Echt

De week hing scheef in de hengsels. Ik had kunnen weten dat het niet goed zou aflopen. Maar wat is niet goed? Misschien is het net wél goed om eenvoudigweg door je eigen lichaam gevloerd te worden in een zware snotverkoudheid nadat je vader in krap enkele dagen is doodgegaan, je kopje onder geslagen bent in een golf van begrafenisorganisatie en koffietafelgesprekken, je vlak daarna naar het andere eind van het land moet om te werken en je bij terugkomst na amper een ademteug weer present tekent bij die andere werkgever, afgewisseld met een bezoek aan de notaris.

Het is goed om door te gaan. Bezig blijven, aldus het cliché. Maar het is ook goed om finaal tot stilstand gebracht te worden door het weerspannige lichaam dat veel beter weet dan het hoofd wat in tijden van nood nodig is.

Eén van je ouders op een rouwprentje zien, dat is van de meest naakte werkelijkheid die er bestaat. Elke keer wanneer mijn blik op de foto valt, is het alsof het leven mij bij de kraag vat en zegt: ‘Voilà, hier ben ik.’ Waarmee het bedoelt: dit is onomkeerbaarheid. Als er tot nu toe voornamelijk zachtjes voorbijgaan was, dan is dit de introductie tot de granaatinslagen van de vergankelijkheid. De hakbijl in mijn stamboom. Natuurlijk is er eerder in die stamboom gehakt: grootouders vielen weg, ooms, tantes. Intussen zitten we bij de dikste takken.

Ik heb dingen afgezegd deze afgelopen weken: sorry, nu niet, andere prioriteiten, hoofd staat er niet naar. Iedereen heeft begrip voor de dood. Iedereen zegt dezelfde dingen: zorg, troost, steun, herinneringen, kaarsen, tijd. Het is een opluchting wanneer iemand doodgewoon vraagt: hoe heb je geslapen, hoe verliep je dag? Nee, niemand heeft gevraagd of de taart bij de koffietafel lekker was. Ja, ze was lekker.

Eén ding zegde ik niet af: een al lang vastgelegde ontmoeting met een collega-dichter, in het kader van mijn Dichter & Dichter-initiatief. Ik sta hem op te wachten bij het station en weet niet precies waarom ik doe wat ik doe. Is dit wel het goeie moment? Is het dat ooit? Onderweg in de trein heb ik gedichten van hem gelezen, ze hebben een soort huiselijke intimiteit die toch ook uitvloeit over de wereld. Misschien zijn gedichten mini-dosissen zuurstof in het aanschijn van de dood.

Daar is hij. Het is zonnig, maar zijn winterjas en muts herinneren mij eraan dat het nog steeds winter is. Later, in de koffiebar, zal hij zijn trui uittrekken en zal ik mij verbazen om tegenover een man in t-shirt te zitten in maart. Zijn die vestimentaire kwesties belangrijk? Nee, ze vormen het verhaal dat zich afspeelt op de achtergrond, als een soort behang. Misschien is behang toch ook niet helemaal onbelangrijk.

We stuiten op punten van herkenning: de goed ondergegraven onzekerheid van de weliswaar gepubliceerde auteur. Hoe je niet onder je eigen stijl uitkomt. Hoe afgewezen worden altijd een stukje doodgaan is, maar we daarna toch weer met ultieme moed onze teksten de wereld in blijven gooien. Waarom we dit doen? Omdat het essentie is. Het woord ‘impostor’ valt, maar ook het woord ‘acceptatie’.

In het melkschuim van de koffie tekent zich een wat onhandig gevormd hart af, de thee heet ‘warme gloed’. Het betekent niets op het moment zelf, het valt mij pas achteraf in. Net als de vragen die ik niet gesteld heb. Waarom hou je van parelkettingen? Voel je je het vaakst een toeschouwer of een deelnemer? Ook op de vragen die wel gesteld werden, kwamen geen sluitende antwoorden. We hebben een stukje weg gelopen. Misschien was dat genoeg. En het besef dat gesprekken plaveisel zijn.

De dood legt een waas over alles, hoe ultrawerkelijk ze tegelijk ook is. Alsof je vervreemdt van jezelf en telkens ergens uit moet terugkeren, al weet je niet precies waaruit. Enkele dagen na de ontmoeting is wat we nog zegden op de terugweg naar het station uit mijn geheugen gewist. Ik herlees de krabbels die hij op de eerste pagina van mijn exemplaar van zijn bundel heeft gezet. Hij schrijft het woord ‘écht’, met een accent erop. Misschien ligt daar een sleutel. Ik weet het nog niet zeker.

Gepubliceerd door


Plaats een reactie