het is de kunst

 

in het licht van deze dag
blijken straten solide vergaarbakken
voor de menselijke soort

buitenwanden discreet opgesteld
lantaarnpalen kaarsrecht
strepen getrokken stoepjes gelegd

dat alles met het oog op nut
verbeelding prikkelen is voor frivolen
hier verkiest men degelijke materialen

binnenwands
draagt elk van ons een muisgrijs lichtje
ergens op een rechtgeaarde plek

spot en hemelwater glijden er vanaf en
ook met handen er omheen wil het niet aldoor branden
muisgrijs muisgrijs lichtje

het is de kunst om vast te houden
voor zover dat kan

Dagboekfragmenten december 2019

Dit is een experiment. Zoals dat gaat met experimenten kan het worden herhaald of niet. Als je deze blog al langer leest, weet je dat ik dagboeken schrijf. Dat het er intussen veel te veel zijn naar mijn gevoel. Dat ik ze probeer te minimaliseren. Intussen blijf ik ook schrijven. Wat zoiets is als je huis uitruimen en tegelijk dag na dag spullen blijven kopen. Vandaag heb ik alweer een schrift vol. Het is precies één maand meegegaan. En ja, ik wil het kwijt, het is nutteloos papier met nutteloze woorden geworden. Papier en woorden wegen in mijn hand en op mijn gemoed. Kunnen ze dan echt niemand meer van dienst zijn? Besluit: ik deel ze. Een beetje, geselecteerd. Flard, vers, gedachte, observatie. Zoals je de spullen die je het huis uit wil naar de kringloopwinkel brengt. Het is een gok, maar misschien is er iemand die er nog iets mee kan.

 

05/12/19

ik word wakker als een stenen roos
ergens luiden klokken in de staart van een droom
heb ik iets kostbaars verspeeld
dichtbij staan rillende paarden in een wei

07/12/19

ik blijf je zien
in elke vermeende kloon
elke gelijkende manifestatie in
supermarkt, bibliotheek of trein
die toch telkens niet jij blijkt te zijn

Alles is goed als ik weet dat ik niet de dirigent van storm of regen kan zijn. Ik kan een greppeltje graven, mij tegen de wind keren, maar veel meer niet.

De literaire avond (poëzievoorstelling) moet nog van mij af geboend, van mij af gehaald als een vel van de melk. Alsof te midden van velen zijn mij bedekt met iets wat dan weer moet worden verwijderd. Is dat voor anderen ook zo? Of heeft de man die tussen de krappe rijen stoelen herhaaldelijk met zijn knieën tegen mijn kont stoot, een gsm heeft die hij blijkbaar niet het zwijgen wil opleggen en zijn appreciatie herhaaldelijk het zaaltje in puft, grinnikt of roept helemaal nergens last van? Hoeft hij achteraf niet weer in zichzelf te acclimatiseren?

11/12/19

Wanneer ik mij klein en niet opgewassen voel gaat dat ook altijd samen met de overtuiging dat de anderen geen kleinheid hebben. Geen demonen. Dat zij wijs, volwassen, beheerst, alles-op-een-rij, aangepast, ‘in control’ zijn, kortom alles vrijelijk ter beschikking hebben wat ik dan zo hard mis.

12/12/19

‘Verzamelde gedichten’ van Hanny Michaelis. Moet ik eigenlijk morgen inleveren in de bib. Eén van de weinige boeken die ik liever achterover zou drukken en op één geliefkoosd plankje zetten. Zoals Tranströmer. Het zijn gedichten die ertoe doen. Ze hebben eenvoud en pertinentie, gaan rechtstreeks naar één of ander doelwit in mij dat graag wil worden geraakt. Ze zijn maar al te vaak een schot in mijn roos.

13/12/19

Vaak lijkt het onmogelijk om te schrijven. Of vind ik het bijna onrein om per se in mijn mentale staat te gaan roeren, er dingen uit te dreggen, afzonderlijke dingen, en ze op te prikken als vlinders. Ik wil het niet doen, maar besef dat ik het wel gedaan wil hebben.

16/12/19

Ik begrijp dat sommigen depressief worden van winter. Alles ligt er nat, verzopen, lichtloos bij. Het is niet heel koud, maar wel heel mat en vreugdeloos buiten. Je moet een sterker innerlijk vuur hebben, meer interne bronnen van potentieel goed voelen om winters in een klimaat als dit door te komen.

21/12/19

Regen voegt water toe aan de wereld.
Zo zijn tranen minder zichtbaar.

Ik verlang naar nieuwe woorden. Soms lijkt het alsof de woorden zo oud zijn dat er alleen maar oeroude, achterhaalde, lamme dingen mee kunnen worden beschreven.

stadsbibliotheek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

de sofa’s zijn er niet al te huiselijk
maar wel zacht genoeg
hij heeft een eenpersoons bemachtigd
en zit nu met de ogen dicht
slechts lichtjes onderuitgezakt
het moet niet lijken of hij slaapt

de beduimelde tassen die zijn bestaan omvatten
heeft hij wijselijk in een locker opgeborgen
de groeven haarklitten woekerende baard
kan hij nergens kwijt

het heeft er alle schijn van
dat hij niet voor de boeken komt
toch staat hij na een tijdje op en gaat dwalen
zijn geurvlag achter hem aan
hij benadert de rekken
zoals hij al lang geen vrouw meer heeft benaderd
hij probeert het nog een keer
zichzelf veroveren op onzichtbaarheid

het cordon van ruggen drijft hem achteruit
de schone vingers waar zij zich graag door laten beroeren
kan hij niet bieden
hij draait zich om en gaat op weg naar de meest verlaten plek
achterin bij de encyclopedieën
ten minste zal hij het warm hebben tot sluitingstijd

Het gedoe dat liefde heet (7): 25 jaar/zilver

Op 12 november 1994 ben ik getrouwd. Daar zit dus een verjaardag aan te komen, een grote. Nu zijn hij en ik samen geen feestvarkens die op de tafels gaan dansen of banketten voor 100 man inrichten. We plannen iets kleins, leuks, intiems. Laat ik maar beginnen met een gedicht te schrijven, dacht ik. Hier is het. Als je je afvraagt wat het serviesgoed erbij doet: dat kregen we als huwelijkscadeau van familie en het is er nog, net als wij.

 

in één

de sleutel herkent het slot
en ik je dagelijkse lijf
mijn handen van terugkeer kennen de wijdte van je vleugels
mijn neus van altijd de geur tussen je hemdkraag en je rechteroor

meest geliefde herhaling
kan ik je onderhand noemen
wanneer we weer eens tienduizend stappen zetten
langs het bietenveld de putten in de weg het kapelletje
vier ogen op een bewegende einder
heupen meedeinend met de horizon
zelfs onze woorden lopen naast elkaar
ook wanneer we zwijgen

het daagt ons wat we nu geworden zijn
twee dieren in één vel

 

 

Schrijf eens een ik-hou-van-je-gedicht

Ik volg een cursus. Een schrijfcursus. Hij heet simpelweg ‘De dichters’. We zijn met negen dichters en één begeleidende dichter. We lezen elkaars gedichten en bespreken ze. Geven plusjes en minnen aan zinnen. Schuiven met woorden en dichtregels en argumenteren wat waar hoe beter kan. Naar onze bescheiden mening. Er zijn ook opdrachten. Geheel vrijblijvend, want dichters zijn geen dwingelanden. Poëtische vrijheid, weet je wel. Eén van de huiswerkjes voor volgende keer: schrijf een niet-melig gedicht waarin je de woorden ‘ik hou van je’ gebruikt. Ik kan het iedereen aanraden. Hier is mijn poging. Misschien is ‘ik hou van je’ als titel gebruiken een klein beetje ‘foefelen’, maar niemand zei dat dat niet mocht.

 

ik hou van je

beminnelijk is niet haar merk
misschien trekt dat hem aan
een zekere onbuigzaamheid
in die plooirokjes en blouses van haar
hij speurt naar aanleidingen
om te zeggen dat
precies ja dat
of liever nog te fluisteren
wanneer zij haar bril afzet
haar boek weglegt
de lamp uitknipt
ze slaapt voor hij de woorden vindt

hij droomt ze dan maar tot de ochtend
tot de sterke koffie die ze delen
staande bij het keukeneiland
ze hebben zo hun momenten
bij het afscheid proeft hij adem
tandpasta haar kleine glimlach
waarna ze in de auto stapt vertrekt
achter het stuur kan je niet sms’en
dat weet hij wel
hij neemt de trein
achttien minuten bij het raampje
in een overvolle coupé volstaan ruim
hij drukt op verzenden
vier woorden
geen emoticon

 

 

Waarom ik op straat kom voor het klimaat

Als je in de loop van de laatste acht-negen maanden hebt meegelopen in één van de vele klimaatbetogingen kan je dit stukje gerust overslaan. Jou hoef ik niet meer te overtuigen. Geloof je dat het heus wel belangrijk zal zijn, maar betogen is niet echt jouw ding, eigenlijk heb je daar geen tijd voor, je bent de adolescentie lang voorbij en als al die echte activisten het doen, zal het ook wel goed zijn zeker … Lees dan vooral verder.

Waarom ik dus op straat kom voor het klimaat (en hoop dat jij hetzelfde gaat doen):

Omdat ik alle verschil maak. Ja, ik. Waar ik vroeger nog wel eens dacht dat mijn aan- of afwezigheid echt niks zou uitmaken in een massa, zie ik dat nu anders. Een massa kan er alleen maar zijn dankzij elk uniek individu, dus ook dankzij mij. Misschien ben ik wel net het kantelpunt, dat ene dominosteentje dat de hele rij doet omvallen.

Omdat het mij een gevoel van eigenwaarde geeft. Ik ben minder consumentenvee, minder eenheidsworst, minder anonieme belastingbetaler en meer mens.

Omdat ik achter de waarden van de klimaatbeweging sta. Telkens wanneer ik meestap valt het mij op dat – ook al is de verontwaardiging manifest – deze massa in wezen vriendelijk is, meedogend, inclusief en vreedzaam.

Omdat ik ervan overtuigd ben dat we op weg zijn naar een tijdperk waarin deze waarden dominanter zullen worden dan nu het geval is.

Omdat ik door mijn aanwezigheid en stem duidelijk wil maken dat ik niet akkoord ga met het soort leiderschap dat nog te invloedrijk is overal in de wereld. Het patriarchale, vrouwonvriendelijke, arrogante en egocentrische leiderschap à la Trump, Bolsonaro en consoorten. En ook het onverantwoordelijke, op verdeeldheid gebaseerde leiderschap van onze politici die Vlaanderen en België op een cruciaal moment in de geschiedenis maandenlang nagenoeg onbestuurd laten.

Omdat meestappen voor mij het verschil maakt tussen machteloosheid en kracht en ik mij liever krachtig dan machteloos voel.

Omdat ik deel wil zijn van dit verhaal. Als ik ooit kleinkinderen heb die me de vraag stellen: ‘Waar was jij toen, oma?’ wil ik kunnen zeggen ‘Ik was erbij en dat deed ik ook voor jullie.’

Omdat het mij telkens ontroert. Noem mij gerust een watje maar wanneer ik mij deel voel van die luidkeels protesterende massa pleeg ik steevast even vochtige oogjes te krijgen.

Omdat ik de leeftijd heb die ik heb. Nog geen grootouder, maar evenmin jong. Ik geloof in de kracht van de jeugd wanneer ik al die piepjonge enthousiaste deelnemers zie en ik vind het uiterst belangrijk dat ze genoeg oudere gezichten rond zich zien, kunnen voelen dat ze niet alleen zijn in hun strijd en bezorgdheid.

Omdat in het brandpunt van de huidige politieke en economische macht in onze samenlevingen een enorm vacuüm gaapt. Een ethisch vacuüm, een zwart gat waarin elk sprankje verantwoordelijkheid wordt opgezogen. Tot politiek en gezond leiderschap weer samengaan moet iemand voortdurend blijven wijzen op het gevaar van dat vacuüm. Dat is wat alle duizenden die de straat op gaan samen doen. Ook daarom stap ik mee.

En ja, natuurlijk om dat brandend woud, die bedreigde diersoorten, vergiftigde aarde, die vervuilde lucht, al dat leven dat niet voor zichzelf kan opkomen, dat lijkt me vanzelfsprekend.

Het gedoe dat liefde heet (6): van eekhoorns, beren en mieren

Ken je de dierenverhalen van Toon Tellegen? In kort bestek en een beetje poëtisch-filosoferend gaan ze over dieren die opvallend veel weg hebben van mensen, met al hun kleine en grote gevoelens en beslommeringen en al hun edele en minder fraaie karaktertrekjes. Het dierenverhaal hieronder is niet van Toon Tellegen. Ik schreef het vijftien jaar geleden in zijn stijl, toen zowel zijn verhalen als het thema belangrijk voor me waren. Vandaag vond ik de tekst terug, een bladzijde in een oud notitieboek met doorhalingen, tussenvoegsels en verbeteringen. Ik kon me niet herinneren dat ik dit ooit schreef en verbaasde me daarover. Het leek een beetje wonderlijk. Toen ik vanavond door mijn straat fietste, stak er opeens een meter of twee voor me een eekhoorn over. En ik woon dan wel landelijk, overstekende eekhoorns zijn hier nu ook weer niet zo frequent. Het was duidelijk: dat lang vergeten en teruggevonden tekstje wil per se de wereld in. Bij deze.

 

Op een avond zat de eekhoorn op de tak bij zijn huis. De lentelucht rook naar jong groen en voelde lauw en zacht aan.
‘Bijna even zacht als de pootjes van de mier’, dacht de eekhoorn plots. Hij sloot zijn ogen om beter aan de mier te kunnen denken. Toen hij zo een tijdje had gezeten klonk er een stem in zijn hoofd:
‘Dag eekhoorn.’
Het was de lieve stem van de beer. Zo waren ze daar allebei in het hoofd van de eekhoorn: de beer en de mier. Het was moeilijk om alleen aan de beer te denken. En even moeilijk was het om alleen aan de mier te denken. Ze waren er allebei tegelijk.
‘Heb ik beer minder graag omdat ik mier zo graag heb?’ dacht eekhoorn.
‘En is mier mij minder lief omdat ik beer zo graag heb?’
Hij wist dat het niet zo was, dat dat iets vanbinnen voor mier en beer niet zo was als beukenotenmoes, die altijd altijd opraakte, hoe zuinig hij er ook op was.
‘Nee, dacht hij, ik geef net meer om beer omdat mier mier is, en ik geef meer om mier omdat beer beer is.’
Eerst dacht hij dat daar iets helemaal mis mee was, maar dat dacht hij niet al te lang. De zon ging langzaam onder en het werd wat killer op de tak, maar de eekhoorn bleef zitten waar hij zat.
‘Kan ik de beer vertellen dat ik laatst met de mier heb gewandeld en we toen bleven staan onder een boom vol vogeltjes?’ vroeg de eekhoorn zich af.
‘En kan ik de mier vertellen over die avond toen ik met de beer een potje honing at en dat wel de lekkerste honing van de hele wereld leek?’
De eekhoorn wist dat hij dat niet kon. Even voelde hij zich vreemd alleen.
‘Betekent dat dan dat ik nooit helemaal samen zal zijn met de beer? En dat ik nooit nooit alles zal delen met de mier?’ vroeg hij zich af.
Dat was een droeve gedachte. Maar toen wist hij dat hij nog nooit met wat voor dier dan ook helemaal samen was geweest en ook nooit nooit alles had gedeeld en het misschien ook nooit zou doen. De eekhoorn voelde zich plots heel moe. Wat had hij veel gedacht vanavond. Hij ging zijn huisje in en rolde zich op in zijn staart.
‘Straks, als het helemaal donker is, komt de beer’, dacht hij.
‘En morgen, morgen zie ik de mier.’
Hij sliep heel licht en zonder dromen die nacht.