Voor H.C. (Hans Cornelis) ten Berge is dichten een vorm van onderzoek, aldus de Wikipedia-pagina die aan hem gewijd is. Een opvallend beknopte pagina trouwens voor iemand met een decennia omspannende bibliografie en een indrukwekkend lijstje literaire prijzen.
Eerlijk is eerlijk, ‘Splendor’ (2016) is de eerste bundel die ik van hem las. Dat van dat onderzoek blijkt meteen al in de eerste cyclus ‘Ik vlieg door de dertiende eeuw’, die zo begint:
Scherend over onland en woesting, de zandzee van de ziel die onbenoemd en onbekend in al zijn naaktheid op het vuur van de verlossing & verleiding wacht, overstraalt de magere taal der mystiek mijn schraal bekleed gebeente.
In één lang gedicht verhaalt ten Berge over een aantal mystieke vrouwen uit de dertiende eeuw. Ze bewegen op de smalle lijn tussen extase en waanzin, tussen aanbidding en erotiek. De ene ‘rolt als een hoepel biddend door de straat’, een andere geeft een lapje dijbeen als amulet mee aan een vriend. Ten Berges toon heeft iets mythisch, je leest er fascinatie voor de tijdgeest en de mystica’s in.
Aan het eind vliegt de ‘ik’ in het gedicht de dertiende eeuw uit om te belanden bij Adelheid Langmann, een Duitse non die in de 14e eeuw in de abdij van Engelthal leefde. Is de ik hier Christus, of is hij toch de in de ban van de extatische vrouwen geraakte H.C.? Het wordt niet duidelijk wie het ‘hemels beest’ is, maar zinnelijkheid en mystieke vervoering gaan duidelijk hand in hand:
De langste cyclus van de bundel heeft als titel ‘O de aarde’. Het is een poëtische kroniek in 21 kortere en langere gedichten over het lot van de aarde en de manieren waarop ze geweld wordt aangedaan. Ook hier die mythische toon, maar ook gewoon een bezingen van diversiteit en de schoonheid van een sneeuwavond.
De cyclus waar de bundel z’n titel aan ontleent heeft als ondertitel ‘de metafysica van het licht’. Opnieuw krijgen we een onderzoek. Ten Berge verwijst naar middeleeuwse denkers die over licht schreven, komt uit bij het luminisme en bij Gorter en verwerkt ook zijn eigen lichtbeleving.
Kenmerkend voor ten Berges poëzie zijn een grote bewogenheid en engagement voor de thema’s waarover hij schrijft. Hij sleept je als het ware mee in zijn onderzoekende stijl en maakt je deelgenoot van zijn enthousiasme. Zijn taal is sprankelend zonder opzichtigheid, inventief en creatief. Hier en daar stuit je op woorden die neologismen lijken, maar wel degelijk blijken te bestaan: onland, woesting, slat, slamassel, vliedberg, horst, uurglas …
‘Splendor’ bevat ook een aantal poëticale gedichten, in elke cyclus is de dichter die reflecteert over zijn métier wel ergens aanwezig. Uit ‘De weg naar de woorden’:
Verder maken vergankelijkheid en sterfelijkheid deel uit van het geheel, maar niet, zoals dat bij oudere auteurs soms het geval is, onder de vorm van verzuchting of klacht. Ten Berge schrijft hier en daar op licht spottende toon over het verlangen om de dood te omzeilen en heeft blijkbaar een te grote levenlust en liefde voor de wereld om naar zwaarmoedigheid te neigen. Deze regels uit ‘Splendor’ vatten hem misschien wel mooi samen:
Ik oefen het lied van de aarde, veracht deze wereld nog niet.
Poëzievertalingen van hedendaagse dichters uit het Engels zijn tamelijk schaars. Geen spat mee te verdienen voor een uitgever? Iedereen kan toch wel genoeg Engels lezen om het origineel te begrijpen? Misschien wat van allebei. Het gevolg is dat Engelstalige dichters, hoe bekend ze in eigen land ook mogen zijn, nauwelijks tot bij ons doordringen. Tenzij ze een Nobelprijs winnen. Met Carol Ann Duffy (°1955, UK) is dat voorlopig niet het geval. Haar poëzie is herhaaldelijk bekroond en van 2009 tot 2019 was ze Poet Laureate, een eretitel die in het Verenigd Koninkrijk al bestaat sinds 1616. Duffy was de eerste vrouwelijke Poet Laureate (na drie eeuwen!), ze is Schotse, feministe en voorvechter van LGBTQ+-rechten.
In 1999 publiceerde ze ‘The World’s Wife’, een verzameling gedichten die allemaal geschreven zijn vanuit het standpunt van vrouwen. Vaak vrouwen van bekende mannen uit de wereldgeschiedenis of de mythologie. Van mevrouw Sisyphus tot mevrouw Freud, mevrouw Lazarus tot mevrouw Shakespeare. Toen ik ze las, kreeg ik spontaan zin om er een paar te vertalen.
Er zijn er hele korte bij. Mevrouw Icarus en Mevrouw Darwin handelen het met een paar regels en een kwinkslag af.
Mevrouw Darwin
7 april 1852
Vandaag een bezoekje aan de zoo. Ik trok hem aan zijn mouw – Zeg schat, iets in die chimpansee daar doet me beslist denken aan jou.
Mevrouw Icarus
Ik ben niet de eerste noch de laatste die op een heuveltje gaat staan kijkt naar de man die ze heeft getrouwd terwijl de hele wereld aanschouwt wat een absolute sufferd hij is, wat een eersteklas snoeshaan.
Andere gedichten zijn veel langer. De vrouwen komen erin naar voor als eigengereide karakters die het heft in eigen handen nemen. Koningin Herodes blijkt een drastisch bevel te hebben gegeven. Pontius Pilatus’ vrouw probeert ervoor te zorgen dat Jezus niet wordt gedood.
Pilatus’ vrouw
Om te beginnen zijn handen – die van een vrouw. Zachter dan de mijne met nagels als parels, als schelpen uit Galilea. Werkloze handen. Banale handen die wenken om druiven. Van hun bleke, motachtige aanraking kromp ik ineen. Pontius.
Ik verlangde naar Rome, thuis, een ander. Toen de Nazareeër zijn intocht deed in Jeruzalem glipten mijn dienstmeisje en ik naar buiten van pure verveling, vermomd, we sloten aan bij de opgehitste massa. Ik struikelde, greep de teugel van een ezel, keek op
en daar was hij. Zijn gezicht? Lelijk. Begaafd. Hij keek me aan. Ik bedoel hij keek mij aan. Mijn God. Je leven zou je geven voor zulke ogen. Toen was hij verdwenen zijn ruwe trawanten baanden een weg naar de stadspoorten.
De nacht voor zijn proces droomde ik over hem. Zijn bruine handen raakten me aan. Toen voelde ik pijn. Was er bloed. Ik zag dat elke eeltige handpalm doorboord was met een spijker. Ik werd wakker, bezweet, geil, angstig.
Laat hem met rust. Ik stuurde een waarschuwend briefje, kleedde me snel. Toen ik aankwam was de Nazareeër met doornen gekroond. De menigte joelde om Barabbas. Pilatus zag me, keek weg, rolde omzichtig zijn mouwen op
en waste traag zijn nutteloze geparfumeerde handen. Toen grepen ze de profeet en sleepten hem naar buiten, naar het Galgenveld. Mijn dienstmeisje weet al de rest. Was hij God? Natuurlijk niet. Pilatus geloofde van wel.
Koningin Herodes
Ijs in de bomen. Drie Koninginnen voor de poorten van het Paleis in bont gehuld, met vreemde accenten hun zwetende, hijgende beesten geladen voor een lange, harde tocht ze volgden de gids en de knecht naar de stallen hoffelijk, vol vertrouwen; oh, en met geschenken voor de Koning en de Koningin van hier – Herodes, ik – in ruil voor verzonken baden, bedden met gordijnen fruit, het beste vlees, de fijnste wijn dansers, muziek, gesprekken – uiteindelijk kwam het hierop neer iedereen in diepe slaap, behalve ik het levendige drietal – tot aan de bittere ochtend.
Ze waren wijs. Ouder dan ik. Wisten wat ze wisten. Zodra Herodes’ dronken kop achterover klapte vroegen ze om haar te zien vast slapend in haar wieg mijn kleintje. Zilver en goud het losse wisselgeld van haarzelf glanzend in de zachte schaal van haar gezicht. Gratie, zei de langste Koningin. Kracht, sprak de Koningin met de hennahanden. De zwarte Koningin maakte een kleine zeester van mijn dochters vuistje zei Geluk, staarde mij aan van Koningin tot Koningin, met ogen vol brutale lust.
Kijk uit, zeiden ze, naar een ster in het oosten – een nieuwe ster die de nacht doorboort als een spijker. Het betekent dat hij hier is, leeft, pasgeboren. Wie? Hij. De Echtgenoot. Held. Hengst. De Ideale Schoonzoon. Vrijer. Hartendief. De Huwelijkskandidaat. De Echtbreker. De Bigamist. De Wolf. De Ploert. De Gladjakker. De Rat. De Hartenbreker. Ladykiller. Mr Right.
Mijn baby roerde zich zoog lege lucht op zoek naar melk tot ik knielde en de zwarte Koningin mijn borst uit mijn jurk schepte de linker, ze naar beneden leidde naar het mondje van het kind. Geen man, zwoer ik zal haar een traan ontlokken. Daarbuiten klonk een pauwenschreeuw.
Naderhand leek het een droom. De sterk ruikende kamelen knielend in de sneeuw de ruwe kreet van de gids, scherp als een havik hij klapte zijn lederen handschoenen tegen elkaar spuwde, rukte de dampende kruik mede uit de handen van de gilletjes slakende meid – ze was twaalf, dertien. Ik keek hoe elke getulbande Koningin als een god haar rijdier besteeg.
Die nacht toen ik gespreid lag onder Herodes’ verstikkende gewicht zag ik in een flits weer de felle ogen van de zwarte Koningin haar dringende waarschuwing schroeide opnieuw mijn oor. Kijk uit voor een ster, een ster. Voorwaar, hij is hier …
Een hufterige kerel die haar hart komt breken, een pipse Prins die haar naam weghaalt haar een ring geeft, een prul, klatergoud. Ik liet de Stafchef komen een man uit de bergen met een rood litteken, als een knipperlicht in het gemene staren van zijn oog. Verzamel mannen en paarden messen, zwaarden, entersabels. Rijd van hier af naar het oosten en dood elke zoon van elke moeder. Doe het. Spaar geen een.
Middernacht. De kwetterende sterren rilden in een nerveuze hemel. Orion in het Zuiden altijd op de hoogte, die had gezien niet gezien, het allemaal al eerder had gezien de blaffende Hondsster op zijn hielen. Hoog in het westen een met diamant bezette W. En dan, zoals voorspeld opzichtig, driest, brutaal in het oosten – en blauw – de Ster van de Aanbidder.
We doen ons best wij Koninginnen, moeders moeders van Koninginnen.
Voor onze slapende meisjes waden we door bloed met ogen als dolken.
Hoor hoe achter onze wiegeliedjes de hoeven van de vreselijke paarden daveren en donderen.
In zijn essaybundel over poëzie ‘Het geheim van het vermoorde geneuzel’ schrijft Ilya Leonard Pfeijffer voor hoe gedichten allemaal niet horen te zijn. Eén van de no-go’s is ‘de dichter op vakantie’. Een normaal mens maakt foto’s, de dichter moet per se een reisgedicht plegen. Komt nooit goed, aldus Pfeijffer.
Zelf stel ik vast dat ik ver weg van huis doorgaans weinig poëzie schrijf. Op reis zijn indrukken snel, sterk en veelvuldig. Terwijl er voor poëzie net een toestand van evenwicht moet zijn tussen in beweging zijn en gaan liggen van de dingen, tussen innerlijke focus en een zekere afstand. Ik krijg wel eens de opmerking dat ik op reis vast veel inspiratie zal opdoen, maar behalve voor blogs lijkt dat dus niet zo het geval.
Wat niet wegneemt dat ik gebeurtenissen, plekken of beelden als poëtisch kan ervaren. En ik ze wie weet ergens in een diepere laag opsla waar ik ze te gepasten tijde ook weer uit naar boven kan halen. Geen idee of dat wel mag volgens Pfeijffer. We hoeven ons natuurlijk ook niet verplicht te voelen zijn (literatuur)pauselijke allures te erkennen.
Ik verlaat San Gimignano en vraag me zoals wel vaker tijdens reizen af: ‘Kom ik ooit terug op deze plek?’. Het is een gedachte die te maken heeft met vergankelijkheid, met de dood als je wil. Wat is er meer poëtisch dan de dood, het is één van de allergrootste thema’s van de poëzie. Terwijl ik daarover loop te denken zie ik plots, toeval of niet, het vogeltje liggen. Instant connectie met het recente verlies van mijn vader. Ik reis verder, hij niet meer. Is er een verband tussen die feiten, en welk dan? Ik voel de onverzettelijke tweespalt tussen zijn stilstand en mijn beweging.
In Siena vind ik het een beetje jammer om niet – zoals eerdere keren – pal in zo’n mooi steegje in het historische centrum gelogeerd te zijn. Maar het heeft ook voordelen. Ik ontdek de Fonte Nuova, ooit onderdeel van de watervoorziening van deze stad, nu een stille plek die blijkbaar niet in de reisgidsen staat. Water dat geen nutsvoorziening meer hoeft te zijn en gewoon poëzie mag worden.
De stem van de mannelijke stationsomroeper, in heel Italië klinkt die hetzelfde, en toch ook niet als een computerstem. De mededelingen zijn gedetailleerder dan in welk ander land ook waar ik gereisd heb. Nummer van de trein, herkomst, bestemming, haltes, vertrektijd, perron. De poëzie van de spoorwegtaal: proveniente de (afkomstig uit), in arrivo al binario nove (komt aan op perron negen). En dan dat heerlijke ‘allontanarsi dalla linea gialla’ (blijf weg van de gele lijn). Wanneer ik in België ben is mijn ogen sluiten en denken ‘allontanarsi dalla linea gialla’ genoeg om mij even naar Italië te teletransporteren.
Een poëtisch moment in de bus: een vrouw met een kleurtje wil instappen met een baby van een maand of 7-8 en een ingewikkelde buggy. Ze kijkt vragend naar de chauffeur, die de andere kant opkijkt. Ik vraag of ze hulp nodig heeft. Ja, graag. Ik verwacht het tillen van de buggy, maar ze steekt zonder aarzeling de baby naar me uit en begint zelf de buggy in te klappen. De baby zweeft tussen buiten en binnen en belandt op mijn schoot, een gevoel van lang geleden. Hij lijkt totaal niet onder de indruk om plots aan een onbekende witte vrouw te zijn toevertrouwd. Hij ruikt naar schone kleren en baby en wacht rustig af tot zijn moeder haar armen weer vrij heeft.
Kan afval poëzie worden? Een bak van plexiglas waarin een sneeuwbui van afgescheurde museumtickets. Als je hem middenin een zaal zet, wordt hij een kunstvoorwerp.
De vrouw die eeuwig tussen binnen en buiten achter het gordijn staat. Je wordt een beetje een voyeur, maar ze wil ook wel gezien worden.
De kleurige poëzie van de was. Benedenverdieping.
Bovenverdieping. Ook automatjes moeten af en toe een beurt krijgen.
Zondag en er hoeft helemaal niets. Geen staptocht, geen vooruitzicht om vanavond elders te zijn. Na passages in 2022 en 2023 – en een allereerste in 1986 waarvan ik alleen nog wat losse beelden heb – voelt Siena een beetje als een alternatieve thuis. Ik maak graag reclame voor Italiaanse steden waar ik eerder was – Genua, Bologna, Napels, Sorrento, Bari, aangevuld met Ravenna tijdens deze reis – maar Siena is een ‘specialleke’. Het stadsbeeld, de sfeer, de uitzichten, pleinen, kerken maken stilaan deel uit van mijn innerlijke bedrading. Telkens wanneer ik er ben, word ik een kerstboom waarin de lampjes van herkenning oplichten. Misschien bestaat er zoiets als ‘plekvreugde’, het bijzondere gevoel van vervulling dat je kan hebben in een vertrouwd landschap of een stad waar je van houdt. In Siena ervaar ik plekvreugde.
De meeste musea en bezienswaardigheden heb ik hier al ‘gedaan’, sommige meer dan eens, dus er is geen enkele druk om lijstjes af te werken. Ik ga zonder plan de deur uit. Een dag in Siena moet wel steevast beginnen op de Piazza del Campo, gewoon een beetje zitten en rondkijken is genoeg. De gezinnen met kinderen, groepen toeristen met gids, de visgraatsteentjes, de toren van het Palazzo Pubblico, het klokje in de Torre del Mangia dat elk half uur een onmelodieus geklep laat horen, als een kapotte gitaarsnaar.
Wanneer ik de Campo oversteek komen plots zwaaiende armen in beeld op een terras. Het zijn JL en A, het Franse koppel dat ik leerde kennen tijdens het stappen. We hebben gisteren afscheid genomen, maar blijkbaar moeten we dat nog een keer opnieuw doen. Ik moet gaan zitten en iets meedrinken. We babbelen nog wat en dan moeten zij echt weg, richting station.
Siena is vol vlaggen en tromgeroffel, niks ongewoons voor een stad die leeft op het ritme van de feestdagen van de patroonheiligen van de stadswijken. Elke keer dat ik er was, zag ik wel een optocht of werd ik midden in de nacht uit bed getrommeld.
In de onopvallende kerk tegenover de Duomo ben ik nog nooit geweest. Tot mijn verrassing zijn er twee werken van Berlinde De Bruyckere tentoongesteld (Mantel I en II).
Een bezoekje aan de Duomo (Cattedrale di Santa Maria Assunta) met haar karakteristieke banden van wit en zwart marmer kan echt niet worden overgeslagen. Vaak vergt het geduldig aanschuiven voor een ticket en dan nog een keer een lange rij om binnen te raken, maar op dit uur is het verbazend rustig. Ik koop een combiticket waarmee ik ook de cripte, het baptisterium en nog wat andere dingen kan zien die ik niet eerder zag. Binnen blijkt een groot deel van de prachtige marmeren vloeren afgeplakt met tapijt en bedekt met stoelen. Dat verklaart waarom het ticket 2 € goedkoper was dan normaal. Ik ben blij dat ik het allemaal al eerder heb kunnen bewonderen. De Sybillen in de zijbeuken zijn nog wel te zien.
De Duomo staat op een plek waar in de vroege middeleeuwen al een katholieke kerk stond. In verschillende fases werd er bijgebouwd en uitgebreid tot in de 12e eeuw de huidige vorm ontstond. Indrukwekkend genoeg, maar de ambities van de Siënezen reikten nog verder. Het plan was om de kathedraal op te nemen in een complex dat dubbel zo groot zou worden. De bouw ervan werd gestart, maar de werken werden in de 14e eeuw definitief stopgezet, onder andere wegens de pest die in 1348 huishield. De onvoltooide vleugel ziet eruit als een enorme façade die aan de kathedraal vasthangt en die je via smalle wenteltrapjes kan beklimmen. Helemaal boven kan je genieten van het Panaroma del Facciatone. Aan de ene kant kijk je richting Campo, aan de andere richting kathedraal. Leuk om nog iets nieuws te ontdekken.
Eerder tijdens mijn reis legde ik mezelf een streng verbod op om andere dingen dan voeding te kopen. Met vier stapdagen in het vooruitzicht kon ik me absoluut geen extra kilo’s in mijn rugzak veroorloven. Nu mag het wel. Een paar Italiaanse boeken kopen bij Libreria Senese, daar heb ik echt naar uitgekeken. Mijn Italiaans is nog steeds heel basic en over een roman kan ik maanden doen, maar het plezier van in de oorspronkelijke taal lezen maakt dat goed.
De dag gaat verder op aan ronddwalen, allerlei bekende plekken opzoeken, nog wat foto’s maken terwijl de avond valt, de laatste pizza op een straathoek, het laatste ijsje. Er was regen voorspeld, maar het is de hele dag droog gebleven. Morgen gaat het richting noorden, overmorgen huiswaarts.
Laatste stapdag. Iets meer dan 20 km vandaag. Het is minder warm dan gisteren, prettig stapweer. Een opvallende aanwezigheid in deze tijd van het jaar, in allerlei kleuren, langs de weg en in privétuinen: irissen. Blijkbaar zijn ze typisch voor Toscane, dat wist ik niet.
Castello della Chiocciola. Spreek uit: Kiotsjola. Eén van de forten die in de middeleeuwen als voorposten van de Republiek Siena werden gebouwd.
De rode klaver bloeit.
En ook het zoveelste landschap met wijngaarden of olijfbomen gaat niet vervelen.
De aanloop naar Siena zelf is lang en er moet weer een heel vervelend voorstedelijk stuk route afgelegd worden. Op veel plaatsen zijn er geen stoepen en zijn de grasbermen tamelijk steil, zodat je als stapper overgeleverd bent aan de langsscherende auto’s. Maar uiteindelijk is het historische centrum in zicht. De Porta Camollia staat verwelkomend open.
Nog even de laatste honderden meters en daar is het vertrouwde Piazza del Campo.
Rugzak afgooien, net als iedereen hier gewoon een plekje uitkiezen op de grond en eerst even uitblazen. En oh ja, ook een beetje trots zijn dat de net geen 90 km Via Francigena vlotjes zijn afgelegd. Op een totale lengte van 1700 km tussen Canterbury en Rome is het peanuts, maar de basis voor meer is alvast gelegd.
Stapdag twee is de lichtste van vier, nog geen 15 km te gaan, zorgeloos aan de dag beginnen dus met ontbijt in het romantische tuintje van de B&B. Een koppel wenkt, of ik zin heb om bij hen aan te schuiven in plaats van alleen aan een tafeltje te zitten. Het blijken Australiërs. Op basis van mijn accent gokken ze dat ik Scandinavisch ben. We genieten van de verwennerijen die voor onze neus worden gezet en hebben het over onze volwassen kinderen en onze stapervaringen.
Wanneer ik goed en wel op pad ben, spreekt een man mij aan bij een agrotoerisme-boerderij. Heb ik credenziali nodig? Hij bedoelt of ik een stempel wil in een specifiek Francigena-boekje, als bewijs van een afgelegde etappe. Ik heb geen behoefte aan boekjes of stempels. In de B&B stelden ze me die vraag ook, voor de lol heb ik dan maar een stempel op mijn arm gezet. Ik laat die zien aan de man, maar hij kan er niet om lachen. Hij vraagt of ik naar Rome ga. Nee, ik ga tot Siena. En daarna gaat u niet naar Rome? Euh nee. Hij besluit dat ik geen pellegrino ben dan, wel een turista. Pelgrim blijkt hier een beschermd statuut dat ik niet zomaar kan claimen. Het zij zo. En pelgrim of toerist, de uitzichten onderweg zijn hetzelfde.
Op enkele kilometers van San Gimignano haal ik een Frans koppel in dat ik eerder ben tegengekomen. We leggen samen het laatste stuk af en maken nader kennis. Aan de Porta San Matteo gaan onze wegen uiteen, maar we spreken af om ’s avonds samen te aperitieven en daarna iets te eten.
In San Gimignano ben ik twee jaar geleden al een keer geweest. Het stadje lijdt een beetje aan het Venetië-syndroom: op ieders bucket list wegens onweerstaanbaar charmant en overspoeld door dagjesmensen die met busladingen worden aangevoerd tot aan de rand van het ommuurde historische centrum. Fast tourism. Wat niet wegneemt dat het op zich een prachtige plek blijft met die karakteristieke torens en pleinen en de vergezichten over het Toscaanse landschap.
Van de tientallen torens die er ooit waren, staan er nu nog 14 overeind. Een toren bouwen was voor rijke middeleeuwse families een statussymbool. Ze gaven soms ook aanleiding tot vetes en afgunst, en wanneer een familie in conflict raakte met het stadsbestuur kon een toren zonder pardon worden afgebroken als strafmaatregel.
Ik ontdek een rustig plein dat blijkbaar niet op het toeristische circuit ligt en nodig A en JL, de Fransen, uit om daar iets te drinken. Na meer dan een week alleen reizen is het toch wel een verademing om een keer gezelschap te hebben. We maken het niet te laat, want morgen moet er meer dan 30 km gestapt worden.
Dag 11. Ik vertrek om kwart over 8. Op dit vroege uur ligt de Piazza del Duomo nog verlaten in de ochtendzon.
Aan het einde van de dag zou ik in Monteriggioni moeten aankomen, maar daar heb ik geen logies kunnen vinden. Daarom moet ik noodgedwongen met de bus terug naar San Gimignano, om morgen weer naar Monteriggioni terug te keren, startpunt voor de volgende etappe. Het heeft als enorm voordeel dat ik mijn grote rugzak niet hoef mee te zeulen. Hoogst welkom op een dag waarop er meer dan 30 km moet worden afgelegd bij 27°.
De tocht is heel gevarieerd. Eerst even omkijken naar San Gimignano.
Dan verder.
Ongeveer halfweg ligt Colle di Val d’Elsa. Het mag gerust op het lijstje van kleine steden met de mooist bewaarde historische centra in Toscane.
Het wordt stilaan tijd om te eten en mijn kennis van vorige bezoeken aan deze streek helpt me. Onwaarschijnlijk, maar toch zo: onderaan de steile afdaling uit het centrum van Colle ligt een bijzonder prozaïsche hypermarkt aan een druk rond punt. Een kwartier volstaat om een picknick te vinden en zowaar een wc-beurt te scoren. Ik haast me de stadsdrukte uit want ik weet dat vlakbij het Parco Fluviale di Colle di Val d’Elsa ligt. Ik ben hier twee keer eerder geweest en elke keer opnieuw vind ik het weer even prachtig: de bijzondere kleur van het water, de inhammetjes waar je even rustig kan gaan zitten (en eten en je schoenen uittrekken en je voeten in het water laten bungelen), de plekken waar je je bijna in Brazilië waant.
Na een paar kilometer gaat het weer verder door bossen en velden. Terwijl ik voor de middag heel wat andere stappers ben tegengekomen lijkt het nu alsof iedereen in het Parco Fluviale is blijven zitten. De vele kilometers in combinatie met de zon beginnen te wegen. Het eerste uitzicht op Monteriggioni in de verte geeft weer moed.
Het is na vieren wanneer ik eindelijk bij de omwalling sta.
Monteriggioni is een middeleeuws bolwerk, het is maar een paar straten groot en in enkele minuten loop je van de ene poort naar de tegenoverliggende.
Ik rust even uit, maar moet dan buiten de muren op zoek naar de bushalte om terug in San Gimignano te geraken. Ik heb geluk, er blijkt nog welgeteld één bus die kant op te gaan, om 17u42. De terugrit duurt nog geen uur.
Ik voel me te moe om op restaurant te gaan, maar niet eten is ook geen optie. Ik volg een tip van de eigenares van mijn verblijfsplek en vind in een rustig straatje vlakbij een klein terras. Alles gaat vlot en vriendelijk, ik stel nog maar een keer vast hoe eenvoudig en goed je in Italië kan eten. Pasta is een voorgerecht, maar met twee contorni erbij – gesauteerde spinazie en Toscaanse boontjes – stilt het de honger van een dag stappen.
De dagen vloeien in elkaar in mijn hoofd. Wat was gisteren, wat eergisteren? Zo lang ik in Ravenna was, was elke dag een mozaïekdag. Wat zo geweldig is aan die mozaïeken: als je je niet zo aangesproken voelt door alle religieuze taferelen kan je ook alle decoratieve randen, geometrische patronen, het vogeltjesplafond, de bloemenhemel bewonderen.
Gisteren was er nog even tijd over voor de trein naar Bologna, daarna Firenze, en ten slotte San Miniato vertrok. Wat kunnen we in een uurtje nog doen? Hedendaagse mozaïeken kijken natuurlijk. Inspirerend om te zien hoe kunstenaars in deze streek blijven zoeken naar een weerwoord op / herinterpretatie van een meer dan duizend jaar oude traditie (La casa di Giosetta, Giosetta Fiorini / Hybrid VII, Michela Tabaton Osbourne / Unicorno, Dusciana Bravura).
Opgeladen door al die kunst en cultuur gaat het nu richting natuur. In een paar uur treinen verlaat ik Emilia Romagna en kom ik aan in het Toscaanse San Miniato. Nooit van gehoord? Ik ook niet voor ik besloot bij wijze van experiment vier dagroutes te stappen van de Via Francigena (accent op de i, ontdekte ik nadat ik het al een jaar of twee over de ‘Francigéna’ had, Italiaanse klemtonen kunnen tricky zijn). Het voelt alsof ik in de lente in de trein ben gestapt in Ravenna en nu uitstap in de zomer. Hier is het voelbaar warmer, minstens 26-27°.
Ik neem de bus naar het Convento San Francesco, waar ik een kloosterkamertje voor de nacht heb geboekt. In kloosters logeren is in Italië een interessante budgetformule. Basic, maar doorgaans wel ok. In dit geval hangt het douchegordijn een beetje halfstok en blijft het toilet wel heel lang doorspoelen, maar ik heb eigen sanitair en krijg zelfs een colazione (ontbijt), al blijkt dat weinig voor te stellen. De broeders franciscanen krijg ik niet te zien.
En dan volgt het moment waar ik me al de hele reis een beetje benauwd over voel: rugzak op de rug en stappen. Eerst is er nog een kwartier meet- en paswerk nodig en moeten er nog wat ritsen overgehaald worden om mee te werken. Tot nu toe was er altijd de redding van een extra tasje waar alle overblijvende rommel in kon, maar 23 km stappen met zo’n slingerend tasje aan mijn schouder is geen optie. Wanneer ik mijn rugzak van de grond optil, krijg ik zowat een hartverzakking. Maar zodra hij op mijn rug zit en alle riemen en gespen netjes aangetrokken zijn, gebeurt er een klein wonder. Ik word een pelgrim, geen gezeur, we doen dit wel even.
In het begin heb ik de neiging om nauwgezet mijn Francigena-app te checken, ik heb het idee dat ik in mijn eentje vast verkeerd loop. Na een tijdje laat ik het los en check ik alleen nog bij twijfel. Ik haal wat andere stappers in en kom op tempo. De kilometers glijden net als het golvende landschap voorbij.
Het is best wat stijgen en dalen maar altijd geleidelijk. Alleen de laatste kilometers wordt het echt zwaar: er is geen bescherming tegen de zon en er moet worden geklommen. Italiaanse stadjes met een historisch centrum hebben hier nogal de neiging op een heuvel te liggen en met Gambassi Terme is dat niet anders.
Ik was voor half 9 al aan het stappen en kom tussen 2 en half 3 aan. Ik ga de kerk in en blijf er minstens een half uur afkoelen voor ik op zoek ga naar mijn verblijfsplek. Pelgrims kunnen kerken ook voor andere dingen dan gebeden waarderen.
Je beschrijft de opvallende dingen, de toeristerige, de must-see-dingen. Je beseft dat het een filter is. Dat er ook een ander filter mogelijk is en er dan andere dingen op de voorgrond komen.
Het moment dat de dame van de boetiek de ingewikkelde lichtblauwe jurk over de borsten van de paspop drapeert en dan ter hoogte van haar hals zonder hoofd een paar oorbellen hangt.
Het bankje met het citaat van Schopenhauer.
Het gestolen moment bij de mozaïeken in de kathedraal na sluitingstijd (maar de deur stond nog open).
De security-man in de supermarkt die je uitfoetert omdat je de broodjes met je handen vastpakt. Je vond geen tangen en had niet gezien dat je geacht werd een plastic handschoen te gebruiken.
De geuren die sterker lijken dan thuis: vanille en schoonmaakmiddel, rauw vlees en versgebakken pizza, parfum en rijpe kazen.
De man van de brillenreclame die je altijd doet glimlachen wanneer je hem in het straatbeeld tegenkomt.
De winkeljuffrouw die je een beetje scherp ‘Signora!’ achternaroept omdat je de broodjes hier net als fruit en groenten op de weegschaal moet leggen en een ticket afdrukken.
Het moment dat je bij een verlaten bushalte staat te wachten 10 km buiten het centrum, je afvragend of je de dienstregeling op het vodje papier achter het stoffige glas mag vertrouwen en de bus exact op het verwachte moment opdaagt.
Het plein waar tekeningen van vrouwen die vermoord werden door hun partner aandacht vragen voor femicide.
Het meisje in de ijsjeszaak dat je ijsje aangeeft en zegt: wees voorzichtig, er zit een dik stuk koek in het biscotto-ijs.
Het strand dat naar de grote Italiaanse dichter is vernoemd en uitzicht geeft op een boorplatform.
Je Italiaanse lievelingsdrankje. Je kent maar één plek in België waar ze het – soms – hebben.
Die kunstenaar van wie je op andere plekken in Italië ook al beelden bent tegengekomen en die je altijd doet stilstaan, letterlijk en figuurlijk.
(Hier zit ik te schrijven: Parco Rocca Brancaleone. Een ongedwongen park binnen de muren van een 15e-eeuws fort. Er zijn speelplekken voor kinderen, een bar met een terras, grasvelden waar het gras gewoon mag groeien. Veel leuker dan binnen zitten schrijven bij dit weer.)
De dag begint wat kwakkelig met wachten tot de supermarkt opengaat – ik verblijf nu eenmaal niet in viersterrenhotels met ontbijtbuffet – en daarna naar mijn zin veel te lang researchen voor ik beslis hoe ik de dag ga aanpakken. Ravenna is ook weer een Unesco Werelderfgoedstad. Er zijn hier maar liefst acht plekken die op de lijst staan. Verzamel ze allemaal, uw tijd gaat nu in, start. Wijzer geworden door de gemiste Giotto-fresco’s in Padua heb ik eergisteren meteen online een combiticket voor de mozaïeken geboekt. Ik stel vast dat er eentje vlakbij is, in een kerk waar ik gisteren voorbij ben gestapt vanaf het station. Laten we daar maar starten. Een bescheiden kerkje aan de buitenkant, Sant’Apollinare Nuovo.
Ik stap argeloos naar binnen en word volkomen omvergeblazen. Natuurlijk heb ik wel eens foto’s van die mozaïeken gezien, maar in het echt zijn ze waanzinnig mooi. Alsof ze gisteren zijn gemaakt, levendig, sprankelend, kleurig. En dan ook nog al dat goud, de vele details. In elke reis zitten momenten die iconisch zijn, momenten waarop ik dingen zie of beleef die zich diep inprenten, en ik weet meteen dat dit zo’n moment is.
Of misschien beter: zo’n dag. Hij wordt helemaal ingekleurd door de mozaïeken. Basilica San Vitale. Heel de vloer is een tapijt van mozaïeken.
Alsof dat volstond. Kijk omhoog.
Voor de middag kan ook de Sint-Franciscuskerk er nog bij. Binnen is er een rij bij een trapje dat naar een ondergrondse doorkijk leidt. Ik weet niet wat er te zien is, maar ik ga maar mee met de stroom. Dit is er te zien (let op de goudvissen).
Na de middag maak ik een wandelingetje buiten de stadsmuren, naar het mausoleum van Theodorik de Grote, koning van de Ostrogothen. Hij veroverde Ravenna in de 6e eeuw en vestigde zich er.
Even pauze en tekenen. Wat is dat moeilijk, zo’n driedimensionaal gebouw. Kan iemand me dat een keer fatsoenlijk aanleren? Hm, het dak geraakt er niet meer op.
Theodorik bracht ook zijn godsdienst, het arianisme mee, een afsplitsing van het katholicisme. In het arianisme werden de drievuldigheid en de goddelijke aard van Jezus niet erkend, volgens de arianen was Jezus gewoon een mens. Na al die eeuwen staat hun baptisterium er nog altijd, op een wat verloren plek op een binnenpleintje bij een bar, en het heeft een mozaïek in het plafond. Het zit niet in het combiticket en dat is merkbaar. Er staat geen rij aan de toegang en ik ben even helemaal alleen in de kleine ruimte.
Wat kan ik nog doen? Ik sta achter met bloggen en besluit in te halen. Op de terugweg vanaf het Theodorik-mausoleum kwam ik langs Rocco Brancaleone en daar ga ik nu naar terug, het leek een leuke plek om wat te gaan zitten. (Voilà, de cirkel is rond).
Maar de dag is nog niet om. Terugkerend naar ‘huis’ besluit ik te gaan eten in het restaurant naast mijn affittacamere (letterlijk: kamerverhuur). Beide worden door dezelfde artistiek ogende man (zwarte kleren, warrige haardos, hoed) uitgebaat. Een knappe vrouwelijke kelner brengt mij met een grote glimlach – niet altijd verzekerd wanneer je in Italië gaat eten – naar een tafeltje waar ik me als solo-eter niet bekeken zal voelen. Ik kan wel makkelijk de andere eters observeren: een groepje van drie oudere koppels, een gezelschap van zes mannen, wat koppels. Ik hoor alleen maar Italiaans, een goed teken. Op restaurant eten is een bijzondere oefening in alleen zijn, het vergt sowieso een beetje moed, je bent je noodgedwongen bewust van jezelf. Je vindt geen herkenning, want meestal ben je de enige alleeneter. Je kan je maar beter voorbereiden op de lege momenten (terwijl je op je eten wacht of met een leeg bord voor je neus zit) dus een boek of een schrijfboekje zijn handig gezelschap. Het voordeel van alleen eten is wel: je kan het niet gedachteloos doen. Ik zal me de cappelletti con asparagi herinneren, en nu weet ik eindelijk hoe torta della nonna smaakt.
Wanneer ik opsta, is het bewolkt, maar droog. Ik besluit dat het niet meer gaat regenen en verban mijn regenjas naar de catacomben van mijn rugzak. Mijn dagplan houdt in om vanavond pas in Ravenna aan te komen, wat betekent dat ik de hele dag die rugzak moet meedragen. Ik heb er weinig zin in, maar zie het als opwarming voor de vier stapdagen die mij te wachten staan volgende week.
Kwestie van wat inhaalwerk te doen op de Unesco-Werelderfgoedlijst ga ik voor ik Padua verlaat nog de Orto Botanico bezoeken. Altijd een beetje dubbel om in mijn eentje te doen, zoiets. Ik beschouw botanische tuinen als natuurlijke habitats van mijn partner de BMF (bomen- en plantenfluisteraar) en als plekken waar ik niet helemaal thuis hoor. Een vreemd gevoel. Elke keer ervaar ik een lichte stress, alsof ik voor twee moet kijken en ervaren, wetend dat mijn zintuigen niet tegen die taak opgewassen zijn. Tegelijk mis ik de BMF dan ook wel. Deze Orto Botanico staat onder andere op de werelderfgoedlijst omdat het de oudste botanische tuin in Europa is die zich nog op de oorspronkelijke plek bevindt. Het centrale gedeelte is rond en ommuurd en onderverdeeld in een geometrisch patroon . Op verschillende plekken zie ik mensen aan het werk, alles ziet er schitterend onderhouden uit.
Ik heb gepland om op de middag de trein te nemen naar Ferrara en daar een tussenstop te maken. Ik hoef me niet te haasten en laat mij verleiden wanneer de geur van versgebakken pizza uit een kleine snackbar waait. Soloreizen heeft mij geleerd om dit soort impulsen altijd te volgen. Bedenken dat het nog geen etenstijd is of er verderop vast nog iets lekkers te vinden is, leidt meestal tot spijt achteraf. Leve de Italiaanse gewoonte om grote pizza’s in rechthoeken te snijden en als street food te verkopen. Ik kom er niet uit of ik moet hopen dat het ook in onze contreien doordringt of dat het toch maar exclusief bij de Italiësfeer moet blijven horen.
Na een uur treinen kom ik aan in Ferrara. Het ligt op mijn route en zou een bezoek waard zijn, dus ik wil er niet zomaar voorbij sporen. Ik heb me voorgenomen om wat rond te dwalen en geen ambities te koesteren om iets specifieks te bezichtigen. Er is een kasteel (Castello Estense), een Palazzo dei Diamanti, een Cattedrale in de steigers, een typisch plein. Ook een kleine Orto Botanico die er wilder en romantischer uitziet dan die in Padua. De rugzak weegt op mijn rug en ook wat op mijn gemoed. Ik probeer mezelf gerust te stellen dat er kilometers mee malen vast veel beter zal meevallen dan slenteren in een stad. Wanneer ik op weg ga naar het station gebeurt er een wonder: de zon breekt door de wolken. Alles ziet er plots zo anders uit dat er een ijsje bij hoort.
Op een plein blijf ik hangen. Een leeg terras bij een gesloten café is een welkome zitplek. Verderop oefent een groepje jongeren choreografieën met vlaggen. Het doet mij denken aan Siena, waar dit een heel vertrouwd zicht is. Het gaat er losjes aan toe, de vlaggen worden meestal opgevangen maar vallen ook regelmatig, af en toe ziet het er allemaal strak uit. De begeleider is een oudere man. Mooi om te zien hoe ernstig deze tieners het erfgoed van hun stad aanleren van generatie op generatie. Wanneer ik bijna bij het station ben, hoor ik trommelgeluid vanaf een schoolplein, wat ik ook weer associeer met Siena, en wel met de palio, de paardenrace die daar elke zomer plaatsvindt. Wanneer ik het later opzoek, blijkt dat ook Ferrara een jaarlijkse palio heeft en het net als in Siena een wedstrijd tussen stadswijken is, die elk hun trommelaars en vlaggenzwaaiers hebben en een jockey en paard inhuren.
De verdere treinreis naar Ravenna duurt een kleine anderhalf uur, maar voelt een stuk langer: het eerste kwartier brult een kind aan één stuk, de trein is een Regionale en maakt dus veel stops, bijna iedereen stapt na enkele haltes weer uit behalve ik. In Ravenna is het zonnig en aangenaam warm. Kan ik de (Adriatische) zee ruiken? Niet echt, de stad ligt een stukje landinwaarts. Mijn verblijfsplek voor de komende drie nachten is snel gevonden. De eigenaar brengt mij via een rommelig binnenplaatsje naar een heel ok’e kamer. Ik ga nog wat op eerste verkenning, stel vast dat Ravenna net als Padua bijzonder geanimeerd is op een avond in het weekend en verkeer een beetje in etensnood. Geen zin om op restaurant te gaan, maar wat zijn de alternatieven? Het wordt een piadina (gevuld platbrood, de lokale tortilla zeg maar) met een Birra Moretti. Niet bijzonder lekker, maar soms is de honger stillen op een terrasje en opgenomen zijn in de avonddrukte al meer dan genoeg.