Ik neem me voor om wat vaker te delen wat me onlangs geraakt heeft in de leesstapel. Het heeft een dubbel doel: als ik ook maar iemand kan aansteken om te gaan lezen – bij uitstek poëzie – word ik daar heel happy van. En twee: het kan geen kwaad om mezelf als serial reader af en toe een beetje af te remmen. Na te denken waarom precies ik iets goed vind, en dus aandachtiger te gaan (her)lezen om dat op het spoor te komen. Anderzijds beseffend dat het waarom ook iets is dat deels in het woordeloos intuïtieve mag blijven. Daar gaan we!

Rozige maanvissen – Sytse Jansma
Rozige maanvissen gaat over rouwverwerking. De vriendin van Jansma stierf op haar 32e onverwacht aan een hersenbloeding. In de bundel geeft hij inkijk in zijn rouwproces en maakt hij haar heel aanwezig. Het geheel leest als een zoektocht naar troost en acceptatie. Deze info staat meteen op de eerste bladzijde van de bundel. Een extra bijzonderheid: Jansma schreef eerder twee bundels in het Fries, dit is zijn debuut in het Nederlands.
‘Rozige maanvissen’ is heel strak gecomponeerd in vier cycli van telkens 12 gedichten. 12 doet denken aan een jaar, sterrenbeelden, apostelen en telsystemen, maar misschien moet ik het niet zo ver zoeken. In elk geval voelt het heel harmonisch, alsof de auteur dit stevige raamwerk nodig had om diepe gevoelens een anker te geven. De eerste twee cycli heten ‘lichaam I’ en ‘lichaam II’ en hebben elk een sterke vormelijke herkenbaarheid: alle gedichten van I zijn achtregelig, alle gedichten van II vierregelig, telkens zonder witregels. Terwijl het in I gaat over wat er met het lichaam van de geliefde gebeurt vanaf de hersenbloeding tot na de uitstrooiing van de as, gaat II over fysieke, soms erotische herinneringen.
De derde en vierde cyclus hebben als titels ‘post’ en ‘hiernamaalsvariaties’ en bevatten gedichten die vormelijk vrijer zijn en ook allemaal een titel hebben. Ze lezen als een soort brieven aan de geliefde over hoe het leven zonder haar loopt, en als lyrische voorstellingen van hoe een hiernamaals er zou kunnen uitzien.
Wat opvalt: de zachte toon van Jansma. Er is geen rauwheid, verscheurdheid, of boosheid te bekennen. Ongetwijfeld zijn die er (geweest), maar de auteur kiest ervoor om ze buiten de bundel te houden. Er is veel liefde en betrokkenheid, maar ook afstand, het rouwproces lijkt al een stuk uitgekristalliseerd. In het eerste gedicht van ‘lichaam I’ klinkt het:
wat er toen gebeurde: duizend rode draden
als warme lenteregens, drenkten de grond
achter je ogen en toen werd je meegenomen,
zo is het gegaan, zachter dan dit kan ik niet
Dat zet meteen de toon, zegt ook iets over de persoonlijkheid van de dichter. Een sterk element van ‘Rozige maanvissen’ zijn de verschillen in taalbehandeling tussen de cycli. In ‘lichaam I’ is de taal eerder sober, met heel veel concrete details en af en toe een treffend beeld – winterzwanen die haar aderen binnendreven / haar lippen noemt hij vrieskoukussentjes – of een schrijnende aanspreking: zullen we gaan? er staat een auto voor je klaar. In ‘lichaam II’ zit veel meer taalcreativiteit. Neologismen als aderspektakel, slootkantkoeien, bevingerwandelen, roofvlies, lustlijf, spartelvis, borstenbasiliek zorgen voor een speels-erotische sfeer. De korte fragmentachtige gedichten klinken dynamisch en bekoorlijk, als een hedendaags Hooglied. Hier is nummer 9:
mijn roosje uit de dag geplukt, vroege morgenmond, speels oororakel
plotselinge nekwervelwind, mijn jachtvonk, vlaag van wilde
vroomheid, mijn borstenbasiliek om in te zingen, speldenklanken
die op haar mozaïekvloer vallen, mijn brandschoon ramenschijn
De gedichten in cyclus 3 en 4 ogen klassieker, maar ook hier schuwt Jansma het taalexperiment niet. Vooral in de laatste cyclus komt daar ook een sterke verbeelding bij kijken. In ‘het symfonisch aquarel van je dorst’ gaat de auteur aan de slag met het gegeven dat we ons de dood vaak voorstellen als een éénkleurige (witte / zwarte) leegte. Hij maakt er een synesthetisch spektakel van kleuren en geuren van, van requiemrood en dieseldampgroen tot een schitterende klanklimonade van in elkaar schuivende trombonetinten.
Het gedicht waaraan de bundel zijn titel ontleent, is – een beetje ongebruikelijk – het allerlaatste gedicht. Hier lijkt de auteur een overgang gemaakt te hebben. Terwijl doorheen heel de bundel de aanspreekvorm ‘je’ voor de geliefde heel consequent gebruikt wordt, alsof de bundel één grote brief aan haar is, gebruikt hij hier ‘zij’. Hij situeert haar in de taal, als om te benadrukken hoe belangrijk de talige verwerking voor hem is (geweest).
rozige maanvissen
ergens in taal is zij nog
in woorden die duurloos
en momentenbreed ronddobberen
als rozige maanvissen
haar zoeken is woorden aftasten
die haar nog niet kennen, ze omvormen
tot ze fingerspitzenvinnen krijgen
om haar bij zinnen te zwemmen
Dankjewel Sytse Jansma, voor een fijngevoelige, taalsprankelende bundel! Ik wou dat ik je in het Fries ook kon lezen.
PS. En dat zie ik nu pas, ‘Rozige maanvissen’ won de C. Buddingh’prijs 2024.
Plaats een reactie