De reis is voorbij, maar blijft nog wat nawerken.
In zijn essaybundel over poëzie ‘Het geheim van het vermoorde geneuzel’ schrijft Ilya Leonard Pfeijffer voor hoe gedichten allemaal niet horen te zijn. Eén van de no-go’s is ‘de dichter op vakantie’. Een normaal mens maakt foto’s, de dichter moet per se een reisgedicht plegen. Komt nooit goed, aldus Pfeijffer.
Zelf stel ik vast dat ik ver weg van huis doorgaans weinig poëzie schrijf. Op reis zijn indrukken snel, sterk en veelvuldig. Terwijl er voor poëzie net een toestand van evenwicht moet zijn tussen in beweging zijn en gaan liggen van de dingen, tussen innerlijke focus en een zekere afstand. Ik krijg wel eens de opmerking dat ik op reis vast veel inspiratie zal opdoen, maar behalve voor blogs lijkt dat dus niet zo het geval.
Wat niet wegneemt dat ik gebeurtenissen, plekken of beelden als poëtisch kan ervaren. En ik ze wie weet ergens in een diepere laag opsla waar ik ze te gepasten tijde ook weer uit naar boven kan halen. Geen idee of dat wel mag volgens Pfeijffer. We hoeven ons natuurlijk ook niet verplicht te voelen zijn (literatuur)pauselijke allures te erkennen.
Ik verlaat San Gimignano en vraag me zoals wel vaker tijdens reizen af: ‘Kom ik ooit terug op deze plek?’. Het is een gedachte die te maken heeft met vergankelijkheid, met de dood als je wil. Wat is er meer poëtisch dan de dood, het is één van de allergrootste thema’s van de poëzie. Terwijl ik daarover loop te denken zie ik plots, toeval of niet, het vogeltje liggen. Instant connectie met het recente verlies van mijn vader. Ik reis verder, hij niet meer. Is er een verband tussen die feiten, en welk dan? Ik voel de onverzettelijke tweespalt tussen zijn stilstand en mijn beweging.

In Siena vind ik het een beetje jammer om niet – zoals eerdere keren – pal in zo’n mooi steegje in het historische centrum gelogeerd te zijn. Maar het heeft ook voordelen. Ik ontdek de Fonte Nuova, ooit onderdeel van de watervoorziening van deze stad, nu een stille plek die blijkbaar niet in de reisgidsen staat. Water dat geen nutsvoorziening meer hoeft te zijn en gewoon poëzie mag worden.

De stem van de mannelijke stationsomroeper, in heel Italië klinkt die hetzelfde, en toch ook niet als een computerstem. De mededelingen zijn gedetailleerder dan in welk ander land ook waar ik gereisd heb. Nummer van de trein, herkomst, bestemming, haltes, vertrektijd, perron. De poëzie van de spoorwegtaal: proveniente de (afkomstig uit), in arrivo al binario nove (komt aan op perron negen). En dan dat heerlijke ‘allontanarsi dalla linea gialla’ (blijf weg van de gele lijn). Wanneer ik in België ben is mijn ogen sluiten en denken ‘allontanarsi dalla linea gialla’ genoeg om mij even naar Italië te teletransporteren.

Een poëtisch moment in de bus: een vrouw met een kleurtje wil instappen met een baby van een maand of 7-8 en een ingewikkelde buggy. Ze kijkt vragend naar de chauffeur, die de andere kant opkijkt. Ik vraag of ze hulp nodig heeft. Ja, graag. Ik verwacht het tillen van de buggy, maar ze steekt zonder aarzeling de baby naar me uit en begint zelf de buggy in te klappen. De baby zweeft tussen buiten en binnen en belandt op mijn schoot, een gevoel van lang geleden. Hij lijkt totaal niet onder de indruk om plots aan een onbekende witte vrouw te zijn toevertrouwd. Hij ruikt naar schone kleren en baby en wacht rustig af tot zijn moeder haar armen weer vrij heeft.

Kan afval poëzie worden? Een bak van plexiglas waarin een sneeuwbui van afgescheurde museumtickets. Als je hem middenin een zaal zet, wordt hij een kunstvoorwerp.

De vrouw die eeuwig tussen binnen en buiten achter het gordijn staat. Je wordt een beetje een voyeur, maar ze wil ook wel gezien worden.

De kleurige poëzie van de was. Benedenverdieping.

Bovenverdieping. Ook automatjes moeten af en toe een beurt krijgen.
Geef een reactie op sandra roobaert Reactie annuleren