Kill your darlings

Meer dan een jaar geleden vroeg ik mij af wat te doen met 59 dagboeken. Ik bedacht strategieën … en voerde maandenlang niet één ervan uit. De dagboeken verhuisden, dat wel. In plaats van ze in een vergeethoek in een kartonnen doos te laten zitten, stapelde ik ze netjes op onderin mijn kleerkast. Ik dacht: als ze in het zicht blijven, kom ik er op een dag wel achter wat ik ermee moet. En in het zicht blijven deden ze. Elke keer als ik een blouse of vestje wilde pakken, lagen ze daar. Netjes, maar ook aanstootgevend. Ik kon ze niet in één keer wegdoen, dat voelde alsof ik mijn verleden in een vuilnisbak zou staan proppen. Maar ze gunden mij ook geen rust, ze gedroegen zich als een te zware maaltijd in een overgevoelige maag.

Het antwoord op de kwellende vraag kwam niet onder de vorm van een aha-erlebnis. Plotse flitsen van inzicht bleven achterwege. Het gebeurde doodgewoon in de praktijk: ik weigerde om het getal van mijn verzamelde dagboeken boven de 59 te laten stijgen. Mijn hele zelf verzette zich ertegen dat de stapels in de kleerkast verder zouden gaan groeien. Het was genoeg. Het vooruitzicht om ooit een bejaard dametje met 135 dagboeken te zijn was ‘too much’.

Stoppen met schrijven dan maar? Nee, natuurlijk niet. Schrijven is zijn, is leven, bestaan. De nieuwe strategie is: met regelmaat dagboeken minimaliseren. Dat gaat in 3 stappen:

  1. Het dagboek helemaal herlezen en daarbij de bladzijden waar ik wat van wil bijhouden een ezelsoortje bezorgen.
  2. De passages op de ezeloortjes-bladzijden overtypen in een document of fotograferen als ze lang zijn.
  3. Al de rest behandelen als oud papier.

Ik geef toe, het vergt tijd. Soms is het meer dan bevreemdend om via het geschrevene als met een teletijdmachine teruggeflitst te worden naar de sfeer, gevoelens, contacten, repetitieve gedachten van vele jaren geleden. En confronterend: bij herlezing is er weinig wat ik wil bijhouden. Dagboeken zijn vaak vergaarbakken van gezeur, geneuzel en donkerte. Een half jaar later maakt het meeste wat je een half jaar eerder hebt gedacht niet zo veel meer uit, daar moeten we niet flauw over doen. Maar dagboeken zijn niet alleen maar de spuwbak des levens. Ze zijn ook – eerder zelden maar zo gaat dat nu eenmaal – de schelp waarin het pareltje groeit. Een gedachte, een inzicht, een observatie waarvan bij herlezing mijn hart zich opent, woorden waarvan ik weet dat ze mij telkens opnieuw een goed gevoel kunnen geven. Het zou contraproductief zijn die weg te gooien.

Intussen heb ik zo een tiental dagboeken geminimaliseerd. Het voelt telkens intens om een heel pak papier dat ik zelf heb volgeschreven te vernietigen. In de wintermaanden stopte ik ze in de kachel. Het had iets gepast dramatisch om de bladzijden te zien blakeren, omkrullen en dan plots oplaaien in de vlammen. Anders dan om ze nuchter tussen platgevouwen karton en oude kranten in de papierbak te stoppen.

De toren onderin de kleerkast is intussen niet verdwenen, maar ik werk eraan. Eigenlijk is het een voorrecht als je de kans krijgt om je verschaalde liefdesverdriet, roestige zelfkwelling en oudbakken zwartgalligheid zo tastbaar op een hoop te vegen en de deur uit te werken. En helemaal heerlijk om dat lichte bestandje vol met de mooiste, helderste stukjes verleden te zien groeien. Ik heb er vertrouwen in: meer dan 59 volle dagboeken worden het nooit meer. Op termijn wordt dit een nuloperatie.

Wild!

Ik woon op een plek waar nauwelijks bossen zijn. Toch is het er ook helemaal niet stedelijk. Het is één van die plekken in Vlaanderen waar landbouw – monoculturen die zich uitstrekken tot aan de hemelsbrede horizon – een oppervlakkig gevoel van landelijkheid geeft. Het is ‘de buiten’, maar ongerept kan je het allerminst noemen. Ik pendel met de trein naar steden en kom weer terug. Zowat elke dag fiets ik in veelvoud de drie kilometer die mijn huis scheiden van station, bakker, supermarkt, krantenwinkel.

Tevoren woonde ik aan de rand van een bos, wat ik erg mis. Ik ging er weg door omstandigheden zoals die in elk leven opdagen. Ik heb me vaak afgevraagd of ik de verkeerde keuze heb gemaakt door ergens te gaan wonen waar bossen zo opvallend ontbreken. Of ik niet opnieuw moet verhuizen, liefst naar ergens waar ongereptheid nog veel aanweziger is. Naar Schotland of Ierland bijvoorbeeld. Of gewoon rondtrekken. Telkens wat anders. Misschien doe ik dat ooit, maar sinds kort heb ik besloten om vrede te sluiten met mijn huidige woonplek.

Onder andere omdat ik behoefte heb aan een antidotum tegen de negatieve ideeën die in tijden van klimaatcrisis heersen over de natuur rond ons.
Hier is geen echte natuur meer’.
Alles is al kapotgemaakt.’
Weer een nieuwe verbindingsweg, waar houdt het op?’.
Er bestaan geen stille plekken meer. Overal hoor je autogeraas op de achtergrond.’
Van de beloofde 10.000 hectare nieuw bos is niks in huis gekomen.’

Ik zal niet beweren dat er geen enkele waarheid in die uitspraken zit. Wel betreur ik de overtuiging dat wilde natuur zich alleen nog ver weg bevindt – in de bossen in Noord- en Oost-Europa, in de Nationale Parken van de VS, in het Amazonewoud … Ik betreur dat deze plekken opzoeken zowat de enige manier lijkt om ons te herbronnen. Ik betreur de melancholie die daarrond hangt, het stille idee dat we iets fundamenteels kwijt zijn, dat rond ons alleen maar teloorgang en verlies te bespeuren vallen. Ik betreur dat we de indruk hebben verre reizen te moeten maken of minstens naar een natuurreservaat of de Ardennen te moeten om het verlorene terug te vinden.

Dit is een pleidooi om veel meer te zijn waar we zijn. Onze leefomgeving te accepteren en zelfs te omhelzen. De bomen langs de snelwegrand die niemand ooit bewondert zijn niet minder wild dan die in een oerbos, al zijn ze daar met veel meer. Het beekje dat door een weiland stroomt heeft dezelfde wilde waterkwaliteiten als de Niagara Falls, als je tenminste wil kijken. Het vergt een mildere, minder hongerige en veeleisende blik, maar alles is er al, rond ons. Ook in de stad. Alleen al het eenvoudige effect van buitenlucht wanneer je je wat down voelt. De tuindeur, balkondeur, het raam open, je ogen sluiten en bewust de frisse, lauwe, ijskoude, lekker warme of zondoorstoofde buitenlucht inademen. Die simpele verhouding tot buiten en natuur terugvinden kan een enorme bron van herverbinding zijn. Met onszelf, met de antwoorden in ons, met oprechte verlangens en dromen. Met onze creativiteit ook. Ik weet zeker dat wie creatief – en daarmee bedoel ik niet artistiek, wel scheppend – in het leven wil staan de eigen relatie met natuur moet cultiveren. Niet door één keer per maand in de auto te stappen om ergens een lange boswandeling te maken. Wel door elk moment waarop het kan aan te grijpen om de natuurlijke plekken vlakbij op te zoeken. Dat is iets wat ik veel meer en veel bewuster voor mezelf wil doen. Waarop ik hoop dat mijn verhaal jou aansteekt. Zodat we sterker worden om op te komen voor alles wat we anders willen. Zonder de kwaliteiten van wat we allemaal hebben uit het oog te verliezen.

 

 

Het gedoe dat liefde heet (5): Hoe vaak zeg jij de 4 magische woorden?

Je mag kiezen of die vier magische ‘ik hou van je’ of ‘ik zie je graag’ zijn. In intentie verschillen ze niet veel, het is maar wat je uit je strot krijgt in de liefde. Tijd dus voor genadeloze introspectie: met welke frequentie spreek je ze uit, en tegen wie? Of schrijf je ze makkelijker? Plak je ze met enige achteloosheid achteraan een telefoongesprek? Duim je ze razendsnel en luchtig  – luv ya of ILU of KHVJ – op een schermpje?

Voor mezelf stel ik vast dat ik een algemeen tekort ervaar. Ik zeg ze te weinig en ik hoor ze te weinig. Voor een deel heeft dat met persoonlijke dingen te maken, voor een deel met cultuur. Onze culturele barrières voor de vier magische zijn hoog. ‘Ik hou van je’ zeggen in een context van één-op-één tussen twee volwassenen komt al gauw – als je vriendschap en ouder-kindrelaties even buiten beschouwing laat – neer op ‘ik wil een relatie met jou, kies exclusief voor jou en geen ander, heb mijn hart aan je verpand, meen het bloedernstig met ons, …’. Etcetera. Durf je ze uit te spreken tegen iemand met wie je niet sowieso al een romantische verbintenis hebt, dan vraagt de ander zich vanzelf af ‘is ze verliefd op me, wil ze iets met me?’.

Dat is, als je het mij vraagt, jammer. Want het maakt de vier magische tot een soort toverformule die we – tenzij we een partner hebben die bijzonder gul is met verbale liefdesuitingen of er zelf van overlopen – eerder zeldzaam ervaren. Waardoor we er ook geen vlotheid in verwerven. Ze blijven in onze keel steken en we stuntelen in het aannemen ervan.

Ik wou dat het anders was, voor mezelf en voor de rest van de mensheid. Natuurlijk kan je ook zeggen: ‘Ja maar, het is net omdat ‘ik zie jou graag’ tot de eerder schaarse uitspraken behoort, dat het zo bijzonder kan zijn en blijven. Het vaker en in allerlei relaties en contacten uitspreken zou het devalueren.’ Daar ben ik het niet mee eens.

Eind vorig jaar deed ik een experiment: ik schreef bij wijze van alternatief eindejaarscadeautje brieven aan geliefden en vrienden. In mijn hoofd noemde ik ze liefdesbrieven, maar in de praktijk schreef ik in lang niet allemaal de vier magische woorden letterlijk neer. Soms vroeg ik me af of ik ‘over the top’ was, of ik echt zo ver mijn nek moest uitsteken. Anderzijds wilde ik het blijkbaar wel.

En wil ik het nog steeds. In contacten die helemaal geen klassieke liefdesrelaties zijn, welt het soms ineens op zonder dat ik het uitspreek: eigenlijk hou ik van jou. Voorbeeld één: iemand die mij coacht in iets wat ik graag wil leren werkt eindeloos op mijn zenuwen omdat het zo moeilijk is om concrete afspraken met hem te maken, maar wanneer het dan toch lukt, is wat hij geeft zo gul en mooi en warm dat ik spontaan denk ‘hierom hou ik van je’. Maar dat zeg ik dus niet, bang voor complicaties en misverstanden.

In het station ontmoet ik iemand met wie ik een Hans-en-Grietje-contact heb: de keren dat we elkaar zien liggen meestal tamelijk ver uit elkaar, als kruimels op een pad, maar wanneer we elkaar toch kruisen voelt de verstandhouding voor mij meteen als verwantschap. Voldoende reden om te denken: ‘hé, ik zie jou graag’, maar alweer zal ik eerder doodvallen dan het te zeggen. Ik denk dat mijn woorden te gewichtig zouden zijn, krijg schrikbeelden dat ze mij zullen binden of ik erin verstrikt zal raken.

Maar misschien moet ik nu even stoppen met schrijven en dringend gaan oefenen. Wees gewaarschuwd. Misschien hou ik wel van je en kom je dat binnenkort te weten.

 

 

connect

toen het gebeurde
lag ze al eeuwen in een wad
haar gezicht net onder het oppervlak
haar neus vol modder

haar vingers – voelde ze
verlengden zich tot luchtwortels
de luchtwortels tot bomen
een rilling later bekroop het kroos haar armen

toen waagden de koeten het
zich af te zetten
onverstoorbaar over haar heen te glijden
toeterend als boten die vertrek aankondigen

de kikkers met bellen om de mond
de wilde paarden in de verte baarde zij
de zon een rukkende ballon
het touwtje voelbaar in haar navel

voortschrijdend landschap werd ze
toen gedachten vliezen kregen
schubben stengels bladgroen
haar hartslag zich vermengde met de schrille roep
van iets wat overvloog
klapwiekend

A drawing a day …

Je kent vast het Engelse gezegde ‘An apple a day keeps the doctor away’. Ik moet daar altijd aan denken wanneer ik teken en vervang ‘apple’ dan door ‘drawing’. ‘A drawing a day keeps the doctor away’. Ik voel me helemaal geen tekenaar, heb er nooit cursussen voor gevolgd en beschouw het ook niet als één van mijn talenten, maar voel het wel aan als een verrijking en een vorm van mentale zelfzorg om het regelmatig – elke dag is wat te hoog gegrepen – te doen. Mijn tekensessies zijn kort – tekeningen van landschappen of natuur in mijn buurt maak ik doorgaans in 10 à 15 minuten, fantasietekeningen in maximum een half uur. Tekenen heeft allerlei heilzame effecten:

  • het is een motivator om naar buiten te gaan
  • het zorgt voor ‘flow’: wanneer je tekent kan je haast niet anders dan in het moment zijn
  • het kan je blij maken middenin een zorgendag of een rotperiode
  • het prikkelt je fantasie en je creativiteit op andere vlakken
  • het doet je stilstaan en kijken naar mooie / bijzondere / doodgewone dingen

Hier zijn wat ideetjes, waarbij ik hoop dat je ook het virus te pakken krijgt.

Een schetsje van vegetatie langs een veldweg. Er was wind en het begon te regenen, zoals je ziet aan de lichter blauwe vlekjes. Materiaal: vulpen op schetsboekpapier

Een veldweg met winterse bomen. Om te selecteren wat je gaat tekenen, ga je het best heel intuïtief te werk. Op sommige momenten valt je een detail op, andere momenten treft het landschap je. Het is zoals wanneer je foto’s maakt op reis: zonder er veel over na te denken laat je je leiden door wat je spontaan mooi vindt. Materiaal: bruine fijnschrijver op schetsboekpapier

 

Je kan ook puur vanuit je fantasie werken. Schets een omtrek, bv een cirkel of zoals in dit geval een druppelvorm en vul de omtrek helemaal op. Gebruik zo min mogelijk je rationele brein. Plan niet van tevoren de structuur van je tekening en laat je voor vormen en kleuren telkens leiden door wat je hand vanzelf lijkt  te willen doen.. Denk niet na over welke kleuren al dan niet bij elkaar passen, maar grijp naar de kleur waarbij je zoiets als ‘hé ja’ voelt.

Materiaal: potlood en kleurpotloden op schetsboekpapier

 

 

 

Weer een heel snel landschapje. Details hoeven helemaal niet correct te zijn. De gebouwen aan de horizon zijn niet accuraat en de bomen zijn niet meer dan suggestieve krabbels.

 

Soms kan een tekening ontstaan omdat je even niks anders te doen hebt. Deze maakte ik omdat ik ergens moest zitten wachten. Ik had toevallig ruitjespapier bij en tekenmateriaal – niet dat ik dat standaard overal mee naartoe sleep. De woorden kwamen op een bepaald punt toen ik voelde dat het zonder niet af zou zijn.

Materiaal: ruitjespapier, kleurpotloden, gekleurde balpennen en fijnschrijvers, goud- en zilvermarker, zwarte marker.

 

 

 

 

 

Ben ik altijd tevreden over wat ik teken? Helemaal niet! Soms vat ik niet de sfeer die ik in een tekening wil hebben. Deze ontstond tijdens een recente wandeling in een natuurgebied. Overal waren ontluikende blaadjes, prille bloesems, katjes, alles bewoog in de wind, de bomen rondom ruisten en kraakten. Die indrukken kwamen helemaal niet in de tekening terecht, zoals ik graag had gewild. Het lettertype van de tekst vind ik te stijf, het had veel natuurlijker gekund. Maar dat hoort bij tekenen, en al helemaal bij snel en spontaan tekenen.

Wanneer je vaker tekent, leer je ook je beperkingen kennen. Ik krijg dieren zelden goed op papier en aan portretten durf ik me nauwelijks te wagen. Dat wil niet zeggen dat we ons moeten laten beperken. Misschien is het gewoon een kwestie van iets meer tijd nemen of een keer wat handboeken over tekentechniek bekijken.

Ik wens je zalige tekenervaringen!

 

taart in de stad

we delen een punt
met elke hap inhaliger
alsof we het bord bestelen

dan sla je om en wiebel je plots gul
de laatste zoete brok op je vork voor mijn mond
toehappen is tanden zetten in jou
we weten het allebei
je wiebelt
ik hap
je ogen reikhalzen
ik ren ze tegemoet