met privacy en non-discriminatie bij schoolse activiteiten.

Leerlingen- en studentenraden nemen het initiatief tot ‘Geprikt of nie? Vrienden!’. Een tweetalig rapnummer, opgenomen door Brusselse jongeren, gaat viraal op sociale media en Youtube.

Personeel in de zorgsector, huisartsen en specialisten delen – met respect voor vertrouwelijkheid en deontologie – in daarvoor voorziene werktijd op een blogplatform verhalen over hoe het er nu echt aan toe gaat in hun praktijk, instelling, op hun afdeling of intensive care unit en formuleren voorstellen voor een betere waardering van hun werk.

Een aantal ondernemers en bedrijfsleiders ontwikkelen een label ‘Waardering voor je talent en inzet / Respect voor je privé-leven’. Ze engageren zich ertoe de privacy van hun werknemers te respecteren en niet te discrimineren op basis van medische informatie, vermits ze deze niet wensen te vernemen.

Er wordt een breed georiënteerd wetenschappelijk adviesorgaan opgericht dat als taak heeft om zo veel mogelijk informatie uit onderzoek – zowel medisch, psychologisch als sociaal-maatschappelijk – te verzamelen, te verifiëren en te verspreiden naar overheid, media en geïnteresseerde burgers. De leden van dit adviesorgaan worden gescreend op belangenvermenging en geweerd in het geval van te sterke banden met de farmaceutische of andere bedrijfssectoren. Er wordt maximaal ingezet op transparantie. Er wordt ook verslag uitgebracht van meningsverschillen en verschillen in interpretatie en visie binnen dit orgaan.

De premier verbindt zich er namens de regering toe maximaal rekening te houden met door het adviesorgaan geleverde informatie. Er zal vanaf nu ingezet worden op besluitvorming op basis van voortschrijdend inzicht, in het belang van de volksgezondheid. De premier vraagt begrip aan de bevolking voor het feit dat in dit proces mogelijk in het verleden genomen beslissingen worden bijgestuurd op basis van nieuwe informatie. Hij benadrukt zijn vertrouwen in de wetenschap, maar benadrukt dat wetenschappelijke informatie ook evolueert en zelden in steen gebeiteld is.

De minister van Volksgezondheid lanceert een brede voorlichtingscampagne over ziektepreventie door gezonde voeding, beweging en stressreductie. Er komen extra aandacht en middelen voor psychisch welzijn en het verminderen van angst en depressie.

Kerken, religieuze, spirituele en niet-confessionele bewegingen verspreiden mee een boodschap van eenheid en verdraagzaamheid. Ze roepen op tot bezinning over onzekerheid en niet-weten als fundamentele kernaspecten van het menselijk leven en over onze houding tegenover ziekte en dood in een tijd van wetenschap en secularisering.

Tot zover. Er ontbreekt vast allerlei in mijn scenario. Waarschijnlijk kan je zelf nog meer evoluties in dezelfde richting verzinnen. Wat mij opvalt tijdens het bedenken: het gaat in wezen over de mate van verdraagzaamheid die we kunnen opbrengen, over niet toegeven aan angst en bewustzijnsvernauwing. Eigenlijk is de huidige situatie een showcase waarin een samenleving kan laten zien hoe solidair en sterk ze zich opstelt. Geen solidariteit die berust op de druk om elk van haar leden identiek dezelfde, door de overheid gepropageerde, keuze te laten maken, wat een kenmerk van een starre, autoritaire samenleving is. Wel door ieder autonomie te gunnen. Elk van ons te laten ademen. En herademen.

Pleidooi voor meer dan één verhaal

Er is een zinnetje dat ik naar mijn zin veel te vaak hoor de laatste tijd. Stel je een situatie voor waarin geen fysieke afstand wordt gehouden, mondmaskers blijven achterwege. Het voelt lichtjes onwennig aan, want we zijn het nu al zo lang gewend mét maatregelen. Maar het mag. En dan komt het zinnetje. Iemand zegt:

‘Ach, we zijn toch allemaal gevaccineerd’.

Behalve dat het klinkt als ‘en dus mag alles weer’ klinkt het in mijn oren ook als: want dat is hoe het hoort en het is toch ondenkbaar dat we iemand onder ons zouden hebben die ingaat tegen wat hoort? Die zo onverantwoordelijk / egoïstisch / dom / anti-wetenschappelijk zou zijn om zich niet te laten prikken. Een onbehaaglijk gevoel bekruipt mij. Het zinnetje lijkt een rechtstreeks gevolg van de beeldvorming die het afgelopen jaar doelbewust gecreëerd is door de overheid en zowat de hele wereld en die zonder meer wordt overgenomen en uitgedragen door de media :

dat het vaccin dé weg naar de vrijheid is / de enige en volstrekt betrouwbare strategie om ons uit de pandemie te halen / een teken van verantwoordelijkheid / van solidair zijn.

Door dit verhaal wordt het een kwestie van morele plicht. Er is geen andere vorm van ethisch te verantwoorden gedrag mogelijk, blijkbaar. Een hele tijd werd het volgehouden: het zou een vrije keuze zijn, nee nee, geen verplichting, en ook geen discriminatie tussen wie wel en wie niet. Het werd zelfs in een resolutie van de Raad van Europa vastgelegd (2361, artikel 7.3).

Intussen zijn we zo ver gekomen dat een partijvoorzitter het zonder problemen kan hebben over de egoïsten die zich niet laten vaccineren en die ‘we’ niet zullen toestaan het voor anderen te verknallen. Intussen is de discussie op gang welke vrijheden allemaal kunnen worden ontnomen om het percentage overal omhoog te krijgen.

Onder zoveel sociale en morele druk plooit zelfs de sterkste dwarsdenker.

Ja, maar het moet. Is het beste voor iedereen, voor ieders veiligheid, voor het grotere goed.

Is dat zo? Het rijk van de vrijheid is nog niet aangebroken. Dus wordt het verhaal aangepast. Het rijk van de vrijheid zal pas aanbreken als iedereen het ene verhaal accepteert en zich ernaar schikt.

Nu we het toch over zinnetjes hebben. Er zijn er die je leest in boeken en die recht door je huid gaan en dan exploderen vanbinnen. Ik had het afgelopen week met deze:

Isaiah Berlin analyseert de totalitaire dictatuur als het gevolg van de opvatting dat op grote vragen van ethische aard één definitief antwoord mogelijk is. Dit moreel monisme kan geen rekening houden met andere opvattingen, omdat die onredelijk, onlogisch en onzinnig zijn en het bereiken van het ideaal hinderen. Binnen dit bewustzijnsvernauwende idealisme is het niet alleen verklaarbaar, maar ook redelijk om andere opvattingen te onderdrukken en met alle mogelijke middelen te bestrijden.’

Ik denk dat we al een tijdje helemaal die kant opgaan. Het maatschappelijke debat over maatregelen en vaccinatiestrategie mag niet gevoerd worden. Elke wetenschapper of deskundige die een afwijkende mening heeft, elke weldenkende vrouw of man die nog kritische vragen stelt, krijgt te maken met doodzwijgen, in diskrediet brengen, censuur, criminaliseren, marginaliseren, ontslag. Krijgt meteen labels opgeplakt: complotdenker, antivaxer, onwetenschappelijk.

Ik las dat zinnetje over Isaiah Berlin trouwens in de roman ‘Eden’ van Marcel Möring. Een prachtig, complex boek, onder andere over waarheid. Dat ze nooit onomstotelijk en eenduidig kan zijn. Dat er vele waarheden zijn, dat wij ze maken door onze unieke blikken, onze verhalen, door die te delen en met elkaar te confronteren.

Ik ben dankbaar om wie zich laat vaccineren. Natuurlijk helpen vaccins. Tegelijk ben ik bezorgd, want we kennen de lange-termijneffecten nog niet en we maken onze samenlevingen sterk afhankelijk van oppermachtige industrieën die nauwelijks enige morele standaard hanteren.

Ik ben ook dankbaar om wie de weloverwogen moed heeft zich niet te laten vaccineren. Omdat ik denk dat ook dat een deel van de uitweg is.

Zoals ik denk dat er nog vele anderen dingen deel van de uitweg kunnen zijn: campagnes voor preventie, onze immuniteit versterken door gezond eten, bewegen, extra vitamines, angst en stress verminderen, zorg dragen voor mentaal welzijn en sociaal contact.

Mag het alsjeblieft én-én-én zijn? In plaats van dat ene, onaantastbare verhaal dat een scherpe polarisering doet ontstaan tussen ‘goeden’ en ‘slechten’. Waarbij vrije keuze, altijd al een fragiele zeepbel, uit elkaar gespat is. Kunnen we proberen om ons niet uit elkaar te laten spelen door een overheid en media die beslist hebben wat het verhaal moet zijn, en dat er behalve dat ene geen andere meer kunnen worden getolereerd? Kunnen we allemaal samen gewoon wijzer zijn dan dat zwart-witdenken?

Ik hoop dat er terug enig gezond debat komt. Dat we er geraken door een kruisbestuiving van visies uit allerlei hoeken in plaats van die ene staatsvisie die we nu hebben. Dat er eerlijkheid mogelijk is. Dat bevindingen van wetenschappelijke studies die niet passen bij het ene verhaal ook onder de aandacht komen. In plaats van één groep in de samenleving tot zondebok uit te roepen en massaal te beweren dat als er nog besmettingen zijn dat komt door dat slinkende percentage dat niet gevaccineerd is, dus nog meer vaccins is het antwoord, ram de boodschap erin, vaccineer desnoods ook de kinderen, vaccineer drie keer, vier keer, eindeloos.

Ik kijk en luister op Tegenwindtv naar Sam Brokken. Hij durfde het aan om zijn kritische visie uit te drukken. Hij werd ontslagen als lector aan een hogeschool. Nee hoor, niet om zijn visie, natuurlijk niet.

Ik kom bij mezelf uit, denk: komaan, stop nu met je alsmaar gedeisd te houden, alsmaar te denken dat je geen deskundige bent en dus beter je kop kan houden.

Ik schrijf bovenstaande. Ik deel het.

ik hou vandaag van al wat achterblijft nadien daarna

foto: naeim a via Pixabay

 

ik hou vandaag van al wat achterblijft nadien daarna
de kruimels van een snel ontbijt de boter op het bord
het boek op het tapijt geen tijd voor lezen en voor spijt
de sweater op een stoel het gat de knoop de losse naad
de kranten fout gevouwen hoofden koppen goeie raad

ik hou vandaag van al wat achterblijft daarna nadien
bebloede lappen vet papier een platgetrapte fles
half weggewaaide tenten vieze dekens lepel mes
begraasde heuvels waar de bom viel kraters in een lijf
een kat bij godverlaten huizen stramme poten stijf

ik hou vandaag van al wat achterblijft nadien daarna
het kind dat draalt een eind achter haar moeders regenjas
de man die nipt de trein mist leeg perron met aktentas
de buschauffeur de laatste rit alleen geen hond rijdt mee
de poetsvrouw landschap dweilend na de witte-hemden-zee

ik hou vandaag van al wat achterblijft daarna nadien
elk kind dat niet mee vluchtte later komt misschien of nooit
de oude vrouw die foto’s kijkt van samen vroeger ooit
het meisje aan de bar net hopper maar dan om de hoek
mezelf jou missend ook na al die tijd een zucht een vloek

 

Unfinished

congerdesign via pixabay

 

She wants the house with the red armchair to envelop her.
Safety spread out like a blanket over the blazing cushions.
Sitting. Just sitting.
But the wind blows through.
Secret air streams leave the doors ajar,
as if an invisible person pushes them slightly open.
Drawing attention.

At first it startles her, then it reminds her
of shuttered altarpieces in quiet churches.
Sacred content wanting to be seen.
She imagines opening battered panels, finding a once beloved,
now estranged face behind one.
More recent crucifixions behind others.

Framed by the wind they look like finished paintings,
but she knows better.
She will have to bear another round through the seasons.
The lines of the face curving like those of a landscape.
The sensation of overstretched limbs and pierced flesh
coming back to her.

Whenever the wind blows through the house with the red armchair.
Leaving doors ajar.

praatje met de dood

suju-foto via Pixabay

Ik zit een gedicht te schrijven over de dood – ik heb de laatste regels in mijn hoofd, het staat er bijna – wanneer ik een doffe klap tegen het raam schuin achter me hoor. Het gebeurt zelden, maar ik weet wat het betekent: er is een vogel tegenaan gevlogen. Ik denk: ‘kansloos, op slag dood, niet kijken, laat me geen dode vogel moeten opruimen, please nee’. Ik ga toch kijken: er ligt een musje op het platte dak onder het raam, op zijn/haar (?) zij. Bewegingloos, zo lijkt het, dan zie ik dat de flank lichtjes op en neer gaat, het halfdichte ooglid trilt. Ik open het raam, steek traag mijn rechterhand uit om mus niet te laten schrikken. Denk: ‘als je je laatste adem uitblaast, laat er dan een vriendelijke hand in de buurt zijn, ook al ben je niet vertrouwd met vriendelijke handen.’ Ik strijk met één vinger, mus lijkt niet te schrikken of bang te zijn, blijft gewoon liggen. Ik fluister wat bezwerende dingen: ‘je gaat niet dood, komaan, niet doodgaan, volhouden’. Ik raap voorzichtig het slappe lijfje op en vouw licht mijn vingers er omheen. Het oog knippert, de flank rijst en daalt, de bek gaat open en dicht. De vleugels en pootjes lijken niet zichtbaar beschadigd, maar liggen er lam bij. De tijd staat stil. Op de daken rondom fel gekwetter, alsof familieleden gealarmeerd commentaar geven bij de gebeurtenis. Minutenlang verandert er niets. Dan plots grijpt het ene klauwtje om mijn pink, het andere om mijn ringvinger. Met een schokje staat mus rechtop in mijn handpalm. Ik denk weer hard: ‘je vleugels zijn ok, je kan het, nog even uitrusten, kalmpjes aan’. Mus staat te staan, mus heeft geen haast. Mus laat iets vallen, links van mijn pink, netjes op het dak, tot twee keer toe. Ik verwacht dat er na een tijdje misschien wat voorzichtig geklapper zal komen, wat onhandig testen of alles het nog doet. Maar nee. Zonder overgang zetten de pootjes zich krachtig af. Mus vliegt in één vloeiende beweging tot in de perenboom vijf meter verderop en verdwijnt tussen beregende bladeren en vruchten. Ik keer terug naar mijn schrijfplek en schrijf de laatste regels die al in mijn hoofd zaten.

***

 

praatje met de dood

 

in een lege straat zag ik de dood
ik wist dat hij het was omdat zijn jas te lang was
bijna tot op zijn schoenen
niemand draagt nog zulke lange jassen
tenzij de dood

hij lachte wat betrapt
herpakte zich
rechtte zijn schouders zei
denk niet dat je me kan bezweren
door me recht aan te kijken met die vranke blik

ik zei je hebt gelijk
ik weet dat je geen zachte vriend bent
brutale klappen uitdeelt als een bokser
lacht om targets en agenda’s
en altijd het laatste woord hebt

hij keek en knipperde niet met zijn ogen
inderdaad zei hij

we maakten beiden rechtsomkeer
ik ging naar huis
hij verder in zijn lange jas in de lege straat

 

 

 

 

vlees en bloed

 

je kan dan wel stoer denken
het is hun leven nu
maar je temperatuur stijgt en daalt met de hare
je hartspier balt zich op het ritme van de zijne

hoe doet hun vader het
de blik net iets strakker op eigen belangwekkende bezigheden
met meer gepaste afstand dan jij toekijkend
al bonst het ook in zijn botten
wanneer grote kinderen balanceren
en zoveel harder kunnen vallen dan toen van het hek

jij voelt nog rukjes van die draad van bloed en slijm
hij herinnert zich het knippen
jij droeg hen op de plek waar alleen jij het kon
hij op alle andere delen van een sterker lijf

nu dansen jullie de tango van nog nodige ouders
op vrijdag fel met bier en om ter snelste grappen
op maandag met lood in de aderen na een telefoontje
elk op verschillende muziek soms
of zonder in een donkere kamer
schuifelend tegen elkaars schouder

 

Na het ongeluk

Peggy & Marco Lachmann-Anke via Pixabay

 

Het naambandje om de porseleinen pols probeert mij te overtuigen:
deze vrouw in het bed is wel degelijk uw familielid J.

Ik graaf in de puinhoop van vervormde trekken,
tref geen spoor van haar,
schreeuw bijna mijn protest de gang in:
dit-is-zij-niet-hier-ligt-de-tante-van-een-ander-hoe-durven-jullie!

Dan plots vind ik een wenkbrauw,
het voorhoofd met de juiste welving,
zie hoe ze achter de bonte oogleden knipoogt:
kijk mij hier liggen, nichtje.
Dat gekke haarnet op mijn kapotte hoofd,
ik kan het echt niet helpen hoor.

Ik luister, knik, ik praat met elke beurse plek.
De loop van slangetjes over bleek vel volg ik
tot ze verdwijnen in een plooi.
Waar gaan die dingen heen?

Nu zij bestaat uit cijfers op een scherm,
bij de gratie van brouwsels in zakjes,
neem ik haar bij de hand,
doen we een zweefvlucht door de kamer.

Tot ik het raam open en zij met een zucht ontsnapt.

Levensloterij

su-ju photo via Pixabay

 

En altijd zal je zien dat net de zachtmoedige oom,
de goedlachse nicht met één haal worden geknakt.
Terwijl wat jou betreft de nurkse neef,
de chagrijnige schoonzus eerder in aanmerking kwamen.

De inhalige doet niet aan die logica.
Zijn kennersoog merkt op wat jij en ik niet kunnen zien.
De plotse knik in de knie, de seconde van lichtheid in het hoofd,
het overslaan van de bloedpomp.

Waarop hij knipt met de vastheid van de chirurg
en diens gebrek aan sentiment.
Misschien maar beter zo.
Vreesden we hem nog meer als hij te voorspellen viel.

 

Het verlangen om er niet te zijn

alkemade via Pixabay

 

I.

De bomen ruisen woest.
Plots wil je van je fiets geslagen worden.
Pijnloos weggedragen op een luchtstroom met bestemming onbekend.

II.

Op het natte bankje zitten langs het pad. Niks anders nu.
Opgaan als een halm in het veld.
Onzichtbaar blijven voor wie langsloopt.

III.

Knip de wereld uit als een staande lamp.
Waar ben je dan?
Is het daar zwart en klein of wit en eindeloos?

IV.

Alle mondvollen over de weldaad van stilstand, je begrijpt ze niet.
Altijd is er een volgende seconde.
Zelfs foto’s en rotsen worden ouder.

V.

Het verlangen om er niet te zijn maar nu ook weer niet dood ofzo.
Misschien moet je je schamen om die luxe.
Hoe dan ook trapezewerker zonder net.

Waar zij gaat

AnnRos via Pixabay

 

Het hoofd van de vrouw zit vol.
Vogels, bloemen, vruchten, lianen, een palmboom, een kolibrie om te completeren.
Haar ogen kijken uit dit verborgen oerwoud naar buiten, onverstoorbaar.
Binnenin mag kleur exploderen, zij draagt een shirt met smalle streep.
Hoogstens verraadt een blosje op elke wang, het is nu eenmaal warm.
Voor een hoed zit het hoofd te vol.
Hij zou wankelen, eraf vallen, in de goot rollen.
Vergeet die hoed.

De vrouw draagt dit hoofd behoedzaam als was het een aquarium waaruit niet mag worden gemorst.
Zo dragen vrouwen doorgaans hun hoofd.
Het uitdelen begint, zonder teken, zonder aanleiding.
Zij overhandigt een parkiet.
Een stuk of wat pioenen stromen uit haar mond.
Zij schudt en laat het rijpe vijgen regenen.

Het hoofd loopt leeg.
Tot zij naar buiten kijkt uit leegte.
Zij weert een aanvliegende ijsvogel af.
Strijkt de laatste flinter kamperfoelie van een mouw.
Er komen nu dagen van niets geven.
Zij zal aan tafel zitten, bij de bloesemtak in het vaasje.