
‘Zeekatskeletten’ ligt afwisselend op de keukentafel, het nachtkastje en andere plekken in huis en blijft dat waarschijnlijk nog een tijdje doen. In de opnieuw vertaalde debuutbundel van Nobelprijswinnaar Eugenio Montale uit 1925 maak je kennis met krachtige, beeldende, zintuiglijke en tegelijk metafysische poëzie.
Onlangs op vakantie zag ik in de wachtzaal van zo’n heerlijk oud Engels stationnetje (als je het echt wil weten, het was in Haltwhistle, foto zie lager) een vrouw van middelbare leeftijd met een verzaligde glimlach zitten lezen. Wat was dat voor wonderlijk boek dat zulk effect had? Met enige moeite ontcijferde ik vanop afstand de titel. De volgende dag kocht ik in een boekhandel in York ‘Uprooting’. Het is het autobiografische verhaal van de uit Trinidad naar Engeland geëmigreerde Marchelle Farrell. Aan het begin van het boek verhuist ze met haar Britse man en twee kinderen naar een huis met tuin in het landelijke Somerset, waarna de coronapandemie uitbreekt. ‘Uprooting’ gaat over familiebanden, de intergenerationele effecten van kolonialisme en raciaal trauma, maar bovenal over de mogelijkheid van heling en herstel via contact met natuur. De tuin bij het nieuwe huis speelt een centrale rol en vormt een extra personage. ‘Uprooting’ is traag en bespiegelend. Verwacht je aan veel plantennamen en natuurbeschrijvingen. Het boek is tot dusver niet vertaald in het Nederlands.

In ‘De gouden bril’ van Giorgio Bassani, een korte roman uit 1958, is dokter Athos Fadigati een nieuwkomer in Ferrara. Hij maakt zich geliefd in het stadje en wordt alom gerespecteerd. Maar alles keert tijdens een fatale zomer. Terwijl Fadigati eerder op discrete wijze zijn seksuele geaardheid heeft beleefd, loopt hij er onder invloed van zijn verliefdheid op een jongere man plots een stuk openlijker mee te koop in een badstad waar veel Ferrarezen hun vakantie doorbrengen. Zijn reputatie gaat eraan en de relatie met de gewetenloze minnaar richt hem te gronde.
We teleporteren naar China in de 15e eeuw. Als meisje uit een gegoede familie leer je borduren en musiceren, worden je voeten opgebonden zodat je je alleen nog maar met schuifelpasjes kan voortbewegen en word je op je 15e uitgehuwelijkt om nooit meer buiten de muren van het familiedomein van je echtgenoot te komen. Breng je niet snel genoeg een zoon ter wereld, dan heeft je echtgenoot het volste recht om een concubine in huis te halen.
Tan Yunxian, die aan het begin van ‘De vrouwencirkel van mevrouw Tan’ van Lisa See een kind is en haar moeder verliest, staat het ook allemaal te wachten. De opvoeding en kennis die ze meekrijgt van haar grootmoeder, een vrouwendokter met aanzien, en haar vriendschap met Meiling, de dochter van een vroedvrouw die later in de voetsporen van haar moeder treedt, zullen de rest van haar leven bepalen. Aan uithuwelijking kan ze niet ontkomen, maar gaandeweg slaagt ze erin voor zichzelf een plek te creëren en vrouwen te helpen met haar medische kennis. Het boek van Lisa See over vrouwenkracht in het diep patriarchale middeleeuwse China leest als een trein en Tan Yunxian is bovendien een historisch personage en auteur van een nog steeds verkrijgbaar medisch handboek.
‘Gedicht aan de duur’ van Peter Handke las ik al eerder, het is voor mij een herlees-boek(je). Zoals ik me kan voorstellen dat een gelovige troost en inspiratie kan putten uit het lezen van de Bijbel of de Koran, zo kan ik dat uit ‘Gedicht aan de duur’, besefte ik tijdens mijn recente herlezing. De bundel is één lang prozagedicht waarin Handke zijn ervaring van duur onderzoekt. Waarbij je duur zou kunnen definiëren als een gevoel van wezenlijkheid, verbondenheid, een thuiskomen en zijn in jezelf en de wereld. Wat zijn de voorwaarden, wanneer en waar ervaart hij het wel of net niet? Een rode draad is het feit dat de ervaring wezenlijk en noodzakelijk is, maar nooit valt af te dwingen.
In ‘De stenen getuigen’ van Haruki Okoizumi uit 1994 ontwikkelt Tsuyoshi Manase een fascinatie voor het verzamelen van stenen, na een ontmoeting met een stervende soldaat tijdens zijn diensttijd in het Japanse leger in de Tweede Wereldoorlog. De ‘hobby’ loopt uit de hand en speelt een dramatische rol in het gezin van Manase. ‘De stenen getuigen’ vertelt sober en ingehouden over de impact van oorlogstrauma, waarbij werkelijkheid en fictie in elkaar grijpen en je als lezer met niet op te helderen vragen achterblijft.










‘De herontdekking van het lichaam’ bestaat uit een aantal essays die voldoende met elkaar verwant zijn om een coherent geheel te vormen en tegelijk divers genoeg om het thema burn-out vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. Het is moeilijk in een genre onder te brengen omdat het egodocument vermengt met filosofische beschouwing en maatschappijkritiek. Het is zowel een intens persoonlijk verhaal als essayistiek met verwijzingen en een bronnenlijst. Het is non-fictie die tegelijk nadrukkelijk literair geschreven is. Precies die wat ongebruikelijke combinatie maakt ‘De herontdekking van het lichaam’ beklijvend.
Tot ik onlangs op ‘Tot leven / Een liefdesgeschiedenis’ stuitte. Faber verloor in 2014 zijn geliefde Eva, na een jarenlange strijd tegen beenmergkanker. ‘Tot leven’ is een bundeling van gedichten die hij schreef in haar laatste levensfase en in het jaar na haar dood. Lees je zoiets als je niet zelf rechtstreeks met ziekte of rouw wordt geconfronteerd of beroepshalve een recensie moet schrijven? Ja dus. En waarom dan? Goeie vraag. Misschien omdat ziekte en dood ‘doodgewoon’ bij het leven horen en ‘kopje in het zand’ niet veel zoden aan de dijk zet. Omdat ‘Tot leven’ je bij de eerste lukrake regels bij je nekvel grijpt en niet meer loslaat. Omdat het ook, ondanks de onverbloemdheid van aftakeling en sterven en de rauwheid van verdriet, pure liefdespoëzie is die Faber schrijft. In de Engelse titel van de bundel komt dat sterker tot uiting: ‘Undying. A Love Story’. De suggestie van ‘undying love’ heeft hier een dubbele bodem, in het Nederlands zeggen we ‘onsterfelijke liefde’, een mogelijkheid waar de vertalers Harm Damsma en Niek Miedema niet voor hebben gekozen, wellicht omdat ‘onsterfelijk’ een veel ruimere betekenis heeft dan ‘undying’ die in het Engels dan weer eerder met ‘immortal’ overeenstemt. Niets dan lof overigens voor de knappe vertaling die Damsma en Miedema afleveren.
Nochtans, als je naar zijn intentie luistert, lijkt daar weinig reden voor te zijn. Twee jaar voor zijn dood zei hij in een interview over het toen nog ongepubliceerde ‘O amor natural’: ‘Ik geloof dat, tot op heden, een groot deel, zoniet alles, van de literaire werken over de liefde, de liefde tracht te verheerlijken of te analyseren als een versmelting van lichamelijke en geestelijke liefde. Er ontbreekt de optiek van lichamelijke liefde als een waardige uitdrukking van de liefde. Wanneer we spreken over liefde, hebben we het meer over een gevoel dan over een praxis, een ervaring. Mijn idee was de fysieke kant van de liefde te verheerlijken, in poëtische en waardige taal. Ik wilde niet over het obscene spreken, en ik gebruik ook geen obscene woorden.’