De gedichten in ‘De inventaris van wat blijft’ zoeken randgebieden op: de overgang tussen huis en tuin, tussen berm en snelweg, tussen mensen onderling en tussen mens, dier en plant. Overal ligt de potentiële barst onder het oppervlak, maar net zo goed kansen om te verbinden of grenzen op te rekken. In een wereld waar niets hetzelfde blijft, is zoeken naar wat er nog wel is een logische bezigheid.

‘Figuurlijke taal en realiteit gaan hand in hand bij Sandra Roobaert, dit is wonderlijk. De dichter schrijft pur sang. Vrijwel alle prozagedichten zijn volle gedichten die zich twee keer laten openplooien. De inventaris van wat blijft is meer dan een inventaris, het is een geslaagde en gelaagde debuutbundel waarbij verwondering en maatschappijkritiek verschillende kansen krijgen, zowel door taal, als door inhoud.’
— Tom Veys op Meander Magazine
‘De beheerste beeldspraak, de vaak verrassende wendingen met neologismen, de manier waarop de thematische hoofdlijnen in elkaar overvloeien, maken van ‘De inventaris van wat blijft’ een krachtig en overtuigend debuut.’
— Jooris Van Hulle in Poëziekrant