Het regent wanneer ik Lugano verlaat, het feestelijke zomergevoel is in één klap verdwenen. De grens over en tot Milaan, dan de Frecciarossa naar Firenze. Frecciarossa-treinen zijn handig want snel, maar ook een beetje claustrofobisch. Ze rijden vaak lange stukken ondergronds en zijn doorgaans volgeboekt, waardoor je met enige pech ingeklemd zit en voor elk toiletbezoek of benen strekken je buur moet porren. Dan maar de schuine overbuur bestuderen. Hij heeft er geen erg in. De arme vrouw die naast hem zit moet er een uitpuilende arm en schouder bij nemen en af en toe ontsnapt hem een plots snurkgeluid, waarbij zij verstoord opkijkt uit haar boek.

In Firenze is de overstaptijd minimaal. Ik registreer dat ik in een andere klimaatzone terechtkom – vochtige zwoele warmte – en ren om de regionale trein naar Empoli te halen. Het lukt, maar hij zit eivol. Zowat iedereen is in short en t- shirt, dat is mentaal aanpassen. Laatste overstap in Empoli, naar Siena. Half drie en ik kom uitgehongerd aan, maar voor Siena ben ik bereid drie dagen aan een stuk te reizen en op water en brood te leven.
Ik ken de weg van het station naar de dichtste stadspoort, weet welke pleinen, standbeelden, straathoeken en winkels eraan komen en logeer in het oubollige hotelletje pal in het centrum. Krijg ik de kamer met het antieke schrijftafeltje? Deze keer helaas niet, maar voor de rest is alles er exact zoals ik het van de vorige keren ken. Ik ben niet zo’n gewoontedier of terugkeerder, maar in Siena ligt een stukje van mezelf dat ik telkens weer moet gaan terugvinden. Lang hoeft het niet te zijn, een dag of wat is genoeg.
Ik heb zelfs rituelen: ik moet eerst naar de Campo, gaan zitten en wachten tot ik de ‘péng’ van het klokje in de toren op het halfuur of het uur gehoord heb. Daarna wil ik meteen even vanaf dat ene stenen bankje naar de Duomo zitten kijken en het blije, zuiderse van deze stad in mij opnemen. Intussen is het de 4e keer in enkele jaren tijd dat ik hier ben en heb ik ‘alles’ gezien, waardoor ik me in de bijzondere situatie bevind dat er niets hoeft. Ik geloof dat het beantwoordt aan een romantisch ideaalbeeld dat ik heb van de reiziger als iemand die zwerft, gaat zitten, rondkijkt, ergens zit te lezen of schrijven of tekenen. Laat ik nu maar eens zo’n reiziger zijn.
Ik loop rond, maak foto’s, stel vast dat Siena alweer een reden heeft gevonden om te feesten, met vlaggen te zwaaien, te zingen en trommelen in een optocht, straten te overspannen met gouden en zilveren doeken en tegen de avond de boomboxen open te draaien.



Het is moeilijk om een rustige eetplek te vinden, maar wat er op het bord komt, maakt dat goed. Restaurantmenu’s durven in Italië wel eens voorspelbaar te zijn, maar preimousse in een bad van gesmolten pecorino met rode peperbolletjes er bovenop en gedroogde bloemetjes op de rand van het bord, dat heb ik nog niet gehad. Ik stuntel niet in het Italiaans, de serveerster schakelt niet over op Engels en de rekening valt heel goed mee.
Zodra ik in het hotel ben, barst een gigantisch onweer los. Ik zet me aan het boekje dat ik ondanks mijn voornemen (géén papieren boeken op deze reis!!) tijdens het slenteren in de stad gekocht heb. Het gaat over creativiteit en heet ‘Een spirituele zaak / Niets doen en andere vormen van kunst’. Op de achtergrond het gezoem van de Siënezen en de toeristen die na de hoosbui ongestoord verder feesten.
Plaats een reactie