Bella Italia 2026: weg van de massa’s (dag 5)

Ik wou dat het anders was, maar op een zaterdag met zonnig weer, half september is Siena een vergaarbak van toeristen. Foeteren op toeristen is flauw als je er zelf ook één bent. Alsof ik een ander soort toerist zou zijn, eentje van superieure kwaliteit ofzo. Het meest last heb ik van de groepen met sleutelkoord om de nek en oortje in die achter resolute, luid pratende vrouwen met een stoffen bloem in de hand als een gestrekte antenne, voortsloffen. Het heeft een zo hoog veegehalte dat ik moet wegkijken. Ook typisch aan toeristen, en misschien gelukkig: ze zijn allemaal geconcentreerd op een paar plekken.

Ik ontvlucht de plekken en laat me drijven op het patroon van de straten. De ziel van Siena zit natuurlijk in de iconische torens en kerken. Maar net zo goed in de doorgangetjes, de overwelvingen, de impasses. Ik hoef vaak maar een straathoek om te slaan en ik vind stilte, de bescheidenheid van de straatmadonna tegen de bakstenen muur.

Siena ligt van oudsher binnen een ring van nog bestaande poorten. Het heeft altijd iets vreemds om zo’n poort tegen te komen. Alsof ik op het punt sta een magische cirkel te verlaten. Daarbuiten zal de betovering breken en alles weer op me afrazen. In de buurt van een poort stuit ik op Fonte Branda. Op allerlei plekken zijn bekkens en fonteinen bewaard van Siena’s middeleeuwse watervoorziening, die behoorlijk ingenieus was en eeuwen in gebruik bleef. Zou het typisch Italiaans zijn om ervoor te zorgen dat de geschiedenis niet wordt afgesneden: het water blijft stromen, klateren, kringelen in het licht. Ik blijf staan, de onbevattelijkheid van de tijd wordt lichter.

Ik besluit nog een keer naar Santa Maria della Scala te gaan: een voormalig middeleeuws hospitaal dat op het hoogtepunt zowat een stad in de stad was, met zelfs een overdekte straat die er doorheen liep. Nu is het museum, tentoonstellingsruimte en archeologisch project ineen. Ze blijven er opgraven, herorganiseren en zoals in wel meer Italiaanse musea krijg je gewoon een kwak kunst over je heen gekieperd, alles door, na en bij elkaar. Soms ontbreken er zelfs naambordjes en titels.

Voor de beelden van de Fonte Gaia-fontein werd veel te zacht marmer gebruikt. Ze staan nu hier en doen mij denken aan de gipsafgietsels van de slachtoffers van de uitbarsting van de Vesuvius. Alsof ze iets verbeelden van menselijk lijden. Zo anders dan de kopieën van beenhard Carrara-marmer die tot vandaag een perfect plaatje maken van de Fonte Gaia daarbuiten op de Campo.

Tranen. Zonder overgang, context of naambordje. Ik weet dat het van Mimmo Paladino is. Zijn figuren lijken altijd op één of andere manier naar de essentie van mens zijn te verwijzen.

En dan is het nu tijd voor een fototentoonstelling over Joseph Bueys. Ik kan het niet laten om de paarse dame vast te leggen. Ik denk dat ik haar privacy niet te erg te grabbel gooi.

Tussendoor: de kapellen met fresco’s, de oude vergaderzalen van vreemde genootschappen, het catacombengevoel naarmate je alsmaar dieper afdaalt in dit labyrintische gebouw. Er is trouwens bijna niemand, terwijl het aan hetzelfde plein ligt als de prachtige, maar übertoeristische Duomo.

Hierna heb ik licht en lucht nodig. Ik dwaal langs de poorten en buitenmuren van de stad, waar je uitkijkt op het omliggende Toscaanse platteland.

Tussendoor dringt via whatsapp en een telefoongesprek de leefwereld van mijn kinderen binnen die op dit moment moeizaam is. In mijn beleving smelt het samen met de verminkte beelden van de fontein en het huilende hoofd. Ik blijf op verschillende plekken lang zitten. Mijn lichaam zit er en ook mijn geest probeert dat te doen. Blijven zitten bij het lijden van kinderen, één van de allermoeilijkste dingen. In mijn boekje over niks doen en andere vormen van kunst lees ik: ‘Maar misschien is het ware mirakel mijn geloof geweest, mijn op niets steunende vertrouwen.’

Gepubliceerd door


Plaats een reactie