Spring naar inhoud

sandra roobaert

    • Blog
    • Boek mij!
    • De inventaris van wat blijft
    • Dichter&Dichter
    • Over mij
    • SchrijfTijdlijn
    • Welkom!
  • Bella Italia 2026: Cività di Bagnoregio (dag 14)

    Bagnoregio, volgens de gastvrouw van mijn b&b moet ik erheen. Het stond sowieso al op mijn wenslijstje, dit bijzonder fotogenieke dorpje. Er gaan geen treinen, het moet met de interstedelijke bus. Wat ze hier ‘il pullman’ noemen. Vertrek ergens aan de stadsrand, een terminal waar wel twintig bussen staan. Ik vind het altijd veel gecompliceercer dan de trein, maar deze keer gaat het vlotjes.

    Ik ben bijna de hele rit van 40 minuten de enige passagier, terwijl ik een bus vol toeristen verwachtte. Bagnoregio ziet er een gewoon Italiaans stadje uit, naar deelgemeente Cività is het anderhalve kilometer stappen. Naarmate ik dichter kom, verhoogt het percentage opzichtige Aziaten in het straatbeeld.

    En daar ligt het dan. Het staat op de lijst van ‘mooiste dorpen van Italië’, je kan er alleen heen via een 300 meter lange voetgangersbrug en het wordt ‘het dorp dat sterft’ genoemd. Niet omdat het leegloopt, wel omdat het op een smal, eroderend plateau van tufsteen staat. Spectaculair is het wel, met die deels beboste, deels rotsige vallei errond.

    Het is er druk en ook al is alles er authentiek geeft het door het massatoerisme een Bokrijk-gevoel, of een Brugge-gevoel. Als er nog lokaal leven is buiten de vele horecazaken kan je dat niet echt merken. Dit soort plekken zijn mooi, maar doordat we hier met zovelen zijn, wordt toch de ziel ervan een beetje doodgeknepen. Ik doe m’n best om foto’s zonder al te veel mensen te maken. En bedenk dat het in de zomermaanden waarschijnlijk veel voller is.

    In de bus terug dommel ik in. Met een wazig hoofd stap ik uit in Viterbo. Ik ben aan rust toe en ga naar de b&b. Waar ik vaststel dat mijn telefoon niet in mijn tas zit. Meteen de 2 km terug stappen naar de busterminal. Stressgedachten over foto’s en contacten kwijt zijn, mijn interrailpas die erop staat.

    Het loket blijkt dicht, een onverwacht scenario. Iets verderop in het gebouw staat een deur open, waar een tiental personeelsleden van de busmaatschappij een geanimeerd gesprek voeren. Zou ik? Hm, keel schrapen, met een klein stemmetje ‘Scusa’. Ik verwacht dat ze me onvriendelijk gaan afpoeieren met morgen terugkomen, of online verlies melden. Maar het gaat heel anders. Het volledige gezelschap gaat in hulpmodus: wie reed die rit, waar bevindt de bus zich nu, telefoontje hier en daar. Ze sporen op welke collega, de bus is intussen naar Acquapendente. Wat is mijn nummer? Van de zenuwen vergeet ik twee cijfers, maar daarna krijg ik mijn hoofd weer op orde. Een vrouw belt mijn nummer, ik hoor mezelf op de voicemail. Even later blijkt de buschauffeur mijn telefoon gevonden te hebben. Hij keert vandaag niet meer terug naar Viterbo, maar morgen kan ik de telefoon aan het loket ophalen. Grazie mille, lieve mensen.

    Ik stap opgelucht terug naar het centrum, onder de indruk van de behulpzaamheid en de snelle actie van het personeel. Er kwam geen formulier, identiteitskaart of online registratie aan te pas. Gewoon menselijke efficiëntie en vriendelijkheid. De Italianen hebben bij mij flink gescoord vandaag.

    • Bella Italia 2026: Cività di Bagnoregio (dag 14)
    • Bella Italia 2026: van Viterbo naar Vetralla (dag 13)
    • Bella Italia 2026: van Montefiascone naar Viterbo (dag 12)
    • Bella Italia 2026: van Bolsena naar Montefiascone (dag 11)
    • Bella Italia 2026: van Acquapendente naar Bolsena (dag 10)
    29 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van Viterbo naar Vetralla (dag 13)

    Sommige dagen draaien rond, andere hebben uitsteeksels. Dit lijkt er één van de laatste soort. Ik vind wat moeizaam de start van de route en wanneer ik goed en wel het bos in ben staat er plots een verbodsbord en is er rood-wit lint over het bospad gespannen. Geen doorgang, er worden bomen gekapt. Ik kijk in de app of er een alternatief is. Een grote omweg en een flink stuk autobaan vind ik geen optie. Ik hoor geen zware machines of kettingzagen en loop door. Het is windstil, behalve geritsel van hagedissen niks te horen.

    Met of zonder houtkap, ik ben onrustig en probeer mezelf herhaaldelijk terug te halen in het moment met mijn mantra ‘Open voor wat is’. Aan een waterpunt giet ik mijn drinkbus leeg om ze met fris water te vullen, maar er komt geen druppel uit de kraan. Zonder water verder. Open voor wat is.

    Net voor het centrum van San Martino al Cimino, de enige bewoonde wereld op deze tocht van 21 km, loop ik twee mannen tegemoet. De oudste, een zeventiger, spreekt me direct met een grote glimlach aan. Hij behoort tot de soort Italianen die denken dat iedereen hun taal begrijpt en die zelfs niet even checken of dat wel het geval is. Waar kom je vandaan? Bij de vermelding België trekt hij een blik De Bruynes en Lukaku’s open (de tijd dat Eddy Merckx op de proppen kwam is voorbij). Hoe heet je? Wat doe je in het leven? Wanneer ik zeg dat ik schrijf, begint hij een gedicht te declameren dat hij schreef tijdens zijn verlovingstijd. En nu moet ik ook een gedicht voordragen. Ik zal toch eens iets uit m’n hoofd moeten leren voor zulke momenten (desnoods het krinklende winklende waterding met ’t zwarte kabotseken aan).

    De ondervraging gaat door. Hoe oud ben je? Je ziet er goed uit, je bent een mooie vrouw. Waarom ben je alleen? Je moet niet alleen door de bossen gaan, dat is gevaarlijk, er zijn criminelen, maniakken. Zal ik hem (wijst op zijn compagnon, een vijftiger) met je mee sturen? Op mijn vraag of die dan niet gevaarlijk is, grijnst hij en zegt iets wat ik niet helemaal begrijp, maar ‘ti fa l’amore’ versta ik wel. Ik lach er maar om. Ga je naar Rome? Zal ik je met de auto naar Rome brengen? Nee, ik ga naar Vetralla. Zal ik je dan naar Vetralla brengen? Nee, ik stap de Francigena, ik ga te voet. Don Giovanni heeft door dat er met deze Belgische verder niks te beleven valt en neemt afscheid.

    Mijn stemming, die toch al wat gejaagd was, verbetert er niet op. Ik wil de ontmoeting van me af schudden, maar dat lukt niet goed, er blijft een onaangename nasmaak hangen. Wanneer ik door het volgende bos loop, denk ik spontaan aan maniakken. Veel dank, heren. Zucht. Open voor wat is (maar toch niet voor maniakken.) Het bos blijft er even onverstoorbaar vriendelijk bij liggen.

    Ik besef dat ik aan de laatste km van mijn achtdaagse tocht bezig ben. Aankomst in Vetralla, anticlimax: het blijkt een oninspirerende plek die op zondag zo dood is als een opgezette beer. Op naar het station. Ik had het niet gecheckt, maar het blijkt bijna 4 km buiten het centrum te liggen. Ik zal nog een klein uur moeten stappen om daar te komen en dan net een trein missen. De volgende rit is pas 2 uur later. Open voor wat is?

    En dan keert het wonderbaarlijk in een kwartiertje. Ik vraag een man of dat station echt zo ver ligt / hij zegt dat ik kan proberen de bus te nemen, wijst de weg / ik vind de supermarkt, de onderdoorgang, de drukke weg, de bushalte / ik besef dat ik aan de andere kant van de weg moet zijn / er stopt net een bus daar / ik steek zo snel mogelijk over / de auto achter de bus toetert / de deuren van de bus gaan weer open / ik ren en stap in / ja, dit is richting station / laat maar zo dat kaartje, het is maar enkele minuten / een oudere dame zegt welke straat in te slaan vanaf de drukke weg / daar is het station / twee sporen, geen ticketautomaat / Italiaanse trein-app installeren / kaartje kopen.

    Als bij wonder is er nog tijd om een kwartier te staan bakken op het schaduwloze perron. De trein is stipt, 12 minuten later sta ik in Viterbo. Einde Francigena (voorlopig).

    • Bella Italia 2026: Cività di Bagnoregio (dag 14)
    • Bella Italia 2026: van Viterbo naar Vetralla (dag 13)
    • Bella Italia 2026: van Montefiascone naar Viterbo (dag 12)
    • Bella Italia 2026: van Bolsena naar Montefiascone (dag 11)
    • Bella Italia 2026: van Acquapendente naar Bolsena (dag 10)
    29 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van Montefiascone naar Viterbo (dag 12)

    Elke dag is er weer die beslissing: wanneer vertrekken. Ik weet dat er stappers zijn die klokvast om 8 uur klaar staan om aan de dagtocht te beginnen, en ik heb een vaag gevoel dat dat ‘beter’ is, maar ik probeer meer toe te geven aan wat natuurlijk en spontaan aanvoelt. Alsof mijn lichaam en de dag er samen wel zullen uitkomen, eerder dan dat mijn hoofd en de klok het dicteren.

    Rond 9 ben ik uitgecheckt. De Francigena loopt altijd door het centrum van een stad, dus kom ik opnieuw voorbij de plekken die ik gisteren al zag. Nog even opnieuw naar de crypte van de heilige Lucia. En hogerop door het park rond de Rocca dei Papi, het fort dat paus Innocentius III eind 12e eeuw optrok. Het zicht op het meer van Bolsena is hier spectaculair.

    En dan gaat de tocht weer verder, zoals gisteren een matige afstand, 17 km. Door rustig terrein, voornamelijk veld en bos. Een deel van de route van vandaag loopt langs de Antica Via Cassia, een oude Romeinse weg die Rome met Siena en Firenze verbond. Op sommige stukken is een groot deel van de stenen verdwenen, op andere kan je zo de voertuigen en soldaten erbij fantaseren die hier langs kwamen.

    Voorbij de helft van de route kom ik veel stappers tegen, ondermeer een Nederlands koppel dat ik nog niet ontmoet heb. Ik loop samen met de Nederlandse vrouw terwijl de anderen er stevig de pas inzetten richting Viterbo en al snel uitlopen. De vrouw vertelt dat ze al jaren de GR5 volgen, eerst van Maastricht tot Nice, en dat ze later in Pontarlier overgestapt zijn op de Francigena. Niemand ‘doet het zoals zij’. Ze hebben namelijk hun auto bij en parkeren die telkens ergens, waarna ze met openbaar vervoer naar een startpunt gaan en naar hun auto terugstappen. Waarom wordt me niet duidelijk. Je hebt ze in alle maten en soorten, de pelgrims.

    De Nederlanders nemen een eetpauze en blijven achter, de rest van het groepje loopt verder. Ik ervaar het tempo als gejaagd, iemand heeft het over ‘stappen om er te zijn’. De wandelstokken tikken driftig, ik ben de enige die zonder loopt. Ik besluit me niet te laten meetrekken in een tempo dat ik onaangenaam vind en laat los, wat meteen rust geeft. In mijn eentje bereik ik de Porta Fiorentina. In tegenstelling tot de bestemmingen van de vorige stapdagen is Viterbo een heuse stad.

    Na inchecken heb ik nog tijd om op verkenning te gaan. Ik weet dat er iets met pausen is in deze stad, maar verder heb ik er geen beelden bij. Waardoor ik plots verrast word door het indrukwekkende complex van Duomo, Palazzo dei Papi en het bijhorende museum. Gedurende een paar decennia van de 13e eeuw verbleven de pausen in Viterbo omdat Rome te onrustig was. De periode ging niet onopgemerkt voorbij. Het langste conclaaf voor de verkiezing van een nieuwe paus vond plaats in Viterbo en duurde meer dan drie jaar. De bevolking kreeg er schoon genoeg van om al die tijd een hoop kardinalen te onderhouden. Ze werden op de duur opgesloten en op water en brood gezet tot ze eruit kwamen. Er werd zelfs een deel van het dak van de raadzaal verwijderd om ze tot spoed aan te manen.

    Na dagenlang stappen is het verfrissend om weer stadsleven en cultuur op te snuiven. Viterbo is levendig, maar niet hyperdruk. Ik hoor voornamelijk Italiaans op straat, het buitenlands toerisme lijkt hier niet zo sterk doorgedrongen. Tegen de avond gonst een deel van de middeleeuwse wijk San Pellegrino. Ik eet in een door de gastvrouw van mijn b&b aanbevolen trattoria en ga ‘huiswaarts’. Ook de b&b ligt in de middeleeuwse wijk, maar in het deel waar de straten in het donker alsmaar stiller en mysterieuzer ogen. Van onveiligheidsgevoel heb ik geen last, louche types zijn er niet, ik kruis alleen wat jonge mensen en koppels op weg naar de uitgaansbuurt.

    27 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van Bolsena naar Montefiascone (dag 11)

    Ik wil eerst nog wat rondlopen in Bolsena voor ik de korte(re) tocht van ‘maar’ 17 km aanvat naar Montefiascone. Mijn research heeft opgeleverd dat het meer van Bolsena het 5e grootste van Italië is en met 114 vierkante km het grootste kratermeer van Europa. Ter vergelijking: het grootste plasje water in België is goed voor iets meer dan 6 vierkante km (Les Lacs de l’Eau d’Heure, kunstmatig aangelegd). Tja.

    Bolsena blijkt een mooi historisch centrum te hebben.

    En joekels van laanbomen die boven de huizen uittorenen en in de gemiddelde Vlaamse stad al lang zouden gerooid zijn om vage redenen als overlast of gevaar voor de bevolking. Soms weet ik niet goed of ik blij moet zijn om wat elders wel evident blijkt te zijn of triest om ons schrale landje.

    Verder, op naar Montefiascone. De hele tocht is een afwisseling van bos en uitzichten op het meer. In de bossen staat het vol roze cyclamen, bij ons vooral bekend als huiskamerplantje.

    Montefiascone ligt ook aan het meer van Bolsena, maar iets verder weg van de oever. Ik heb wat moeite om het centrum en eventuele bezienswaardigheden te vinden. Onderin de kathedraal ligt de crypte van de heilige Lucia Filippini. Een prachtige plek met een bijzondere, intiem-religieuze uitstraling. Los van het feit dat het gemummificeerde lichaam van deze heilige Lucia in een glazen kist onder het altaar te bezichtigen is. Dat soort Italiaanse devotie ben ik geneigd te negeren.

    Na mijn omzwervingen stuit ik op het Vlaamse gezelschap dat ik al vaak ontmoet heb op mijn tocht. Ze zitten op een terrasje en zetten een stoel voor me bij. Jongeren op irritant knetterende brommertjes komen langsgescheurd. Het is vrijdagavond, in elke Italiaanse stad het moment waarop tieners de straten lijken over te nemen. Na een gezellige babbel gaan de landgenoten op restaurant – nee, ik wil niet mee – en zoek ik mijn kamer op voor een rustige avond.

    26 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van Acquapendente naar Bolsena (dag 10)

    De klad zit er even in wat het stappen betreft. De twee voorbije dagen waren zwaarder dan verwacht. Goed slapen had kunnen helpen, maar de nacht was onrustig en te kort. Vanavond moet ik in Bolsena zijn. Niet dat ik echt van plan ben om een dag over te slaan, dat zou voelen als de boel bedotten, maar ik kan het niet laten om het even op te zoeken: zijn er treinen? Nee, maar wel een bus die er niet eens een half uur over doet. Dan voel ik me als stapper wel een beetje lullig.

    Ondanks alles toch maar op weg. Na de Crete en de bijna-bergen van Val d’Orcia biedt Lazio een makke aanblik. Veel landbouwland met boeren op aftandse tractoren en blaffende honden achter hekken.

    Wanneer ik aankom in het enige stadje op de route, San Lorenzo Nuovo, vindt er een ware Francigena-meetup plaats. Wat het Aziatische gezelschap van gisteren betreft blijk ik me transcontinentaal vergist te hebben: ze komen uit Colombia. Alleen het haantje heeft zichtbaar Aziatische roots. Hij moet meteen weten wanneer ik gisteren aangekomen ben en vertelt me nog net niet wat zijn gemiddelde snelheid en totaal aantal stappen waren.

    Op een terrasje spot ik Vlaming J en aanhang. Even bijpraten en weer verder. Voorbij het centrale plein wacht een zalige verrassing: het plotse zicht op het meer van Bolsena. Het ziet er enorm uit. Terwijl ik op een bankje mijn picknick eet komt er een groepje Braziliaanse vrouwen voorbij, allemaal met identiek groen shirt met vlagje op de mouw. Kan ik een foto van hen maken? Ze staan erop er op hun beurt één van mij te maken, en zelfs een filmpje (terwijl ik sta te roepen ‘nee, geen filmpje!’).

    Ik blijf nog even zitten maar haal hen al gauw weer in en heb korte babbels met enkele van hen. Ze komen uit Saò Paulo, een wandelclub, en ja, de Francigena heeft tot helemaal in Brazilië een naam, zo blijkt. Intussen lopen we door jong bos, een fijne afwisseling na alle open landschappen.

    Tussendoor zijn er altijd weer plekken waar je het meer kan zien. De afgelopen dagen heb ik al gemerkt dat de omgeving een heel plotse impact kan hebbben op mijn stemming. Alsof ik een grotere gevoeligheid ontwikkel voor het karakter van landschappen. Het meer voelt als een heel blije, lichte aanwezigheid.

    De laatste kilometers stap ik weer alleen. Bolsena heeft de vibe van een wat mondain badstadje. Ik wil liever gewoon rondhangen, maar eerst moet er nog enige stappersdiscipline afgewerkt worden: een paar kledingstukken wassen en wat aankopen voor morgen. Mijn maag geeft duidelijke signalen dat het weer eens tijd is voor een restaurant-moment. Ik mik op de lungomare, de lange laan langs het meer.

    Het wordt al donker en ik weet uit ervaring dat een vergelijkende studie van 20 restaurants mij doorgaans niet gelukkiger maakt. Gewoon ergens binnenstappen. Een overdekt terras, en een menu met zowat uitsluitend vis. Goed, vanavond word ik tijdelijk flexitariër dan. Ook hier komt mijn nieuwe mantra ‘open voor wat is’ van pas.

    Alleen eten zonder afleiding van tv of radio is een oefening in aandacht. Ik wil geen opengeslagen boek of telefoon naast mijn bord, dus valt mij niks anders te doen dan mij te concentreren op elke hap van mijn gefrituurde vis, ovengebakken aardappels en cicoria (groene blaadjes, wat bitter), elke slok witte wijn frizzante. Ik beoefen mijn eigen versie van slow food. In Italië uitgevonden, trouwens.

    25 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van Radicofani tot Acquapendente (dag 9)

    Tamelijk goed geslapen in mijn mini-huis. Nieuwe dag, minder lang stappen, oef. ‘Maar’ 23 km vandaag. Ik geef mezelf toestemming om rustig aan te doen. Gisteren is gebleken dat het torentje dat ik al van heel ver zag nog een eind hoger staat dan het dorp. Ik wil er graag heen, al ligt het niet op mijn route.

    Even vragen aan een vrouw met een hondje. Die kant op, ja het is klimmen, reken 20 minuten als je doorstapt. Ze roept mij achterna: rechts van het kerkhof is een mooi paadje door het bos. Ik vind het niet, elk straatje, trapje leidt nergens heen. Zal ik het opgeven? Dan maar langs die autoparking. Een eind hogerop vind ik toch het kerkhof, het paadje. Het torentje is een heuse Fortezza, betalend, een heel terrein, didactische dingen etc. Niet op gerekend, maar ik wil het wel zien.

    Ruïnes, aanplantingen met wilde kruiden, uitzichten, klamme stenen ruimtes waar plots een Italiaanse vertelstem aanspringt. Dan de toren. Na een paar trappen laat ik mijn rugzak in een nis achter. Boven. Het uitzicht is spectaculair. In alle richtingen kan je kilometers ver kijken. Radicofani een verzameling daken en een kerktorentje. Deze plek lost helemaal mijn gemengde gevoelens van gisteren op. Ik voel me opgefrist.

    Ik begin pas om half 11 aan de 23 km maar maak me geen zorgen over de afstand. Mag van mezelf tijd nemen, stops inlassen waar iets mij aantrekt. Een oud bruggetje, schaduw van eiken. Er komt een gezelschap langs dat er Aziatisch uitziet: grote zonnehoeden met flappen en zo.

    Of ik op de bus zit te wachten, vraagt een vrouw. Nee, dit is gewoon een vredige plek. Gaan zij ook naar Acquapendente? Ja hoor. Ok, misschien tot later dan.

    Voorbij km 10 zie ik dat ik bijna Toscane uit ben en in de provincie Lazio kom. Bij een asfaltweg met druk verkeer staan twee Francigena-borden die een tegengestelde richting naar Acquapendente aanwijzen. Bij het ene is met viltstift bijgeschreven ‘korter maar lelijk’. Bij het andere ‘langer en mooi’. Viltstiftkrabbelaars hebben vaak gelijk. De kortere route betekent vast kilometers langs een autobaan waar zelfs – typisch Italiaans – een moordstrookje ontbreekt en je op de witte lijn loopt, hopend dat je niet van de weg wordt gemaaid. Daar heb ik geen zin in. De langere dan maar, ‘via Proceno’.

    Ik ben nog geen 100 meter verder of ik zie bij een bushalte het gezelschap van daarnet. Ik steek over. Ha, zitten jullie nu op de bus wachten? Gegiechel. Ja, ze gaan verder de bus nemen naar Acquapendente. Maar zo ga jij niet naar Acquapendente, zegt de jongste man van het gezelschap beslist. Toch wel, leg ik uit, alternatieve route en zo. Hou hem maar in het oog, hij gaat stappen, zegt een oudere vrouw. Ik neem afscheid. Heb hoegenaamd geen behoefte om een mannetje / kroonprinsje / haantje te volgen.

    Nog wat verder komt hij opeens achter me aan gerend. Oh, gaat hij het joggend doen? Jaja, ik ga wat rennen. Nu ja, hij heeft alleen een mini-rugzakje. Ik zie dat hij na een meter of 50 al gewoon gaat lopen. Meneertje betweter kon het waarschijnlijk niet hebben om achter mij aan te lopen. Verder niet meer over nadenken.

    Maar misschien wel over de nog af te leggen afstand. Deze alternatieve route blijkt ook in de app te staan en is – mamma mia! – bijna 10 km langer dan de gewone. Wat mij weer op een dagtotaal van 30+ gaat brengen en nog uren stappen betekent. De moed zinkt mij wat in de schoenen over mijn impulsieve beslissing maar terugkeren is geen optie, ik kom er wel. Het landschap is minder indrukwekkend, maar er zijn heel mooie plekjes.

    Ik kom geen hond noch andere stapper tegen en lijk eeuwen te lopen met een alsmaar zwaardere rugzak voor ik eindelijk in Proceno aankom. Late middag, ingeslapenheid, bijna niemand op straat. Bij een lege bar met leeg terras moét ik even een drankje. De barman kijkt wat vreemd op maar ja hoor, het kan. Nog nooit heeft ijskoud pompelmoessap op een verlaten pleintje zo gesmaakt.

    Het dorp uit, twee reeën op de weg schrikken van mijn komst en rennen een bosje in. Na wat een driedubbele dagshift lijkt loop ik Acquapendente in. Laatste opdracht: vind je bed. De straat ligt achteraf, het geveltje is zo-zo maar wanneer ik haar opbel staat de verhuurster er binnen de 5 minuten met de sleutel. Binnen is alles fris en pas gerenoveerd, koelkast, drankjes, waterkoker, koekjes etc. Een nachtje kost hier 35€. En het uitzicht uit het raam mag er ook wezen. Douche!

    25 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van San Quirico tot Radicofani (dag 8)

    Geen lange verhalen over deze dag. Indrukken, anders raak ik niet meer bijgebeend.

    De langste tocht, 32 km. Ik stap voor Gaza en draag het de hele dag mee in gedachten. De donatieteller staat op 1112 € en een groot deel daarvan gaat naar het Noodfonds Gaza van Oxfam. Mijn familie en vrienden zijn geweldig!

    Bagno Vignoni, een plaatsje met oude thermale baden.

    De hoogten worden hoger, de verten wijdser, wat wilder. Verkoelende wind boven wisselt af met brandende zon beneden.

    Mountainbikers passeren en ondervragen mij. Waar ga ik heen? En vanwaar ben ik vertrokken? Wat? Radicofani! Ik kan niet uitmaken of ze mij uitlachen of bewonderen. Ze verdwijnen uit het zicht, roepend: ‘Oh Mariiiia, Radicooofani!’.

    De kilometers wegen. Vanaf zowat kilometer 10 heb ik af en toe in de verste verte op een berg een torentje gezien, en ik heb een akelig vermoeden dat ik daar heen moet. Het blijkt te kloppen.

    De vraag van B gisteren over malende gedachten blijft mij bij. Het is niet malen, wel een soort processie die voorbij trekt en die zich niet graag laat onderbreken of negeren. Ik maak een mantra: ‘Open voor wat is’ en blijf die de hele dag herhalen wanneer ik merk dat ik ‘weg’ ben.

    Open voor wat is (hagedis, geritsel). Open voor wat is (rugzak, schouderpijn). Open voor wat is (wind). Open voor wat is (onrust, hoe lang nog stappen). Open voor wat is (zonnebloemgeel vlindertje). Vooral allerlei vormen van ongemak vergen een terugkeer naar aanwezigheid en proberen niet terug te vechten.

    Italiaans oefenen. Ik spreek een man aan die een meterslange muur rond een verder alleenstaand huis middenin het wijde landschap staat te bepleisteren. Ik wissel wat zinnen met een stapper die een jonge speelse hond bij zich heeft.

    Water. Even de rugzak af, schoenen en sokken uit. Het begint allemaal meer en meer moeite te kosten.

    Daar is het torentje weer, ik moet er nu helemaal heen. De klim duurt meer dan een uur en is genadeloos. Ik voel me helemaal murw, heb het gehad. Basta! Maar er is geen alternatief. Open voor wat is. Ik geraak er, zie dat ik op meer dan 850m hoogte aangekomen ben.

    Wat is dit voor een vreemd dorp. Verlaten stegen, alle huizen tegen elkaar aan gebouwd in dezelfde ruwe stenen. Ik heb een mini-huisje helemaal voor mij alleen. Waar is het nu, trappetjes, hoekjes. Eindelijk! De deur is zoals afgesproken gewoon open.

    Een desolaat gevoel overvalt mij. De inspanning was te groot en deze plek verwelkomt niet, het huisje voelt te stil en benauwend. Het helpt om even bij het enige winkeltje een broodje met pecorino en gegrilde groenten en een drankje te halen. Maar zo moe, te moe voor een grotere maaltijd. Licht uit om half 10.

    • Bella Italia 2026: Cività di Bagnoregio (dag 14)
    • Bella Italia 2026: van Viterbo naar Vetralla (dag 13)
    • Bella Italia 2026: van Montefiascone naar Viterbo (dag 12)
    • Bella Italia 2026: van Bolsena naar Montefiascone (dag 11)
    • Bella Italia 2026: van Acquapendente naar Bolsena (dag 10)
    24 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van Ponte d’Arbia tot San Quirico (dag 7)

    Om half 6 begint roommate 3 – geen idee hoe ze heet of vanwaar ze komt – te stommelen in de kamer en zich klaar te maken voor vertrek. Wat ik wel weet: ze heeft deze nacht gesnurkt als een everzwijn in de bosjes, niet even maar telkens opnieuw. Ik veroorloof me haar een respectloze trut te vinden. Als je zo hard snurkt, waarschuw dan, excuseer je bij voorbaat, deel oordoppen uit, of ga niet in een gemeenschappelijke kamer liggen. Ook al was deze plek met vrije bijdrage voor eten en overnachting heel low budget, ik kijk nu al uit naar het hotelletje vanavond.

    Vermits ik toch wakker ben en een beetje vrees dat het weer heet wordt, sta ik om half 8 klaar voor vertrek. De ochtend is verfrissend en de spectaculaire nevelbanken krijg ik er gratis bovenop.

    Gisteren was ik nog helemaal in de Crete Senesi, het typische Toscaanse landschap ten zuiden van Siena met geërodeerde kleiheuvels en veel solitaire eiken en cipressen. Vandaag gaan die stilaan over in de Val d’Orcia. De hele streek staat op de Unesco Werelderfgoedlijst en is overduidelijk een land van wijn en olijven. Het ziet er veel groener uit dan de dorre Crete. Al snel zie ik bovenop een heuvel Montalcino liggen, van de gelijknamige wijn en ook van de sjieke en dure brunello. Mijn route loopt er helaas niet langs en een omwegje van een tiental kilometer met klim behoort niet tot de opties.

    Op sommige dagtochten van de Via Francigena kom je tusssendoor nergens een dorp of stadje tegen, maar vandaag zijn het er twee: Buonconvento en tegen de middag Torrenieri. Iets voor Torrenieri raak ik aan de praat met J, een Vlaming die mij inhaalt. Hij blijkt de voorpost van een familiegezelschap met een paar decennia stapervaring: in vakanties van telkens twee weken hebben ze de hele Camino afgelegd, een trail door Schotland en nu zijn ze bezig aan het sluitstuk van de Francigena. Ik ben er een groentje tegen. Over het feit dat ik alleen stap, zegt J wat afgemeten: ‘Ieder zo z’n ding.’ Maar even later voegt hij eraan toe: ‘Ik zou het ook niet erg vinden om het alleen te doen.’ Ik merk wel vaker die dubbelheid bij mensen, zeker als ze al wat ouder zijn. Een lichte afkeuring die lijkt te vechten met een verdoken verlangen.

    In Torrenieri zijn terrasjes en ik wil wel eten, maar ik heb even geen zin in pelgrimspraatjes. Water tappen, wat noten eten op een schaduwplek en doorgaan. Tot San Quirico d’Orcia in zicht komt, naar Italiaanse gewoonte bovenop een heuvel, dus een klim om te eindigen. Als dit de beloning is, ben ik meteen overal mee verzoend.

    San Quirico heeft iets dat mij meteen raakt, het stemt overeen met een blauwdruk die ik in mij heb zitten over Italië van sfeervolle kerkjes, smalle stegen, terrasjes in de zon, geschiedenis en kunst die op elke straathoek liggen en een bijna totale afwezigheid van schreeuwerige moderniteit.

    Snel inchecken, dan rondkijken. Ik raak helemaal betoverd door de Giardini Leonini, een park met strakke hagen, beelden en een lange trap naar een hoger gelegen gedeelte. Er is een tijdelijke expositie van sculpturen van Gianfranco Meggiato, mij onbekend, maar de diepzinnige toelichtingen erbij brengen mij in een wat esoterische sfeer.

    Plots roept iemand mijn naam. Het is B, de Nieuw-Zeelandse uit het hostel in Ponte d’Arbia. We praten wat – tot haar ergernis deelt ze vannacht opnieuw een kamer met de Verschrikkelijke Snurkster. Ze zegt dat ze nooit eerder iemand zo hoorde snurken. B is ook een zoeker, en een vragensteller. Ze vertelt dat ze last heeft van malende gedachten tijdens het stappen, en of ik dat ook heb. Ik herken het. We nemen afscheid wanneer ik de lange trap op wil en zij vandaag echt geen centimeter meer wil klimmen.

    Rond 7 verzamel ik mijn moed en besluit op restaurant te gaan. De plek is prachtig – een ommuurde tuin -, ik probeer me niet te storen aan het feit dat ik als solo-eter aan een tafeltje achterin geparkeerd word en maak er een vegetarisch festijn van: gnocchetti met gesauteerde spinazie erbij en cannellinibonen a la toscana. Er kan zelfs een glas dure brunello vanaf. Dessert zal voor een andere keer zijn.

    23 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: van Siena naar Ponte d’Arbia (dag 6)

    Ik hou van Siena, en soms hou ik niet van Siena. Vaak weigert ze stil te worden ’s nachts. Buiten mijn raam zoemt ze als een menselijke bijenkorf gecombineerd met wat klinkt als de herrie van honderd airco’s. Het gaat door tot ik ten slotte in slaap val. Om 20 voor 7 loopt een man met een mondmasker op door de steeg, het afval voor zich uit drijvend met een soort bladblazer. Bloody hell, opstaan dan maar.

    Vandaag begin ik te stappen, spannend. Bij alleen reizen zorgen overgangen zoals deze meestal voor wat extra stress en irrationele angsten. Wanneer ik richting Porta Romana stap om Siena te verlaten kruis ik een man die eruit ziet zoals ik: stapkleren, stapschoenen, rugzak. Hij glimlacht en steekt een hand op. Dat had ik even nodig. Mensen reageren op stappers, ook als ze zelf niet stappen. Alsof je een goeie daad stelt en ze dat erkennen.

    De poort is een grote, dubbele, en dan voel ik me echt vertrokken. Hoewel, nog zowat tot de middag blijf ik langs asfaltwegen lopen, rijden auto’s me voorbij en kom ik een aantal bedrijfsterreinen tegen. Toscane ziet er niet overal uit zoals in de boekjes. Geleidelijk breekt het landschap open. Ik schrik er wel van hoe bruin en dor het er op veel plekken uitziet.

    Deze etappe krijgt de kwalificatie ‘difficult’ in de app. Eerst begrijp ik niet echt waarom, maar naarmate de stapuren verstrijken wel. Het zijn niet de kilometers (26+) of de route (wat op en neer) die het moeilijk maken, wel de genadeloze hitte en het zowat totale ontbreken van schaduwplekken. Gelukkig zijn er waterpunten die ruim van tevoren aangekondigd worden.

    Ik kom een Duits koppel tegen en daarna een Frans koppel. Ik loop telkens een stukje met hen mee en maak een praatje, maar in beide gevallen stappen ze langzamer dan ik en lopen ze een kortere dagtocht, dus neem ik ook weer afscheid.

    De laatste kilometers tot Ponte d’Arbia zijn zwaar: korte waterpauzes, pet diep over de ogen en doorgaan. Wanneer ik aankom in het pelgrimshostel en door twee vrijwilligende oudere heren ontvangen wordt (doe die rugzak eerst even af / je schoenen mogen daar / vul je dit even in / heb je een stempelboekje) voel ik het zweet gutsen en heb ik zin om één van de twee, of allebei, een mep te verkopen (geef me een douche en een bed en laat me met rust, wil je!).

    Maar alles komt rustig in orde en na kennismaking met roommate 1 – een jonge Nieuw-Zeelandse die in Duitsland woont – kan ik gaan douchen. Na de douche is roommate 2 aangekomen – eveneens jonge Schotse – en ga ik op zoek naar de enige bar met terras in het dorp die open is. De witte wijn stroomt heerlijk naar binnen en helpt om de schallende latinomuziek en de luide Italiaanse mannen te negeren. De Schotse komt er ook aan. We delen een tafeltje en praten summier, terwijl zij bier drinkt en leest en ik schrijf. Zo fijn, mensen bij wie je je meteen ongedwongen voelt en de sociale codes eenvoudig zijn.

    Later op de avond eten we met het hele hostel aan een lange tafel en worden er druk stapervaringen uitgewisseld. In de tuin is een lokaal feestje aan de gang met live Braziliaanse muziek maar zodra ik er een voet zet, krijg ik mijn spreekwoordelijke klop. Om 21u ga ik naar de kamer, blijken de luiken er dicht en de Nieuw-Zeelandse al onder zeil. Ik hoef me geen oldie te voelen die met de kippen op stok gaat. Gelukkig klinken de Braziliaanse liedjes buiten zacht en gaat het niet al te lang door.

    • Bella Italia 2026: Cività di Bagnoregio (dag 14)
    • Bella Italia 2026: van Viterbo naar Vetralla (dag 13)
    • Bella Italia 2026: van Montefiascone naar Viterbo (dag 12)
    • Bella Italia 2026: van Bolsena naar Montefiascone (dag 11)
    • Bella Italia 2026: van Acquapendente naar Bolsena (dag 10)
    21 september 2026
    Bella Italia 2026

  • Bella Italia 2026: weg van de massa’s (dag 5)

    Ik wou dat het anders was, maar op een zaterdag met zonnig weer, half september is Siena een vergaarbak van toeristen. Foeteren op toeristen is flauw als je er zelf ook één bent. Alsof ik een ander soort toerist zou zijn, eentje van superieure kwaliteit ofzo. Het meest last heb ik van de groepen met sleutelkoord om de nek en oortje in die achter resolute, luid pratende vrouwen met een stoffen bloem in de hand als een gestrekte antenne, voortsloffen. Het heeft een zo hoog veegehalte dat ik moet wegkijken. Ook typisch aan toeristen, en misschien gelukkig: ze zijn allemaal geconcentreerd op een paar plekken.

    Ik ontvlucht de plekken en laat me drijven op het patroon van de straten. De ziel van Siena zit natuurlijk in de iconische torens en kerken. Maar net zo goed in de doorgangetjes, de overwelvingen, de impasses. Ik hoef vaak maar een straathoek om te slaan en ik vind stilte, de bescheidenheid van de straatmadonna tegen de bakstenen muur.

    Siena ligt van oudsher binnen een ring van nog bestaande poorten. Het heeft altijd iets vreemds om zo’n poort tegen te komen. Alsof ik op het punt sta een magische cirkel te verlaten. Daarbuiten zal de betovering breken en alles weer op me afrazen. In de buurt van een poort stuit ik op Fonte Branda. Op allerlei plekken zijn bekkens en fonteinen bewaard van Siena’s middeleeuwse watervoorziening, die behoorlijk ingenieus was en eeuwen in gebruik bleef. Zou het typisch Italiaans zijn om ervoor te zorgen dat de geschiedenis niet wordt afgesneden: het water blijft stromen, klateren, kringelen in het licht. Ik blijf staan, de onbevattelijkheid van de tijd wordt lichter.

    Ik besluit nog een keer naar Santa Maria della Scala te gaan: een voormalig middeleeuws hospitaal dat op het hoogtepunt zowat een stad in de stad was, met zelfs een overdekte straat die er doorheen liep. Nu is het museum, tentoonstellingsruimte en archeologisch project ineen. Ze blijven er opgraven, herorganiseren en zoals in wel meer Italiaanse musea krijg je gewoon een kwak kunst over je heen gekieperd, alles door, na en bij elkaar. Soms ontbreken er zelfs naambordjes en titels.

    Voor de beelden van de Fonte Gaia-fontein werd veel te zacht marmer gebruikt. Ze staan nu hier en doen mij denken aan de gipsafgietsels van de slachtoffers van de uitbarsting van de Vesuvius. Alsof ze iets verbeelden van menselijk lijden. Zo anders dan de kopieën van beenhard Carrara-marmer die tot vandaag een perfect plaatje maken van de Fonte Gaia daarbuiten op de Campo.

    Tranen. Zonder overgang, context of naambordje. Ik weet dat het van Mimmo Paladino is. Zijn figuren lijken altijd op één of andere manier naar de essentie van mens zijn te verwijzen.

    En dan is het nu tijd voor een fototentoonstelling over Joseph Bueys. Ik kan het niet laten om de paarse dame vast te leggen. Ik denk dat ik haar privacy niet te erg te grabbel gooi.

    Tussendoor: de kapellen met fresco’s, de oude vergaderzalen van vreemde genootschappen, het catacombengevoel naarmate je alsmaar dieper afdaalt in dit labyrintische gebouw. Er is trouwens bijna niemand, terwijl het aan hetzelfde plein ligt als de prachtige, maar übertoeristische Duomo.

    Hierna heb ik licht en lucht nodig. Ik dwaal langs de poorten en buitenmuren van de stad, waar je uitkijkt op het omliggende Toscaanse platteland.

    Tussendoor dringt via whatsapp en een telefoongesprek de leefwereld van mijn kinderen binnen die op dit moment moeizaam is. In mijn beleving smelt het samen met de verminkte beelden van de fontein en het huilende hoofd. Ik blijf op verschillende plekken lang zitten. Mijn lichaam zit er en ook mijn geest probeert dat te doen. Blijven zitten bij het lijden van kinderen, één van de allermoeilijkste dingen. In mijn boekje over niks doen en andere vormen van kunst lees ik: ‘Maar misschien is het ware mirakel mijn geloof geweest, mijn op niets steunende vertrouwen.’

    • Bella Italia 2026: Cività di Bagnoregio (dag 14)
    • Bella Italia 2026: van Viterbo naar Vetralla (dag 13)
    • Bella Italia 2026: van Montefiascone naar Viterbo (dag 12)
    • Bella Italia 2026: van Bolsena naar Montefiascone (dag 11)
    • Bella Italia 2026: van Acquapendente naar Bolsena (dag 10)

    19 september 2026
    Bella Italia 2026

Volgende pagina

Maak een website of blog op WordPress.com

Reacties laden....
  • Abonneren Geabonneerd
    sandra roobaert
    Voeg je bij 64 andere abonnees

    Have a WordPress.com account? Log in now.

  • sandra roobaert
    Site in de Reader weergeven
    Beheer abonnementenAanmeldenInloggen
    Deze inhoud rapporteren
    Deze balk inklappen