Bella Italia 2026: van Siena naar Ponte d’Arbia (dag 6)

Ik hou van Siena, en soms hou ik niet van Siena. Vaak weigert ze stil te worden ’s nachts. Buiten mijn raam zoemt ze als een menselijke bijenkorf gecombineerd met wat klinkt als de herrie van honderd airco’s. Het gaat door tot ik ten slotte in slaap val. Om 20 voor 7 loopt een man met een mondmasker op door de steeg, het afval voor zich uit drijvend met een soort bladblazer. Bloody hell, opstaan dan maar.

Vandaag begin ik te stappen, spannend. Bij alleen reizen zorgen overgangen zoals deze meestal voor wat extra stress en irrationele angsten. Wanneer ik richting Porta Romana stap om Siena te verlaten kruis ik een man die eruit ziet zoals ik: stapkleren, stapschoenen, rugzak. Hij glimlacht en steekt een hand op. Dat had ik even nodig. Mensen reageren op stappers, ook als ze zelf niet stappen. Alsof je een goeie daad stelt en ze dat erkennen.

De poort is een grote, dubbele, en dan voel ik me echt vertrokken. Hoewel, nog zowat tot de middag blijf ik langs asfaltwegen lopen, rijden auto’s me voorbij en kom ik een aantal bedrijfsterreinen tegen. Toscane ziet er niet overal uit zoals in de boekjes. Geleidelijk breekt het landschap open. Ik schrik er wel van hoe bruin en dor het er op veel plekken uitziet.

Deze etappe krijgt de kwalificatie ‘difficult’ in de app. Eerst begrijp ik niet echt waarom, maar naarmate de stapuren verstrijken wel. Het zijn niet de kilometers (26+) of de route (wat op en neer) die het moeilijk maken, wel de genadeloze hitte en het zowat totale ontbreken van schaduwplekken. Gelukkig zijn er waterpunten die ruim van tevoren aangekondigd worden.

Ik kom een Duits koppel tegen en daarna een Frans koppel. Ik loop telkens een stukje met hen mee en maak een praatje, maar in beide gevallen stappen ze langzamer dan ik en lopen ze een kortere dagtocht, dus neem ik ook weer afscheid.

De laatste kilometers tot Ponte d’Arbia zijn zwaar: korte waterpauzes, pet diep over de ogen en doorgaan. Wanneer ik aankom in het pelgrimshostel en door twee vrijwilligende oudere heren ontvangen wordt (doe die rugzak eerst even af / je schoenen mogen daar / vul je dit even in / heb je een stempelboekje) voel ik het zweet gutsen en heb ik zin om één van de twee, of allebei, een mep te verkopen (geef me een douche en een bed en laat me met rust, wil je!).

Maar alles komt rustig in orde en na kennismaking met roommate 1 – een jonge Nieuw-Zeelandse die in Duitsland woont – kan ik gaan douchen. Na de douche is roommate 2 aangekomen – eveneens jonge Schotse – en ga ik op zoek naar de enige bar met terras in het dorp die open is. De witte wijn stroomt heerlijk naar binnen en helpt om de schallende latinomuziek en de luide Italiaanse mannen te negeren. De Schotse komt er ook aan. We delen een tafeltje en praten summier, terwijl zij bier drinkt en leest en ik schrijf. Zo fijn, mensen bij wie je je meteen ongedwongen voelt en de sociale codes eenvoudig zijn.

Later op de avond eten we met het hele hostel aan een lange tafel en worden er druk stapervaringen uitgewisseld. In de tuin is een lokaal feestje aan de gang met live Braziliaanse muziek maar zodra ik er een voet zet, krijg ik mijn spreekwoordelijke klop. Om 21u ga ik naar de kamer, blijken de luiken er dicht en de Nieuw-Zeelandse al onder zeil. Ik hoef me geen oldie te voelen die met de kippen op stok gaat. Gelukkig klinken de Braziliaanse liedjes buiten zacht en gaat het niet al te lang door.

Gepubliceerd door


Plaats een reactie