Het gedoe dat liefde heet (5): Hoe vaak zeg jij de 4 magische woorden?

Je mag kiezen of die vier magische ‘ik hou van je’ of ‘ik zie je graag’ zijn. In intentie verschillen ze niet veel, het is maar wat je uit je strot krijgt in de liefde. Tijd dus voor genadeloze introspectie: met welke frequentie spreek je ze uit, en tegen wie? Of schrijf je ze makkelijker? Plak je ze met enige achteloosheid achteraan een telefoongesprek? Duim je ze razendsnel en luchtig  – luv ya of ILU of KHVJ – op een schermpje?

Voor mezelf stel ik vast dat ik een algemeen tekort ervaar. Ik zeg ze te weinig en ik hoor ze te weinig. Voor een deel heeft dat met persoonlijke dingen te maken, voor een deel met cultuur. Onze culturele barrières voor de vier magische zijn hoog. ‘Ik hou van je’ zeggen in een context van één-op-één tussen twee volwassenen komt al gauw – als je vriendschap en ouder-kindrelaties even buiten beschouwing laat – neer op ‘ik wil een relatie met jou, kies exclusief voor jou en geen ander, heb mijn hart aan je verpand, meen het bloedernstig met ons, …’. Etcetera. Durf je ze uit te spreken tegen iemand met wie je niet sowieso al een romantische verbintenis hebt, dan vraagt de ander zich vanzelf af ‘is ze verliefd op me, wil ze iets met me?’.

Dat is, als je het mij vraagt, jammer. Want het maakt de vier magische tot een soort toverformule die we – tenzij we een partner hebben die bijzonder gul is met verbale liefdesuitingen of er zelf van overlopen – eerder zeldzaam ervaren. Waardoor we er ook geen vlotheid in verwerven. Ze blijven in onze keel steken en we stuntelen in het aannemen ervan.

Ik wou dat het anders was, voor mezelf en voor de rest van de mensheid. Natuurlijk kan je ook zeggen: ‘Ja maar, het is net omdat ‘ik zie jou graag’ tot de eerder schaarse uitspraken behoort, dat het zo bijzonder kan zijn en blijven. Het vaker en in allerlei relaties en contacten uitspreken zou het devalueren.’ Daar ben ik het niet mee eens.

Eind vorig jaar deed ik een experiment: ik schreef bij wijze van alternatief eindejaarscadeautje brieven aan geliefden en vrienden. In mijn hoofd noemde ik ze liefdesbrieven, maar in de praktijk schreef ik in lang niet allemaal de vier magische woorden letterlijk neer. Soms vroeg ik me af of ik ‘over the top’ was, of ik echt zo ver mijn nek moest uitsteken. Anderzijds wilde ik het blijkbaar wel.

En wil ik het nog steeds. In contacten die helemaal geen klassieke liefdesrelaties zijn, welt het soms ineens op zonder dat ik het uitspreek: eigenlijk hou ik van jou. Voorbeeld één: iemand die mij coacht in iets wat ik graag wil leren werkt eindeloos op mijn zenuwen omdat het zo moeilijk is om concrete afspraken met hem te maken, maar wanneer het dan toch lukt, is wat hij geeft zo gul en mooi en warm dat ik spontaan denk ‘hierom hou ik van je’. Maar dat zeg ik dus niet, bang voor complicaties en misverstanden.

In het station ontmoet ik iemand met wie ik een Hans-en-Grietje-contact heb: de keren dat we elkaar zien liggen meestal tamelijk ver uit elkaar, als kruimels op een pad, maar wanneer we elkaar toch kruisen voelt de verstandhouding voor mij meteen als verwantschap. Voldoende reden om te denken: ‘hé, ik zie jou graag’, maar alweer zal ik eerder doodvallen dan het te zeggen. Ik denk dat mijn woorden te gewichtig zouden zijn, krijg schrikbeelden dat ze mij zullen binden of ik erin verstrikt zal raken.

Maar misschien moet ik nu even stoppen met schrijven en dringend gaan oefenen. Wees gewaarschuwd. Misschien hou ik wel van je en kom je dat binnenkort te weten.

 

 

connect

toen het gebeurde
lag ze al eeuwen in een wad
haar gezicht net onder het oppervlak
haar neus vol modder

haar vingers – voelde ze
verlengden zich tot luchtwortels
de luchtwortels tot bomen
een rilling later bekroop het kroos haar armen

toen waagden de koeten het
zich af te zetten
onverstoorbaar over haar heen te glijden
toeterend als boten die vertrek aankondigen

de kikkers met bellen om de mond
de wilde paarden in de verte baarde zij
de zon een rukkende ballon
het touwtje voelbaar in haar navel

voortschrijdend landschap werd ze
toen gedachten vliezen kregen
schubben stengels bladgroen
haar hartslag zich vermengde met de schrille roep
van iets wat overvloog
klapwiekend

A drawing a day …

Je kent vast het Engelse gezegde ‘An apple a day keeps the doctor away’. Ik moet daar altijd aan denken wanneer ik teken en vervang ‘apple’ dan door ‘drawing’. ‘A drawing a day keeps the doctor away’. Ik voel me helemaal geen tekenaar, heb er nooit cursussen voor gevolgd en beschouw het ook niet als één van mijn talenten, maar voel het wel aan als een verrijking en een vorm van mentale zelfzorg om het regelmatig – elke dag is wat te hoog gegrepen – te doen. Mijn tekensessies zijn kort – tekeningen van landschappen of natuur in mijn buurt maak ik doorgaans in 10 à 15 minuten, fantasietekeningen in maximum een half uur. Tekenen heeft allerlei heilzame effecten:

  • het is een motivator om naar buiten te gaan
  • het zorgt voor ‘flow’: wanneer je tekent kan je haast niet anders dan in het moment zijn
  • het kan je blij maken middenin een zorgendag of een rotperiode
  • het prikkelt je fantasie en je creativiteit op andere vlakken
  • het doet je stilstaan en kijken naar mooie / bijzondere / doodgewone dingen

Hier zijn wat ideetjes, waarbij ik hoop dat je ook het virus te pakken krijgt.

Een schetsje van vegetatie langs een veldweg. Er was wind en het begon te regenen, zoals je ziet aan de lichter blauwe vlekjes. Materiaal: vulpen op schetsboekpapier

Een veldweg met winterse bomen. Om te selecteren wat je gaat tekenen, ga je het best heel intuïtief te werk. Op sommige momenten valt je een detail op, andere momenten treft het landschap je. Het is zoals wanneer je foto’s maakt op reis: zonder er veel over na te denken laat je je leiden door wat je spontaan mooi vindt. Materiaal: bruine fijnschrijver op schetsboekpapier

 

Je kan ook puur vanuit je fantasie werken. Schets een omtrek, bv een cirkel of zoals in dit geval een druppelvorm en vul de omtrek helemaal op. Gebruik zo min mogelijk je rationele brein. Plan niet van tevoren de structuur van je tekening en laat je voor vormen en kleuren telkens leiden door wat je hand vanzelf lijkt  te willen doen.. Denk niet na over welke kleuren al dan niet bij elkaar passen, maar grijp naar de kleur waarbij je zoiets als ‘hé ja’ voelt.

Materiaal: potlood en kleurpotloden op schetsboekpapier

 

 

 

Weer een heel snel landschapje. Details hoeven helemaal niet correct te zijn. De gebouwen aan de horizon zijn niet accuraat en de bomen zijn niet meer dan suggestieve krabbels.

 

Soms kan een tekening ontstaan omdat je even niks anders te doen hebt. Deze maakte ik omdat ik ergens moest zitten wachten. Ik had toevallig ruitjespapier bij en tekenmateriaal – niet dat ik dat standaard overal mee naartoe sleep. De woorden kwamen op een bepaald punt toen ik voelde dat het zonder niet af zou zijn.

Materiaal: ruitjespapier, kleurpotloden, gekleurde balpennen en fijnschrijvers, goud- en zilvermarker, zwarte marker.

 

 

 

 

 

Ben ik altijd tevreden over wat ik teken? Helemaal niet! Soms vat ik niet de sfeer die ik in een tekening wil hebben. Deze ontstond tijdens een recente wandeling in een natuurgebied. Overal waren ontluikende blaadjes, prille bloesems, katjes, alles bewoog in de wind, de bomen rondom ruisten en kraakten. Die indrukken kwamen helemaal niet in de tekening terecht, zoals ik graag had gewild. Het lettertype van de tekst vind ik te stijf, het had veel natuurlijker gekund. Maar dat hoort bij tekenen, en al helemaal bij snel en spontaan tekenen.

Wanneer je vaker tekent, leer je ook je beperkingen kennen. Ik krijg dieren zelden goed op papier en aan portretten durf ik me nauwelijks te wagen. Dat wil niet zeggen dat we ons moeten laten beperken. Misschien is het gewoon een kwestie van iets meer tijd nemen of een keer wat handboeken over tekentechniek bekijken.

Ik wens je zalige tekenervaringen!

 

taart in de stad

we delen een punt
met elke hap inhaliger
alsof we het bord bestelen

dan sla je om en wiebel je plots gul
de laatste zoete brok op je vork voor mijn mond
toehappen is tanden zetten in jou
we weten het allebei
je wiebelt
ik hap
je ogen reikhalzen
ik ren ze tegemoet

 

verlangen

 

wit is een sneeuwhaas in de sneeuw
en lakens in de oude linnenkast
het servies van de minimalist is wit
ook de overhemden van de man in de herinnering van de vrouw
wit zijn de gedachten van een eenvoudig mens
wit pingpongballen stilte rijst papier
de handen van een drenkeling zijn wit
uit wit zijn we gekomen
naar wit gaan we terug
wit zijn de seconden voor we uit een droom ontwaken
wit was je stem toen in het bos
en wit zijn lelies zwanen engelen
wit is dat wat gezegd is en vergeten
wit zijn ledematen in het gips
en laatste woorden zonder iemand bij het bed

Daar staat je gedicht

En dan sta je daar dus in, in het januarinummer van Poëziekrant, een literair tijdschrift. Of beter: daar staat je gedicht, en twee meneren – zelf ook dichters natuurlijk – hebben er zowaar een interpretatie bij geschreven. Het is vreemd en bijzonder en ook doodgewoon. Het is helemaal niet zoals vijf seconden op tv komen en twee zinnen zeggen, waarna nog weken later iemand tegen je zegt ‘ik heb jou op tv gezien’. Gedichten zijn onopvallend en bijna niemand leest ze. Vreemd genoeg krijg je wanneer je gedichten schrijft wel de indruk dat minstens de halve Vlaamse bevolking dat ook doet. Het lijkt wel alsof uit alle holen en kieren, uit spleten en konijnenpijpen plots de dichters tevoorschijn komen. Allemaal wapperend met hun laatste gedicht en ‘kijk mij! lees mij!’ smekend. Ik vind het soms wat benauwend gezelschap. Vraag mij soms af of ik nog wel iets zou schrijven. En doe dat toch altijd weer wel. Dus daar sta ik dan met mijn gedicht. En denk: ‘Waarom kiezen ze precies dit en niet dat andere?’.

Of ik me kan vinden in de interpretatie van de twee meneren? Een beetje hier en daar en ook een beetje helemaal niet. Ik voelde me minder rusteloos dan zij tussen de woorden lezen. Wat zij als ‘irrealis’ bestempelen is voor mij een staat van zijn waar heel af en toe aan kan geraakt worden. En hoe mooi dat dan is. Maar iedereen mag lezen wat-ie wil, natuurlijk. Met gedichten mag dat, moet het misschien zelfs. Dus ga je gang, lezer.