Stapdag twee is de lichtste van vier, nog geen 15 km te gaan, zorgeloos aan de dag beginnen dus met ontbijt in het romantische tuintje van de B&B. Een koppel wenkt, of ik zin heb om bij hen aan te schuiven in plaats van alleen aan een tafeltje te zitten. Het blijken Australiërs. Op basis van mijn accent gokken ze dat ik Scandinavisch ben. We genieten van de verwennerijen die voor onze neus worden gezet en hebben het over onze volwassen kinderen en onze stapervaringen.
Wanneer ik goed en wel op pad ben, spreekt een man mij aan bij een agrotoerisme-boerderij. Heb ik credenziali nodig? Hij bedoelt of ik een stempel wil in een specifiek Francigena-boekje, als bewijs van een afgelegde etappe. Ik heb geen behoefte aan boekjes of stempels. In de B&B stelden ze me die vraag ook, voor de lol heb ik dan maar een stempel op mijn arm gezet. Ik laat die zien aan de man, maar hij kan er niet om lachen. Hij vraagt of ik naar Rome ga. Nee, ik ga tot Siena. En daarna gaat u niet naar Rome? Euh nee. Hij besluit dat ik geen pellegrino ben dan, wel een turista. Pelgrim blijkt hier een beschermd statuut dat ik niet zomaar kan claimen. Het zij zo. En pelgrim of toerist, de uitzichten onderweg zijn hetzelfde.



Op enkele kilometers van San Gimignano haal ik een Frans koppel in dat ik eerder ben tegengekomen. We leggen samen het laatste stuk af en maken nader kennis. Aan de Porta San Matteo gaan onze wegen uiteen, maar we spreken af om ’s avonds samen te aperitieven en daarna iets te eten.
In San Gimignano ben ik twee jaar geleden al een keer geweest. Het stadje lijdt een beetje aan het Venetië-syndroom: op ieders bucket list wegens onweerstaanbaar charmant en overspoeld door dagjesmensen die met busladingen worden aangevoerd tot aan de rand van het ommuurde historische centrum. Fast tourism. Wat niet wegneemt dat het op zich een prachtige plek blijft met die karakteristieke torens en pleinen en de vergezichten over het Toscaanse landschap.


Van de tientallen torens die er ooit waren, staan er nu nog 14 overeind. Een toren bouwen was voor rijke middeleeuwse families een statussymbool. Ze gaven soms ook aanleiding tot vetes en afgunst, en wanneer een familie in conflict raakte met het stadsbestuur kon een toren zonder pardon worden afgebroken als strafmaatregel.
Ik ontdek een rustig plein dat blijkbaar niet op het toeristische circuit ligt en nodig A en JL, de Fransen, uit om daar iets te drinken. Na meer dan een week alleen reizen is het toch wel een verademing om een keer gezelschap te hebben. We maken het niet te laat, want morgen moet er meer dan 30 km gestapt worden.
Dag 11. Ik vertrek om kwart over 8. Op dit vroege uur ligt de Piazza del Duomo nog verlaten in de ochtendzon.

Aan het einde van de dag zou ik in Monteriggioni moeten aankomen, maar daar heb ik geen logies kunnen vinden. Daarom moet ik noodgedwongen met de bus terug naar San Gimignano, om morgen weer naar Monteriggioni terug te keren, startpunt voor de volgende etappe. Het heeft als enorm voordeel dat ik mijn grote rugzak niet hoef mee te zeulen. Hoogst welkom op een dag waarop er meer dan 30 km moet worden afgelegd bij 27°.
De tocht is heel gevarieerd. Eerst even omkijken naar San Gimignano.

Dan verder.


Ongeveer halfweg ligt Colle di Val d’Elsa. Het mag gerust op het lijstje van kleine steden met de mooist bewaarde historische centra in Toscane.

Het wordt stilaan tijd om te eten en mijn kennis van vorige bezoeken aan deze streek helpt me. Onwaarschijnlijk, maar toch zo: onderaan de steile afdaling uit het centrum van Colle ligt een bijzonder prozaïsche hypermarkt aan een druk rond punt. Een kwartier volstaat om een picknick te vinden en zowaar een wc-beurt te scoren. Ik haast me de stadsdrukte uit want ik weet dat vlakbij het Parco Fluviale di Colle di Val d’Elsa ligt. Ik ben hier twee keer eerder geweest en elke keer opnieuw vind ik het weer even prachtig: de bijzondere kleur van het water, de inhammetjes waar je even rustig kan gaan zitten (en eten en je schoenen uittrekken en je voeten in het water laten bungelen), de plekken waar je je bijna in Brazilië waant.



Na een paar kilometer gaat het weer verder door bossen en velden. Terwijl ik voor de middag heel wat andere stappers ben tegengekomen lijkt het nu alsof iedereen in het Parco Fluviale is blijven zitten. De vele kilometers in combinatie met de zon beginnen te wegen. Het eerste uitzicht op Monteriggioni in de verte geeft weer moed.

Het is na vieren wanneer ik eindelijk bij de omwalling sta.

Monteriggioni is een middeleeuws bolwerk, het is maar een paar straten groot en in enkele minuten loop je van de ene poort naar de tegenoverliggende.

Ik rust even uit, maar moet dan buiten de muren op zoek naar de bushalte om terug in San Gimignano te geraken. Ik heb geluk, er blijkt nog welgeteld één bus die kant op te gaan, om 17u42. De terugrit duurt nog geen uur.
Ik voel me te moe om op restaurant te gaan, maar niet eten is ook geen optie. Ik volg een tip van de eigenares van mijn verblijfsplek en vind in een rustig straatje vlakbij een klein terras. Alles gaat vlot en vriendelijk, ik stel nog maar een keer vast hoe eenvoudig en goed je in Italië kan eten. Pasta is een voorgerecht, maar met twee contorni erbij – gesauteerde spinazie en Toscaanse boontjes – stilt het de honger van een dag stappen.

Plaats een reactie