Het gedoe dat liefde heet (7): 25 jaar/zilver

Op 12 november 1994 ben ik getrouwd. Daar zit dus een verjaardag aan te komen, een grote. Nu zijn hij en ik samen geen feestvarkens die op de tafels gaan dansen of banketten voor 100 man inrichten. We plannen iets kleins, leuks, intiems. Laat ik maar beginnen met een gedicht te schrijven, dacht ik. Hier is het. Als je je afvraagt wat het serviesgoed erbij doet: dat kregen we als huwelijkscadeau van familie en het is er nog, net als wij.

 

in één

de sleutel herkent het slot
en ik je dagelijkse lijf
mijn handen van terugkeer kennen de wijdte van je vleugels
mijn neus van altijd de geur tussen je hemdkraag en je rechteroor

meest geliefde herhaling
kan ik je onderhand noemen
wanneer we weer eens tienduizend stappen zetten
langs het bietenveld de putten in de weg het kapelletje
vier ogen op een bewegende einder
heupen meedeinend met de horizon
zelfs onze woorden lopen naast elkaar
ook wanneer we zwijgen

het daagt ons wat we nu geworden zijn
twee dieren in één vel

 

 

Schrijf eens een ik-hou-van-je-gedicht

Ik volg een cursus. Een schrijfcursus. Hij heet simpelweg ‘De dichters’. We zijn met negen dichters en één begeleidende dichter. We lezen elkaars gedichten en bespreken ze. Geven plusjes en minnen aan zinnen. Schuiven met woorden en dichtregels en argumenteren wat waar hoe beter kan. Naar onze bescheiden mening. Er zijn ook opdrachten. Geheel vrijblijvend, want dichters zijn geen dwingelanden. Poëtische vrijheid, weet je wel. Eén van de huiswerkjes voor volgende keer: schrijf een niet-melig gedicht waarin je de woorden ‘ik hou van je’ gebruikt. Ik kan het iedereen aanraden. Hier is mijn poging. Misschien is ‘ik hou van je’ als titel gebruiken een klein beetje ‘foefelen’, maar niemand zei dat dat niet mocht.

 

ik hou van je

beminnelijk is niet haar merk
misschien trekt dat hem aan
een zekere onbuigzaamheid
in die plooirokjes en blouses van haar
hij speurt naar aanleidingen
om te zeggen dat
precies ja dat
of liever nog te fluisteren
wanneer zij haar bril afzet
haar boek weglegt
de lamp uitknipt
ze slaapt voor hij de woorden vindt

hij droomt ze dan maar tot de ochtend
tot de sterke koffie die ze delen
staande bij het keukeneiland
ze hebben zo hun momenten
bij het afscheid proeft hij adem
tandpasta haar kleine glimlach
waarna ze in de auto stapt vertrekt
achter het stuur kan je niet sms’en
dat weet hij wel
hij neemt de trein
achttien minuten bij het raampje
in een overvolle coupé volstaan ruim
hij drukt op verzenden
vier woorden
geen emoticon

 

 

Waarom ik op straat kom voor het klimaat

Als je in de loop van de laatste acht-negen maanden hebt meegelopen in één van de vele klimaatbetogingen kan je dit stukje gerust overslaan. Jou hoef ik niet meer te overtuigen. Geloof je dat het heus wel belangrijk zal zijn, maar betogen is niet echt jouw ding, eigenlijk heb je daar geen tijd voor, je bent de adolescentie lang voorbij en als al die echte activisten het doen, zal het ook wel goed zijn zeker … Lees dan vooral verder.

Waarom ik dus op straat kom voor het klimaat (en hoop dat jij hetzelfde gaat doen):

Omdat ik alle verschil maak. Ja, ik. Waar ik vroeger nog wel eens dacht dat mijn aan- of afwezigheid echt niks zou uitmaken in een massa, zie ik dat nu anders. Een massa kan er alleen maar zijn dankzij elk uniek individu, dus ook dankzij mij. Misschien ben ik wel net het kantelpunt, dat ene dominosteentje dat de hele rij doet omvallen.

Omdat het mij een gevoel van eigenwaarde geeft. Ik ben minder consumentenvee, minder eenheidsworst, minder anonieme belastingbetaler en meer mens.

Omdat ik achter de waarden van de klimaatbeweging sta. Telkens wanneer ik meestap valt het mij op dat – ook al is de verontwaardiging manifest – deze massa in wezen vriendelijk is, meedogend, inclusief en vreedzaam.

Omdat ik ervan overtuigd ben dat we op weg zijn naar een tijdperk waarin deze waarden dominanter zullen worden dan nu het geval is.

Omdat ik door mijn aanwezigheid en stem duidelijk wil maken dat ik niet akkoord ga met het soort leiderschap dat nog te invloedrijk is overal in de wereld. Het patriarchale, vrouwonvriendelijke, arrogante en egocentrische leiderschap à la Trump, Bolsonaro en consoorten. En ook het onverantwoordelijke, op verdeeldheid gebaseerde leiderschap van onze politici die Vlaanderen en België op een cruciaal moment in de geschiedenis maandenlang nagenoeg onbestuurd laten.

Omdat meestappen voor mij het verschil maakt tussen machteloosheid en kracht en ik mij liever krachtig dan machteloos voel.

Omdat ik deel wil zijn van dit verhaal. Als ik ooit kleinkinderen heb die me de vraag stellen: ‘Waar was jij toen, oma?’ wil ik kunnen zeggen ‘Ik was erbij en dat deed ik ook voor jullie.’

Omdat het mij telkens ontroert. Noem mij gerust een watje maar wanneer ik mij deel voel van die luidkeels protesterende massa pleeg ik steevast even vochtige oogjes te krijgen.

Omdat ik de leeftijd heb die ik heb. Nog geen grootouder, maar evenmin jong. Ik geloof in de kracht van de jeugd wanneer ik al die piepjonge enthousiaste deelnemers zie en ik vind het uiterst belangrijk dat ze genoeg oudere gezichten rond zich zien, kunnen voelen dat ze niet alleen zijn in hun strijd en bezorgdheid.

Omdat in het brandpunt van de huidige politieke en economische macht in onze samenlevingen een enorm vacuüm gaapt. Een ethisch vacuüm, een zwart gat waarin elk sprankje verantwoordelijkheid wordt opgezogen. Tot politiek en gezond leiderschap weer samengaan moet iemand voortdurend blijven wijzen op het gevaar van dat vacuüm. Dat is wat alle duizenden die de straat op gaan samen doen. Ook daarom stap ik mee.

En ja, natuurlijk om dat brandend woud, die bedreigde diersoorten, vergiftigde aarde, die vervuilde lucht, al dat leven dat niet voor zichzelf kan opkomen, dat lijkt me vanzelfsprekend.

Het gedoe dat liefde heet (6): van eekhoorns, beren en mieren

Ken je de dierenverhalen van Toon Tellegen? In kort bestek en een beetje poëtisch-filosoferend gaan ze over dieren die opvallend veel weg hebben van mensen, met al hun kleine en grote gevoelens en beslommeringen en al hun edele en minder fraaie karaktertrekjes. Het dierenverhaal hieronder is niet van Toon Tellegen. Ik schreef het vijftien jaar geleden in zijn stijl, toen zowel zijn verhalen als het thema belangrijk voor me waren. Vandaag vond ik de tekst terug, een bladzijde in een oud notitieboek met doorhalingen, tussenvoegsels en verbeteringen. Ik kon me niet herinneren dat ik dit ooit schreef en verbaasde me daarover. Het leek een beetje wonderlijk. Toen ik vanavond door mijn straat fietste, stak er opeens een meter of twee voor me een eekhoorn over. En ik woon dan wel landelijk, overstekende eekhoorns zijn hier nu ook weer niet zo frequent. Het was duidelijk: dat lang vergeten en teruggevonden tekstje wil per se de wereld in. Bij deze.

 

Op een avond zat de eekhoorn op de tak bij zijn huis. De lentelucht rook naar jong groen en voelde lauw en zacht aan.
‘Bijna even zacht als de pootjes van de mier’, dacht de eekhoorn plots. Hij sloot zijn ogen om beter aan de mier te kunnen denken. Toen hij zo een tijdje had gezeten klonk er een stem in zijn hoofd:
‘Dag eekhoorn.’
Het was de lieve stem van de beer. Zo waren ze daar allebei in het hoofd van de eekhoorn: de beer en de mier. Het was moeilijk om alleen aan de beer te denken. En even moeilijk was het om alleen aan de mier te denken. Ze waren er allebei tegelijk.
‘Heb ik beer minder graag omdat ik mier zo graag heb?’ dacht eekhoorn.
‘En is mier mij minder lief omdat ik beer zo graag heb?’
Hij wist dat het niet zo was, dat dat iets vanbinnen voor mier en beer niet zo was als beukenotenmoes, die altijd altijd opraakte, hoe zuinig hij er ook op was.
‘Nee, dacht hij, ik geef net meer om beer omdat mier mier is, en ik geef meer om mier omdat beer beer is.’
Eerst dacht hij dat daar iets helemaal mis mee was, maar dat dacht hij niet al te lang. De zon ging langzaam onder en het werd wat killer op de tak, maar de eekhoorn bleef zitten waar hij zat.
‘Kan ik de beer vertellen dat ik laatst met de mier heb gewandeld en we toen bleven staan onder een boom vol vogeltjes?’ vroeg de eekhoorn zich af.
‘En kan ik de mier vertellen over die avond toen ik met de beer een potje honing at en dat wel de lekkerste honing van de hele wereld leek?’
De eekhoorn wist dat hij dat niet kon. Even voelde hij zich vreemd alleen.
‘Betekent dat dan dat ik nooit helemaal samen zal zijn met de beer? En dat ik nooit nooit alles zal delen met de mier?’ vroeg hij zich af.
Dat was een droeve gedachte. Maar toen wist hij dat hij nog nooit met wat voor dier dan ook helemaal samen was geweest en ook nooit nooit alles had gedeeld en het misschien ook nooit zou doen. De eekhoorn voelde zich plots heel moe. Wat had hij veel gedacht vanavond. Hij ging zijn huisje in en rolde zich op in zijn staart.
‘Straks, als het helemaal donker is, komt de beer’, dacht hij.
‘En morgen, morgen zie ik de mier.’
Hij sliep heel licht en zonder dromen die nacht.

Vrouwen maken ook wel eens wat

 

Vrouwen maken ook wel eens wat, behalve kinderen, appeltaarten en wollen sjaals. Niks mis met kinderen, appeltaarten en wollen sjaals natuurlijk! Wat ik bedoel: vrouwen maken ook schilderijen, foto’s, beeldhouwwerken, installaties … Als je in het gemiddelde museum rondloopt, is daar weinig van te merken. Ik vraag het me soms af: hoe groot het aantal werken van vrouwelijke kunstenaars is. Ik gok dat het in een doorsnee museum niet boven de 10% komt. En ja, daar zit een historische logica in. Nog maar een eeuw of zelfs een halve eeuw geleden hadden vrouwen veel minder ruimte, tijd en kansen om zich met kunst bezig te houden. Heel wat vrouwelijke kunstenaars hadden bovendien een partner die ook kunstenaar was en in wiens schaduw ze bleven hangen of voor wiens kunst ze de hunne opgaven.

Ik let er sinds een tijdje meer op wanneer ik musea bezoek. De vrouwen vallen me meer op dan vroeger. Een constante: vrouwen schilderen vrouwen. Hieronder een lukraak mini-museum van werken die ik de afgelopen jaren zag in Nancy, Metz, Kopenhagen, Stockholm, Wenen en Budapest. Een kleine hulde aan alle vrouwelijke kunstenaars die ondanks alle obstakels toch hun kunst bleven en blijven maken.

 

Françoise Pétrovich (°1964) – Féminin/masculin (2007)

Laura Leroux-Revault (1872-1936) – Anne et Jehanne (1894)

Suzanne Valadon (1865-1938) – Femme aux bas blancs (1924)

Mijn dochters in een installatie van Yayoi Kusama (°1929) – Piéce avec une infinité de miroirs et de lucioles sur l’eau (2000)

IMG_8310

Franciska Clausen (1899-1986) – Circles and Verticals (1930)

IMG_8318

Astrid Holm (1876-1937) – Rose laying the table (1914)

IMG_8416

Hilma af Klint (1862-1944) – Serie VI # a-c (1920)

IMG_8449

Hanne Mago Wiklund – Things that are not and things without names (2018)

IMG_8527

Linda McCartney (1941-1998)

IMG_8529

Evelyn Bencicova (°1992)

IMG_8598

Helene Schjerfbeck (1862-1946) – Girl with Beret (1935)

 

IMG_8682

Tyra Kleen (1874-1951) – Forbidden Fruit (1915)

Czimra Gyula (1901-1966) – Still Life in the Kitchen (1962) / Interior with a Vase (1961) / The Artist’s Room (1957) / Still Life with Candle (1959)

Natalia Gontsjarova (1881-1962) – The peacock (1912)

Kill your darlings

Meer dan een jaar geleden vroeg ik mij af wat te doen met 59 dagboeken. Ik bedacht strategieën … en voerde maandenlang niet één ervan uit. De dagboeken verhuisden, dat wel. In plaats van ze in een vergeethoek in een kartonnen doos te laten zitten, stapelde ik ze netjes op onderin mijn kleerkast. Ik dacht: als ze in het zicht blijven, kom ik er op een dag wel achter wat ik ermee moet. En in het zicht blijven deden ze. Elke keer als ik een blouse of vestje wilde pakken, lagen ze daar. Netjes, maar ook aanstootgevend. Ik kon ze niet in één keer wegdoen, dat voelde alsof ik mijn verleden in een vuilnisbak zou staan proppen. Maar ze gunden mij ook geen rust, ze gedroegen zich als een te zware maaltijd in een overgevoelige maag.

Het antwoord op de kwellende vraag kwam niet onder de vorm van een aha-erlebnis. Plotse flitsen van inzicht bleven achterwege. Het gebeurde doodgewoon in de praktijk: ik weigerde om het getal van mijn verzamelde dagboeken boven de 59 te laten stijgen. Mijn hele zelf verzette zich ertegen dat de stapels in de kleerkast verder zouden gaan groeien. Het was genoeg. Het vooruitzicht om ooit een bejaard dametje met 135 dagboeken te zijn was ‘too much’.

Stoppen met schrijven dan maar? Nee, natuurlijk niet. Schrijven is zijn, is leven, bestaan. De nieuwe strategie is: met regelmaat dagboeken minimaliseren. Dat gaat in 3 stappen:

  1. Het dagboek helemaal herlezen en daarbij de bladzijden waar ik wat van wil bijhouden een ezelsoortje bezorgen.
  2. De passages op de ezeloortjes-bladzijden overtypen in een document of fotograferen als ze lang zijn.
  3. Al de rest behandelen als oud papier.

Ik geef toe, het vergt tijd. Soms is het meer dan bevreemdend om via het geschrevene als met een teletijdmachine teruggeflitst te worden naar de sfeer, gevoelens, contacten, repetitieve gedachten van vele jaren geleden. En confronterend: bij herlezing is er weinig wat ik wil bijhouden. Dagboeken zijn vaak vergaarbakken van gezeur, geneuzel en donkerte. Een half jaar later maakt het meeste wat je een half jaar eerder hebt gedacht niet zo veel meer uit, daar moeten we niet flauw over doen. Maar dagboeken zijn niet alleen maar de spuwbak des levens. Ze zijn ook – eerder zelden maar zo gaat dat nu eenmaal – de schelp waarin het pareltje groeit. Een gedachte, een inzicht, een observatie waarvan bij herlezing mijn hart zich opent, woorden waarvan ik weet dat ze mij telkens opnieuw een goed gevoel kunnen geven. Het zou contraproductief zijn die weg te gooien.

Intussen heb ik zo een tiental dagboeken geminimaliseerd. Het voelt telkens intens om een heel pak papier dat ik zelf heb volgeschreven te vernietigen. In de wintermaanden stopte ik ze in de kachel. Het had iets gepast dramatisch om de bladzijden te zien blakeren, omkrullen en dan plots oplaaien in de vlammen. Anders dan om ze nuchter tussen platgevouwen karton en oude kranten in de papierbak te stoppen.

De toren onderin de kleerkast is intussen niet verdwenen, maar ik werk eraan. Eigenlijk is het een voorrecht als je de kans krijgt om je verschaalde liefdesverdriet, roestige zelfkwelling en oudbakken zwartgalligheid zo tastbaar op een hoop te vegen en de deur uit te werken. En helemaal heerlijk om dat lichte bestandje vol met de mooiste, helderste stukjes verleden te zien groeien. Ik heb er vertrouwen in: meer dan 59 volle dagboeken worden het nooit meer. Op termijn wordt dit een nuloperatie.

Wild!

Ik woon op een plek waar nauwelijks bossen zijn. Toch is het er ook helemaal niet stedelijk. Het is één van die plekken in Vlaanderen waar landbouw – monoculturen die zich uitstrekken tot aan de hemelsbrede horizon – een oppervlakkig gevoel van landelijkheid geeft. Het is ‘de buiten’, maar ongerept kan je het allerminst noemen. Ik pendel met de trein naar steden en kom weer terug. Zowat elke dag fiets ik in veelvoud de drie kilometer die mijn huis scheiden van station, bakker, supermarkt, krantenwinkel.

Tevoren woonde ik aan de rand van een bos, wat ik erg mis. Ik ging er weg door omstandigheden zoals die in elk leven opdagen. Ik heb me vaak afgevraagd of ik de verkeerde keuze heb gemaakt door ergens te gaan wonen waar bossen zo opvallend ontbreken. Of ik niet opnieuw moet verhuizen, liefst naar ergens waar ongereptheid nog veel aanweziger is. Naar Schotland of Ierland bijvoorbeeld. Of gewoon rondtrekken. Telkens wat anders. Misschien doe ik dat ooit, maar sinds kort heb ik besloten om vrede te sluiten met mijn huidige woonplek.

Onder andere omdat ik behoefte heb aan een antidotum tegen de negatieve ideeën die in tijden van klimaatcrisis heersen over de natuur rond ons.
Hier is geen echte natuur meer’.
Alles is al kapotgemaakt.’
Weer een nieuwe verbindingsweg, waar houdt het op?’.
Er bestaan geen stille plekken meer. Overal hoor je autogeraas op de achtergrond.’
Van de beloofde 10.000 hectare nieuw bos is niks in huis gekomen.’

Ik zal niet beweren dat er geen enkele waarheid in die uitspraken zit. Wel betreur ik de overtuiging dat wilde natuur zich alleen nog ver weg bevindt – in de bossen in Noord- en Oost-Europa, in de Nationale Parken van de VS, in het Amazonewoud … Ik betreur dat deze plekken opzoeken zowat de enige manier lijkt om ons te herbronnen. Ik betreur de melancholie die daarrond hangt, het stille idee dat we iets fundamenteels kwijt zijn, dat rond ons alleen maar teloorgang en verlies te bespeuren vallen. Ik betreur dat we de indruk hebben verre reizen te moeten maken of minstens naar een natuurreservaat of de Ardennen te moeten om het verlorene terug te vinden.

Dit is een pleidooi om veel meer te zijn waar we zijn. Onze leefomgeving te accepteren en zelfs te omhelzen. De bomen langs de snelwegrand die niemand ooit bewondert zijn niet minder wild dan die in een oerbos, al zijn ze daar met veel meer. Het beekje dat door een weiland stroomt heeft dezelfde wilde waterkwaliteiten als de Niagara Falls, als je tenminste wil kijken. Het vergt een mildere, minder hongerige en veeleisende blik, maar alles is er al, rond ons. Ook in de stad. Alleen al het eenvoudige effect van buitenlucht wanneer je je wat down voelt. De tuindeur, balkondeur, het raam open, je ogen sluiten en bewust de frisse, lauwe, ijskoude, lekker warme of zondoorstoofde buitenlucht inademen. Die simpele verhouding tot buiten en natuur terugvinden kan een enorme bron van herverbinding zijn. Met onszelf, met de antwoorden in ons, met oprechte verlangens en dromen. Met onze creativiteit ook. Ik weet zeker dat wie creatief – en daarmee bedoel ik niet artistiek, wel scheppend – in het leven wil staan de eigen relatie met natuur moet cultiveren. Niet door één keer per maand in de auto te stappen om ergens een lange boswandeling te maken. Wel door elk moment waarop het kan aan te grijpen om de natuurlijke plekken vlakbij op te zoeken. Dat is iets wat ik veel meer en veel bewuster voor mezelf wil doen. Waarop ik hoop dat mijn verhaal jou aansteekt. Zodat we sterker worden om op te komen voor alles wat we anders willen. Zonder de kwaliteiten van wat we allemaal hebben uit het oog te verliezen.