
Vertrekken is altijd een beetje griezelig, al helemaal wanneer je alleen vertrekt. Een stakingsdag van de spoorwegen maakt het er niet beter op. Ik dacht dat ik met de Eurostar vanuit Brussel wel veilig zou zitten, maar dat bleek niet te kloppen. Enkele dagen geleden kreeg ik het bericht dat mijn trein afgeschaft was. Omboeken naar de trein van een half uur vroeger dus, want in Parijs moet de aansluiting richting Zwitserland gehaald worden. Concreet: om 6u30 stap ik met lodderoogjes in de eerste trein van vier.
Wonderwel loopt alles als een – nee, die is echt te flauw. Zowel de trein naar Brussel als de Eurostar zijn stipt en om 9u05 sta ik al in Parijs Gâre du Nord. Transfer naar Gâre de Lyon en 40 minuten wachten. Onderweg kom ik een landgenoot tegen.

In de hal van het Gâre de Lyon loopt een gedrongen vrouwtje rond met grijs haar in een knot. Ze bedelt bij een groepje oudere Amerikanen, die haar straal negeren. Wanneer ze naar mij toekomt, geef ik haar wat kleingeld en vraag of ze een appel wil. Nee, ze heeft problemen met haar tanden en kan die niet kauwen. Maar ze wil wel graag een broodje uit de Monoprix vlakbij, heel goedkoop daar. Ik laat me meevoeren. In het supermarktje kiest ze zonder aarzelen twee pakken koekjes, stevent dan naar de koelkasten en grijpt een flinke verpakking sushi. 19,90 € zie ik op het prijskaartje. Ho, stop, dit ga ik niet betalen. Ze maakt een sussend handgebaar, legt de sushi terug en zeilt naar een andere koelkast, grist een bakje voorgesneden mango’s mee en dan vind ik het welletjes. Ik betaal en besluit dat ik alvast een aantal goeie daden voor lig op schema. Ze bedankt en verdwijnt meteen.
In de Eurostar richting Dijon zie ik het landschap veranderen: dorpjes tussen heuvels, knalgele koolzaadvelden, bossen, kleine kerkhoven.
In de trein: mensen kijken. Mijn tekenkunsten zijn middelmatig tot zwak, maar van tekenen word ik bijna altijd blij. Ze zit enkele stoelen verderop en heeft haar sjaal als een soort exotische hoed om haar hoofd gewikkeld om de wereld buiten te sluiten. Gelukkig is mijn tekening klaar voor ze gaat knikkebollen.

Voorbij Mulhouse rijden we Zwitserland binnen. Exact op tijd komen we in Zürich aan. Ik heb me ingesteld op 35 minuten wachten op de aansluiting naar Lugano, maar over 7 minuten is er ook een trein. Ik moet nog wennen aan de Interrail-app op mijn telefoon, maar hij doet het vlekkeloos: met enkele instructies en wat klikken neemt hij de trein die ik niet voorzien had te halen in mijn reisroute op en maakt hij een nieuw ticket voor me aan. Allemaal offline, wow. Kan ik zomaar instappen? Gewoon doen!
De deuren klikken dicht en plots overvalt het mij: reisgevoel! Alles is heerlijk onvertrouwd: de indeling van de treinstellen, de bekleding van de stoelen, de uniformen, het uitzicht op het Zürich-meer met zon die schittert op het water. De treinbegeleiders blijken hier al Italiaans te spreken en het landschap verandert alweer. De industrie die in het noorden van Zwitserland alomtegenwoordig was, maakt plaats voor meren, bergen, nog meer meren en bergen, kleine stadjes, valleien.

Aankomst in Lugano om 16u28. Wanneer ik uitstap, voelt de lucht lauwwarm, de sfeer op het perron is zomers. Het station ligt boven het stadscentrum.

Ik slaag erin zonder google maps mijn verblijfsplek te vinden – roaming is duur in Zwitserland -, gooi mijn rugzak af en ga de stad in. Lugano blijkt netjes op z’n Zwitsers en charmant op z’n Italiaans en heeft een zonovergoten park aan het meer dat na al die treinuren als een zalige beloning voelt. Verder wordt het lukraak dwalen, wat ontbijtshopping en enkele kerkjes. Ook daar voel ik hoe dicht we bij Italië zijn. De kerken zijn allemaal open, er speelt geen muziek, ze hebben oude houten banken zoals het hoort en ik ga vanzelf even zitten. Hallo God, ben je thuis?
