
Alleen al het omslag van deze bundel onthult allerlei, ook al bestaat hij voornamelijk uit saai grijs karton. Om de titel ga ik spontaan glimlachen, ik zet hem voorlopig op nummer 1 in de lijst van mooie titels. Als de omleiding de te volgen richting is, en het woord ‘omleiding’ op z’n kop staat, verwacht ik vanzelf dat hier een dichter aan het werk is die de rechte lijnen loslaat en een speelse insteek heeft. Dat hij de hoofdletters in zijn naam opgeeft, zegt ook iets. Alsof ook hij deel uitmaakt van de onstandvastigheid. Er is ook een motto, van Italo Calvino:
‘Alleen nadat je de oppervlakte der dingen hebt leren kennen – concludeert hij – kun je doordringen tot wat eronder ligt. Maar de oppervlakte der dingen is onuitputtelijk.’ Een citaat uit ‘Palomar’, een vroeg filosofisch werk van Calvino over de aard van de werkelijkheid. Hier lijken we al meteen in de omleiding te belanden. Er wordt ons dieper doordringen beloofd, maar tegelijk wordt er een barrière opgeworpen.
Op de achterflap van de bundel heet het dat bob vanden broeck zoekt ‘naar een ruimte waar taal en omgeving elkaar in beweging kunnen brengen.’ En ‘Hij verzamelt opdat er iets kan ontbreken: steeds weer ontsnapt de werkelijkheid aan zichzelf in zichzelf‘. Klinkt tamelijk abstract allemaal, maar wanneer je begint te lezen, wordt het helderder. Hier het eerste gedicht van de bundel, die niet in cycli is opgedeeld.
een camera draait driehonderdzestig graden om zijn as op
een marktplein draaien hijskranen als passers
kleine groepjes mensen rond elkaar pirouettes
op een besneeuwde straatstoep in herentals
een marktkramer is een boom van een vent, zijn stem
hecht zich aan een verkeersbord waarop een uitroepteken staat
omgeven door een eeuwige zondag
duwen pubers elkaar in het water, de opspattende vrijheid
waar spieren in a bigger splash verdwijnen
de vloeibare ruimte boven de verhitte fietspaden
het moerassige gebied tussen droom en werkelijkheid
enkele ogenblikken voor ik de slaap kan vatten
daal ik spiraalsgewijs naar beneden op bergwegen
valleien gevuld met wijnranken cipressen lavendelvelden paarse schapen
de laatste wolkjes worden door de zon
naar de rand van de heldere hemel gedreven
de spuitende fonteinen op een marktplein
een kudde walvissen in de ondergrondse parking
boven een muur komt een boomkruin piepen en daarboven
vertakt een appartementsblok in een woud van schotelantennes
een duif klimt omhoog met haar houten vleugels
op de top van de berg duwt zij haar borst vooruit
zij zwemt naar het dak van het kantoorgebouw
beneden verlegt een omgewaaide boomstam een fietspad twintig centimeter naar rechts
een naakte man op een reclamepaneel
een botergeil gietertje op een vensterbank
een spuitende fontein op een marktplein
de op elkaar gestapelde terrasstoelen zijn de bevroren beweging
van één terrasstoel die in de lucht springt
Een procédé dat vanden broeck telkens weer herhaalt is het creëren van betekenisclusters zonder dat er een soort eenheid van tijd, plaats, handeling in een gedicht ontstaat. In de eerste strofe ligt er sneeuw en wordt er op verschillende manieren gedraaid, terwijl het in strofe drie en vier duidelijk hartje zomer is. Observaties worden ogenschijnlijk zonder veel verband na elkaar geplaatst. Opvallend is dat de meeste gedichten zich in openbare ruimtes afspelen: op straat, op een plein, in de tuin, in een parkeergarage, bij een vijver. Er zijn mensen, heel wat dieren en een heleboel bijzonder concrete dingen in allerlei situaties, maar altijd geplaatst binnen een grotere omgeving, alsof de grotere omgeving meer bepalend is dan (menselijke) interacties.
Wanneer je de observaties van naderbij bekijkt, blijken ze veel minder feitelijk dan je zou denken en brengt de taal verschuivingen teweeg die je als lezer vanzelf in de interpretatie brengen. Op die manier betoont vanden broeck zich voortdurend een bricoleur die de werkelijkheid verknipt en de stukjes anders dan tevoren aan elkaar plakt door middel van taal. Zo ontstaan alternatieve werkelijkheden, nog versterkt door de betekenisgeving die we met ons menselijk brein spontaan tot stand brengen. In het bovenstaande gedicht maak je als lezer spontaan associaties tussen naakt / botergeil / spuitend terwijl de auteur ogenschijnlijk drie beelden achter elkaar zet. Zo ontstaat in zowat elk gedicht een wereld die er vaak absurder, grappiger maar soms ook grilliger of gewelddadiger uitziet dan hoe we hem doorgaans ervaren. Je treft er adam en eva aan die in ruimtepakken pesticiden staan te sproeien, een gladiator op een kruispunt, drie koeien die de indianendans doen. Je zou kunnen denken dat er op die manier een wat gratuit wereldbeeld ontstaat waarin anything goes, maar toch is dat niet het geval. Eén van de factoren die daarvoor zorgen is de ik-figuur die spaarzaam opduikt in een aantal gedichten. De ‘ik’ blijkt allesbehalve een zorgeloze flierefluiter te zijn.
soms zit ik zo vast in mezelf
dat ik in een pashokje begin te gillen
En behalve in zichzelf lijkt de ik ook behoorlijk opgesloten in een dodelijk saaie kantoorbaan waar hij de hele dag routineus cellen invult en invoegt.
ik open een nieuw venster
voeg een nieuwe rij in een andere rij reproduceer ik cellen
de genummerde cellen in gevangenissen
kantoorruimtes die zichzelf kopiëren en plakken in
een dna-strengetje een letter vervangen
Het is in dit gedicht dat de titel ‘de richting is richting omleiding’ voorkomt. Het speelse meanderen en bochten maken verandert hier in een werkelijkheid die richtingloos en uitzichtloos lijkt.
De gedichten in de bundel worden afgewisseld met ‘schetsen’, die in doorlopende tekst geschreven zijn en telkens ongeveer een halve pagina beslaan. Ze vertellen verhalen die veel coherenter dan de gedichten over één situatie lijken te gaan – een visser, een jurk aan een waslijn, een man en een vrouw die een kruispunt oversteken – maar ook hier past vanden broeck zijn knip- en plakprocédés toe. Associaties in het hoofd van de auteur grijpen in in de werkelijkheid, met als resultaat licht absurde poëtische taferelen die een soort bezwerend ritme krijgen. Een fragment uit ‘Schets #1 De visser’:
De visser zit op zijn stoeltje, een auto rijdt voorbij. De visser gooit zijn hengel in het water. Aan die hengel hangt een haak en aan die haak spartelt een larve. Wat wil de visser vangen? Een vis? Een moment? Een gedachte? De visser kijkt naar de dobber in het water in de dobberende wolken in de blauwe hemel van het stilstaande water. Wat is een kanaal? Water gevangen tussen twee oevers. Het kanaal is recht, de hengel buigt. De buigende hengel, een brug, het water. Heeft de visser beet? De visser draait aan het wieltje, trekt de oever naar zich toe. Het wieltje draait, de tijd gaat voorbij. De haak in de wang van de vis, de wond in de mond van de visser. En de vinger? De vis glijdt spartelend uit zijn handen en valt in het water.
Indrukwekkend en stilistisch anders dan de rest van de bundel is het laatste, pagina’s lange gedicht dat één lange opsomming is van dingen, fenomenen en mensen die komen en gaan, voortdurend afgewisseld met telkens weer dezelfde vogels. De herhalingen en het kaleidoscopische karakter maken het tot een ritmisch monument van vergankelijkheid, tegelijk benauwend, hartverwarmend en grappig. Een fragment:
pimpelmees, kuifmees, kraai.
ze komen, ze gaan, ze komen, ze gaan.
bonte specht, eekhoorn, wolk, kraai.
ze komen, ze gaan.
je vader, je moeder.
eb, vloed, een ekster, het waait.
wind, die komt en gaat.
een knuistje gaat open, een hand gaat dicht.
koolmees, roodborstje, merel, groenling.
broers, zussen, nonkels, tantes.
ze komen, ze gaan, ze komen, ze gaan.
koolmees, pimpelmees.
een postbode, ze komt, ze gaat.
het waait. hij komt, zij gaat.
een brief gaat open, een brief gaat dicht.
duif, zon, gaai.
nickelback, gotye en avril lavigne.
ze komen, het waait, fonske van myriam.
pimpelmees, staartmees, bonte kraai.
gommaar, gusta, janneman, de maan.
ze komen, ze gaan.
koolmees, pimpelmees.
de verwaarloosde fresco op een gelijkvloerse verdieping op de turnhoutsebaan:
bakkerij vermaelen.
pizzeria giovanni.
Met ‘de richting is richting omleiding’ levert bob vanden broeck een intrigerende bundel af die je zowat lukraak kan openslaan en waar je telkens opnieuw verrast en meegenomen wordt in een kluwen van taal en (alternatieve) werkelijkheden. Als iemand beelden kan maken als ‘een fanfare van kletterende besteklades’ of plots herkenning kan oproepen bij zoiets als ‘het moment waarop je in een stedelijk zwembad / met een vingertop tegen de kuit van een tegenligger tikt’ dan heeft-ie mij als lezer in elk geval mee.