De bib belt. Of we nog wat verder kunnen afspreken voor de lezing van donderdag. Ja, zeker. Het gaat over lampen en tafeltjes, over schermen en zetels. Over Q&A. Over muziek. Over de hamvraag hoeveel inschrijvingen er nu zijn. Oei, dat valt een beetje tegen. Maar we doen nog een extra promoronde hoor de komende dagen. Mensen schrijven vaak laat in. En we rekenen ook op aanwezigen die komen zonder inschrijven. Ok, duimen maar.
Poëzie, niet altijd een spontane hit. Misschien moest het meer ingekleed zijn? Meer toeters en bellen. Niet zomaar alleen mijn kop en de aankondiging ‘gedichten’. Misschien moest er een grote naam in plaats van mijn kleine. Misschien moest ik zelf nog veel meer mensen uitnodigen. (Maar die mensen kennen mij / mijn poëzie al wel, moeten ze dan telkens opnieuw komen luisteren om me een plezier te doen?). Misschien een bijhorende expo. Misschien een prijs die je kan winnen. Misschien een mini-stuntje.
In elk geval, ik zal er zijn. Met gedichten. Voorlopig hoef je niet te vrezen voor een bordje ‘VOLZET’ aan de deur. Ik zal er staan om je te begroeten. Het wordt exclusief. Je zal deel uitmaken van een select gezelschap poëzieproevers. Vooruit dan maar, omdat jij het bent mag je nog iemand extra meebrengen. Of twee.
Bij wijze van kerstcadeautje valt ‘Oikos, het onafhankelijk tijdschrift voor de sociaal-ecologische tegenstroom’ in mijn brievenbus. Een themanummer over democratie. Een beetje verrassend heeft ‘Oikos’ ook een literaire rubriek, waarin deze keer drie dichters: Margot Delaet, Veerle Decaestecker en ik. Ik vind het een prettige gedachte dat poëzie deel kan uitmaken van de sociaal-ecologische tegenstroom. Niet dat ik de illusie koester dat gedichten stormenderhand de wereld gaan veranderen. Wel denk ik dat we alle vormen van taal nodig hebben om een visie op de wereld over te brengen die ingaat tegen de kapitalistische, neoliberale mainstream. We hebben artikels en non-fictie nodig, maar ook romans, songs, films en poëzie, kwestie van op uiteenlopende manieren verbaal uitdrukking te geven aan onze ideeën en overtuigingen.
Ik denk nooit bewust: tijd voor een klimaatgedicht, maar merk wel dat ik schrijvend telkens terugkeer naar dat thema. Wat mij erin drijft is een mengeling van bezorgdheid en verdriet om wat verloren dreigt te gaan en gaat, maar ook altijd weer hoop en verwondering om al het levende. Dus ik ben blij dat dit titelloze gedicht van me via de klimaatdichtersbeweging zijn weg vond naar ‘Oikos’ en zo weer een nieuw publiek krijgt.
En verder: het jaar loopt af. Voor dichters vaak een gelegenheid voor een gedicht. Wensen die met net wat meer verbale schwung en elegantie verpakt worden dan de tekst op de gemiddelde kerstkaart. Ik heb er altijd een dubbel gevoel bij. Alsof het een dichtersplicht is die ik onder dwang moet vervullen.
Dit jaar heb ik extra het gevoel dat het – tegen een achtergrond van oorlog en verwoesting, giftig leiderschap en nog veel meer ellendigs – onmogelijk voor me is om wat luchtige eindejaarssfeer de ether in te blazen. Ik voel het niet, en kan het dan ook niet faken. De vlam flakkert. Goed, laten we het dan gewoon daarover hebben. Terwijl ik schrijf, ontdek ik dat ik wel een weg zie. Dat die weg ‘iemand’ is. We kunnen het alleen maar samen. Ik denk aan de concrete ‘iemanden’ in mijn leven. En wens iedereen op alle momenten waarop het nodig is iemand die voorbijkomt en de dingen anders maakt. Ook: dat je zelf voor anderen iemand kan zijn.
Sinds enkele maanden maak ik deel uit van Dichters in Beweging in Leuven en daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad. Het zet mijn schrijven in een nieuw licht en geeft een gezonde draai aan de molen. Wat me lang tegenhield, was onder meer dat ik mezelf geen geweldige gelegenheidsdichter vind. En thematisch schrijven is net eigen aan Dichters in Beweging. De deelnemende dichters schrijven telkens over een specifiek thema, houden twee feedbackmiddagen en geven dan een lezing van geselecteerde gedichten.
Vaak zijn de thema’s ruim genoeg om er ‘oude’ gedichten bij te betrekken die je nog in de lade hebt liggen of werk dat eerder gepubliceerd is, maar het is natuurlijk net pittig om de uitdaging van het opgelegde onderwerp aan te gaan en iets nieuws te schrijven. Dat lukt uiteindelijk beter dan verwacht, de themastress blijft beperkt. Feedbackmomenten groeien telkens uit tot gonzende bijenkorven van creatieve kruisbestuiving. Mooi meegenomen ook dat er altijd maatschappelijke betrokkenheid in de thema’s zit.
Logisch dus dat de Dichters in Beweging meedoen met de Warmste Week. Op zaterdag 13 december geven we zichtbaarheid aan onzichtbare ziektes. Dat doen we via onze gedichten en door twee Leuvense verenigingen uit te nodigen die een project indienden voor de Warmste Week. Wie de gelegenheidsbundel koopt, steunt vanzelf de Warmste Week.
Enkele dagen later krijg ik het nog een keer warm op de Voorleesavond van Woordentij in het Bisschopshuis in Brugge. Meer dan 100 dichters bezorgden ‘Dichtregels voor onzichtbare zieken’, meteen ook de titel van een bloemlezing die ten voordele van de Warmste Week verkocht wordt. Een heleboel dichters zullen hun gedicht voorlezen op 17 december. Vermoedelijk wordt dat een heuse marathon daar in Brugge.
Al even een opwarmertje? Hieronder de start van één van de gedichten die ik in Leuven zal lezen. Welkom!
je bent niet de bladzijde in het handboek niet de symptomenlijst online je bent niet de lijm op het etiket niet de fibro de nervosa niet de parkinson de bipolair je bent niet de wachtzaal niet de stoel in de wachtzaal je bent niet de mri het resultaat van de mri niet de diagnose het dossier …
Vanaf het station door het park, oase van oker, amber, caramel, roest. De bomen staan in vlam in de zon, de dag voelt lente-achtig, het is veel te warm voor de tijd van het jaar. Heerlijk en tegelijk zorgwekkend. Is er een woord voor de complexe gevoelens die klimaatverandering oproept? Klimaatverwarring? Klimaatgespletenheid? Of is het een klimaatspagaat, dit weten dat er iets grondig fout zit maar toch genieten van het zachte weer?
Daar is het museum. De tentoonstelling van de fotograaf over de zee. Er zijn heel veel mensen, zich verdringend voor de zeefoto’s, de zeeschilderijen. Veel meer mensen dan op een doorsnee herfstdag op een strand. We willen kijken met de blik van de fotograaf, niet met onze eigen blik op een werkelijke zee.
Zo heb ik de zee nog niet gezien. Onbeweeglijk met hooguit fronsrimpels. Als een doek van onderop bewogen door een melancholisch zeedier. Als de vacht van een rennende wolf. Als een laat donker schilderij van Rothko. Als een bergketen. Een mysterieus traag waterlandschap.
Waarom kijken we niet met de blik van de vissen?
In het filmpje spreekt de fotograaf over het vlies op de zee, de zee als plafond van het water, als bodem van de lucht. En dat ze opwoelt: ideeën, gedachten, twijfels, gevoelens neigend naar het extreme, diepe angst, maar ook vitaliteit en levenslust.
Voor het tijd is om te vertrekken een ommetje in het voor de rest bijna lege museum. Even dag gaan zeggen bij een paar geliefde schilderijen.
Volgende etappe van de dag: lunch met vriendin/dichter. Bijpraten: volgende-bundelverhalen, uitgevers-verhalen, zeg-wist-je-al-verhalen. Is dat laatste een beter woord voor roddels? Er moet ook nog iets gevierd, een prachtig excuus voor taart.
Samen naar de bundelvoorstelling van een collega-dichter. In de auto: gezinsverhalen. De dame van de gps stuurt ons zowat het kanaal in. Of onze aandacht was iets te veel bij de gezinsverhalen, dat kan ook.
Een mooi voormalig schildersatelier. Bekenden, kussen, een compliment, een hoge concentratie dichters. Gedichten zijn in staat de lucht op te warmen. Te weven en je in te wikkelen. Met velen in de woordendeken.
Daarna met een andere vriendin/dichter huiswaarts. Nog meer dichtersverhalen, plannen-verhalen. Soms vervloek je jezelf: kon je niet iets coolers bedenken dan dichter worden? Maar op dagen als vandaag is dichter zijn ook gewoon spannend, ben je deel van een genootschap. Dat van de taalontdekkingsreizigers, of zoiets.
Net de aansluiting missen voor het laatste stukje trein tot thuis. Een uur wachten. Naar het Frietcafé dan maar. Gedichten lezen in de vette walm, een Russisch sprekend gezelschap aan het buurtafeltje afluisteren.
Blad valt, een mens valt. Mijn vader viel herhaaldelijk, tot hij in het ziekenhuis terechtkwam en niet meer terugkeerde. Intussen zijn er 8 maanden voorbij. Ik kon er niet niet over schrijven.
‘Piketpaaltjes voor een haperend geheugen’. Onder die noemer verzamelde MUGzine gedichten voor een nieuw nummer. Mijn vadergedichten mochten er ook in. Intussen al enkele weken geleden verschenen, maar morgen 1 november, daar passen ze wel bij. Mijn moeder leest de gedichten. Vertelt me over de tijd die verstrijkt.
De tijd doet vreemd, vind ik. Hij krult op en strekt zich uit, als een rups. Het gaat traag, het gaat snel. In de zomer ging ik van Facebook af. Een literair zelfmoordplan voor een auteur, als je de marketingpraatjes gelooft over hoe belangrijk sociale media zijn om jezelf te promoten. Mijn digitale uithangbord is gewist, dus moet ik nu lijfelijk de ambassadeur van mijn poëzie zijn. Ik ontmoet nieuwe mensen, begeef me op nieuwe plekken en heb altijd minstens een bundel bij. Ik duw ‘m niemand ongevraagd onder de neus, maar verzwijg ook nooit meer dat ik schrijf. Altijd is er wel iemand die vraagt: ‘En kunnen we jouw gedichten ook ergens lezen?’. Natuurlijk. Zo verkoopt de bundel zachtjes zichzelf. Niet als zoete broodjes, eerder als bij gelegenheid een croissant op zondag.
Ik vind het allemaal prima. De bib vraagt: kan je een lezing geven tijdens de Poëzieweek in januari? Graag! We mailen over subsidie, over een affiche. Zijn mijn gedichten geëngageerd? Vooruit maar.
Na maanden wachten komt er een mailtje van Literatuur Vlaanderen: je aanvraag voor een literaire beurs is goedgekeurd. In 2025 en 2026 kan ik schrijven met subsidie. Wow, dankjewel! Ik praat met mijn uitgever (nu ja, hij praat en ik luister, af en toe krijg ik er een speldje tussen). Bundel twee komt plots sterker in het vizier.
Literaire tijdschriften verdwijnen. ‘Verzin’ houdt op te bestaan. Jammer, ik schreef er de afgelopen jaren met plezier voor. Publiceren in ‘Het Liegend Konijn’ is vanaf nu verleden tijd, het laatste nummer is net verschenen. Maar laten we niet pessimistisch zijn. Poëzie is buigzaam. Waar ze niet kan staan, kruipt ze. Tussen voegen en spleten vindt ze haar weg, naar lezers, naar luisteraars. Blijven schrijven dus.
Een paar weken geleden stapte ik mee in de Leuvense Pride, achter een metersbreed spandoek, in een minstens drie maten te groot shirt. ‘Proud to be a Trans Parent’ schreeuwden het spandoek, mijn rug, de ruggen van andere ouders. Langs de straten glimlachende gezichten, enkele licht sceptische blikken, handen die het hartsymbool vormden of klapten, één boze man die een fluim onze kant op stuurde.
Misschien had er beter gestaan: ‘Proud of my Trans Kid’. De transitie naar de als juist aangevoelde identiteit en lichaam is een loodzware weg, fysiek en mentaal. Heeft niks te maken met de onzinkramerij van onwetenden die het afdoen als hippe grillen en losgeslagen keuzevrijheid. Ik ben trots op mijn transdochter. Hoe moeilijk, mentaal zwaar en fysiek pijnlijk ook, ze waagde de sprong, duwde door, hield vol. Ze werd door die transitie een mooier, heler, vollediger mens, al wordt het nooit een Disneyfilm met eenduidig happy end.
Vroeger ging ik niet naar Prides. Ik had vrienden in de LGBTQ+-community, ik sympathiseerde, maar toch ging ik niet. Onlangs zei iemand tegen me: ‘Ik weet niet waarom ik naar zo’n Pride zou gaan, want zelf ben ik niet LGBTQ+’. Ik herken de denkfout. Dat het niet over jou gaat omdat je niet ‘één van hen’ bent. Waar het om gaat is niet identificatie, maar solidariteit. We zitten in een wereld waar bepaalde krachten ons maar al te graag uit elkaar willen spelen in wantrouwige fracties. In wij en zij zonder raakvlakken. Een Pride met enkel ‘betrokkenen’ is niet meer dan een assertieve uiting van ‘wij zijn er ook, zie en erken ons’. Een Pride met massaal deelnemers die niet L of G, B, T, Q of + zijn is een krachtig signaal van een solidaire samenleving. We kunnen allemaal op een dag tot een geviseerde minderheid behoren, het gaat veel sneller dan je denkt. Als die dag komt, zullen we maar wat blij zijn dat wie er zogenaamd niks mee te maken heeft ook voor ons de straat op gaat.
De dag na de Pride lees ik op een Amerikaans forum een gedicht met als titel TIVE, wat staat voor Transgender Ideology-Inspired Violent Extremism. Het is geen verzinsel, dat acroniem probeert de Heritage Foundation te verspreiden in de VS. Vanuit ultrarechtse hoek wordt transgender zijn afgeschilderd als een ideologie met een extreem en gewelddadig karakter. Het zal bij ons nog niet meteen zo’n vaart lopen, maar in een aantal Oost-Europese landen – leden van de EU nota bene! – worden de rechten van transpersonen stelselmatig ingeperkt. Hoewel België één van de meest progressieve landen is op het vlak van transrechten, groeit ook hier de intolerantie, met name bij jongeren.
Ik vertaalde het gedicht ‘TIVE’ van Gray Davidson Carroll. Het origineel kan je lezen op de site van poëzietijdschrift Rattle.
Ik word ‘s morgens wakker en ben een terrorist. Ik doe de vaat, ik lees het nieuws. Mijn handen zijn de handen van een terrorist. Mijn oren de oren van een terrorist. De onderkant van het rechter een hobbelige richel waar, toen ik een kind was, mijn vader me sneed tijdens een ongewenste knipbeurt. Ik ren door het centrum van de stad en mijn voeten die het asfalt meppen zijn de voeten van een terrorist. Ik ga naar mijn favoriete koffieplek waar alle barista’s terroristen zijn. Daar ontmoet ik mijn vriend van het terroristische breiclubje. Hij maakt prachtige truien, steevast versierd met bloemen. Alle mensen van wie ik het meest hou zijn terroristen! In de terroristenbar, waar alle drankjes genoemd zijn naar beruchte terroristen, zoeken onze heupen toenadering als een gebed. Ook onze heupen zijn terroristisch, eindelijk leren ze hoe de scepter te zwaaien. Elke zondag loos ik terrorisme in mezelf via de punt van een naald. Elke dag slik ik een pil om de groei te metastaseren. Ik wist dat ik een terrorist was toen ik acht jaar oud was. Datzelfde jaar vond ik mijn grootvaders glock in het nachtkastje zette de loop aan mijn mond denkend dat ik misschien, een seconde lang het geluid van de verlossing kon proeven. Hoeveel geliefden heengegaan intussen wegens datgene in hen waar de wereld niet moedig genoeg voor was. Trauma is een goudmijn voor de poëzie, zei iemand na de lezing waarin ik sprak over mijn vriendin die in haar eigen huis werd neergestoken. Je was moordgoed, zeggen ze je gaf de genadeklap. En het klopt, taal is het beste wapen om bij de wortel uit te roeien. Mijn terroristen! Mijn terroristen! Ik hou van elk van mijn terroristen. Mijn terroristen zingen gospel. Mijn terroristen hebben kinderen. Mijn terroristen worden aangetroffen in de goot elke morgen, met blauw uitgeslagen huid, van onder tot boven roodwit bekrast. Niemand wil een blik werpen op een dode terrorist. Niemand wil een terrorist horen snikken. Wanneer mijn geliefden en ik elkaar aanraken doen we dat met het vuur van terroristisch verlangen. Onze monden staan wijd, open. Vingers gespannen, klaar om te lossen.
Wie schrijft, krijgt af en toe een klap. Tijdschrift A reageert zelfs niet op mijn inzending. Misschien moet ik de redactie een bezoek brengen met een doos vol kakkerlakken. En bloemlezing B neemt mijn gedicht niet op, gezien dit, dat en andere bloedergerlijke redenen. Laat vooral de volledige oplage in vlammen opgaan. Ik herinner me uit ‘Big Magic’ van Elizabeth Gilbert dat ze in haar pre-bestsellertijden de afwijzingen koesterde en ze zelfs afdrukte en ophing, maar ik vertoon vooralsnog geen neiging tot deze vorm van zelfkwelling. (En hopelijk is het zonder emoticons duidelijk genoeg dat ik het niet meende van die kakkerlakken en die vlammen hè).
Over naar het betere nieuws. MUGzine, het kleinste eigenzinnige poëzietijdschrift van Nederland en Vlaanderen publiceert in oktober een cyclus van 6 korte gedichten van me. Ingezonden en bingo? Nope, ik kreeg de vraag van MUGzine of ik wou bijdragen aan het volgende nummer. Natuurlijk wil ik dat. Hou de website in het oog, of schaf het nummer aan, of word ineens donateur en krijg een hele jaargang.
Recent sloot ik me aan bij Dichters in Beweging, een dichterscollectief in Leuven. DIB heeft als vaste stek Barboek in Museum M. Besloten feedbackbijeenkomsten waar de dichters elkaars gedichten uitbenen tot op het bot (als niet-dichter wil je daar echt niet bij zijn) wisselen af met publieke voorleesmomenten rond een thema. Op 18 oktober is er weer eentje, thema ‘Zolang er leven is’. Ik zal er een gedicht uit mijn debuut ‘De inventaris van wat blijft’ lezen en twee ongepubliceerde gedichten. Mededichters lezen hun eigen weergaloze werk en er is ook muziek. We doen dat helemaal gratis en je bent welkom!
Najaar, dat betekent ook dat de Melopee-prijs er weer aankomt, de prijs voor het meest beklijvende gedicht dat in een Vlaams literair tijdschrift verscheen het afgelopen jaar. Vorig jaar was ik één van de genomineerden, dit jaar zetel ik zowaar in de jury en mag ik (of is het eerder moet ik, daar ben ik nog niet uit) het juryverslag brengen. Spannend nieuws is dat de uitreiking vanaf dit jaar deel uitmaakt van een nieuw literair festival in Laarne met de wervende naam ‘Lonkfest’, op 23 november. Met oa Lara Taveirne over haar succesboek ‘Wolf’ en een bundelvoorstelling van Dorien De Vylder.
De publieksprijs wordt vanaf nu een échte publieksprijs met de nieuwe naam Ruwspraak. In plaats van online stemmen te ronselen moeten de genomineerde dichters ter plekke hun gedicht performen en het publiek voor zich zien te winnen.
Net als vorig jaar stelt Woordentij een bloemlezing samen ten voordele van de Warmste Week. Dit jaar ondersteunt de Warmste Week projecten die zich inzetten voor mensen die kampen met aandoeningen die niet meteen in het oog springen. Onzichtbare ziektes dus. De bloemlezing bevat 100 gedichten speciaal geschreven over dit thema. Ik neem deel aan het project en zal mijn gedicht voorlezen op de Warmste Voorleesavond in Brugge op 17 december.
Ook de Dichters in Beweging zullen lezen voor de Warmste Week. Zet zaterdag 13 december al maar in je agenda.
Genoeg te doen dus. En nu nog tijd vinden om verder te schrijven aan die tweede bundel. Wanneer die uitkomt? De glazen bol blijft nog even troebel en weddenschappen afsluiten over het publicatiejaar lijkt me voorlopig niet aan te raden. Het zal in elk geval voor 2100 zijn.
‘Zeekatskeletten’ ligt afwisselend op de keukentafel, het nachtkastje en andere plekken in huis en blijft dat waarschijnlijk nog een tijdje doen. In de opnieuw vertaalde debuutbundel van Nobelprijswinnaar Eugenio Montale uit 1925 maak je kennis met krachtige, beeldende, zintuiglijke en tegelijk metafysische poëzie.
Onlangs op vakantie zag ik in de wachtzaal van zo’n heerlijk oud Engels stationnetje (als je het echt wil weten, het was in Haltwhistle, foto zie lager) een vrouw van middelbare leeftijd met een verzaligde glimlach zitten lezen. Wat was dat voor wonderlijk boek dat zulk effect had? Met enige moeite ontcijferde ik vanop afstand de titel. De volgende dag kocht ik in een boekhandel in York ‘Uprooting’. Het is het autobiografische verhaal van de uit Trinidad naar Engeland geëmigreerde Marchelle Farrell. Aan het begin van het boek verhuist ze met haar Britse man en twee kinderen naar een huis met tuin in het landelijke Somerset, waarna de coronapandemie uitbreekt. ‘Uprooting’ gaat over familiebanden, de intergenerationele effecten van kolonialisme en raciaal trauma, maar bovenal over de mogelijkheid van heling en herstel via contact met natuur. De tuin bij het nieuwe huis speelt een centrale rol en vormt een extra personage. ‘Uprooting’ is traag en bespiegelend. Verwacht je aan veel plantennamen en natuurbeschrijvingen. Het boek is tot dusver niet vertaald in het Nederlands.
In ‘De gouden bril’ van Giorgio Bassani, een korte roman uit 1958, is dokter Athos Fadigati een nieuwkomer in Ferrara. Hij maakt zich geliefd in het stadje en wordt alom gerespecteerd. Maar alles keert tijdens een fatale zomer. Terwijl Fadigati eerder op discrete wijze zijn seksuele geaardheid heeft beleefd, loopt hij er onder invloed van zijn verliefdheid op een jongere man plots een stuk openlijker mee te koop in een badstad waar veel Ferrarezen hun vakantie doorbrengen. Zijn reputatie gaat eraan en de relatie met de gewetenloze minnaar richt hem te gronde.
We teleporteren naar China in de 15e eeuw. Als meisje uit een gegoede familie leer je borduren en musiceren, worden je voeten opgebonden zodat je je alleen nog maar met schuifelpasjes kan voortbewegen en word je op je 15e uitgehuwelijkt om nooit meer buiten de muren van het familiedomein van je echtgenoot te komen. Breng je niet snel genoeg een zoon ter wereld, dan heeft je echtgenoot het volste recht om een concubine in huis te halen. Tan Yunxian, die aan het begin van ‘De vrouwencirkel van mevrouw Tan’ van Lisa See een kind is en haar moeder verliest, staat het ook allemaal te wachten. De opvoeding en kennis die ze meekrijgt van haar grootmoeder, een vrouwendokter met aanzien, en haar vriendschap met Meiling, de dochter van een vroedvrouw die later in de voetsporen van haar moeder treedt, zullen de rest van haar leven bepalen. Aan uithuwelijking kan ze niet ontkomen, maar gaandeweg slaagt ze erin voor zichzelf een plek te creëren en vrouwen te helpen met haar medische kennis. Het boek van Lisa See over vrouwenkracht in het diep patriarchale middeleeuwse China leest als een trein en Tan Yunxian is bovendien een historisch personage en auteur van een nog steeds verkrijgbaar medisch handboek.
‘Gedicht aan de duur’ van Peter Handke las ik al eerder, het is voor mij een herlees-boek(je). Zoals ik me kan voorstellen dat een gelovige troost en inspiratie kan putten uit het lezen van de Bijbel of de Koran, zo kan ik dat uit ‘Gedicht aan de duur’, besefte ik tijdens mijn recente herlezing. De bundel is één lang prozagedicht waarin Handke zijn ervaring van duur onderzoekt. Waarbij je duur zou kunnen definiëren als een gevoel van wezenlijkheid, verbondenheid, een thuiskomen en zijn in jezelf en de wereld. Wat zijn de voorwaarden, wanneer en waar ervaart hij het wel of net niet? Een rode draad is het feit dat de ervaring wezenlijk en noodzakelijk is, maar nooit valt af te dwingen.
In ‘De stenen getuigen’ van Haruki Okoizumi uit 1994 ontwikkelt Tsuyoshi Manase een fascinatie voor het verzamelen van stenen, na een ontmoeting met een stervende soldaat tijdens zijn diensttijd in het Japanse leger in de Tweede Wereldoorlog. De ‘hobby’ loopt uit de hand en speelt een dramatische rol in het gezin van Manase. ‘De stenen getuigen’ vertelt sober en ingehouden over de impact van oorlogstrauma, waarbij werkelijkheid en fictie in elkaar grijpen en je als lezer met niet op te helderen vragen achterblijft.
Bij de nieuwe aanwinsten in één van ‘mijn’ bibliotheken vind ik ‘Zeekatskeletten’, een vertaling van ‘Ossi di seppia’ (1925), de eerste bundel van Eugenio Montale, één van de belangrijkste Italiaanse dichters van de 20e eeuw en Nobelprijswinnaar in 1975. Alleen al die titel vind ik waw en een hoera’tje waard voor de vertalers (Jur Koksma en Joep Stapel). ‘Ossi di seppia’ betekent letterlijk ‘inktvisbotten’, maar ‘seppia’ kan je ook als ‘zeekat’ vertalen, de specifieke inktvissoort waar de kleurstof sepia uit gewonnen wordt. En geef toe, ‘skeletten’ spreekt meer tot de verbeelding dan ‘botten’. Dat mooie neologisme ‘Zeekatskeletten’ en het feit dat de bundel tweetalig is, met links het origineel en rechts de vertaling doet mij, dag na dag geketend aan mijn portie Duolingo-Italiaans, meteen toehappen.
Aangekomen op bladzijde 56 – en eigenlijk al op bladzijde 1 – voel ik tot in mijn zeekatskelet: Montale is een dichter die mij gaat liggen. Op deze bladzijde staat het titelloze gedicht dat begint met ‘Portami il girasole’ (Breng me de zonnebloem). Wanneer een dichter/gedicht mij treft, wil ik vertalen. Ook al prijkt – ahum – de vertaling op bladzijde 57 voor mijn neus. Die neus van me wordt dan eigenwijs en gelooft dat het beter kan, sterker, treffender, het origineel meer recht doend.
Het gedicht van Montale gaat duidelijk over veel meer dan het verplanten van een zonnebloem. Het is een metafysisch gedicht over leven en dood, verlangen naar herstel, opgaan in wat overstijgt.
Kenmerkend in de versie van Montale: luchtige, zangerige rijmen (tja, niet zo heel moeilijk in het Italiaans en veel minder evident in het Nederlands), klankherhaling (het gedicht tintelt en klingelt van de i’s), vloeiende verzen, beelden die in het begin van het gedicht sterk zintuiglijk zijn (verbrande verzilte grond / het gele gezicht van de zonnebloem / de azuren spiegels van de lucht) en in de derde, laatste strofe haast bovenzintuiglijk (blonde transparanties / leven dat verdampt als een essence).
Mijn keuzes bij de vertaling van dit gedicht: inzetten op eindrijm, binnenrijm of klankrijm zonder al te veel verraad aan de oorspronkelijke betekenis, voldoende sterk vertalen (als er ‘azuren spiegels’ staat moet je het niet over ‘blauwe lucht’ hebben), zo veel mogelijk het vloeiende, pittige ritme behouden, niet in woordomslachtigheid vervallen. Het is geen lang gedicht en de betekenissen zijn krachtig en gebald, de uitdaging bestaat erin om die densiteit te bewaren.
Een poging …
***
Breng me de zonnebloem dat ik haar verplant naar mijn verbrande verzilte land, en richt de hele dag naar de azuren spiegels van de hemel haar gele begerige gezicht.
Duistere dingen reiken naar licht, lichamen putten zich uit in een veelkleurig lint: duizend tinten in muziek. Vervluchtigen blijkt uiteindelijk het summum van geluk.
Breng jij me de plant die vervoert naar de goudblonde trance waar het leven verdampt als essence; breng me de zonnebloem die waanzinnig is van licht.
In het Italiaans …
***
Portami il girasole ch’io lo trapianti nel mio terreno bruciato dal salino, e mostri tutto il giorno agli azzurri specchianti del cielo l’ansietà del suo volto giallino.
Tendono alla chiarità le cose oscure, si esauriscono i corpi in un fluire di tinte: queste in musiche. Svanire è dunque la ventura delle venture.
Portami tu la pianta che conduce dove sorgono bionde trasparenze e vapora la vita quale essenza; portami il girasole impazzito di luce.
En nu ook graag de vertaling van Koksma en Stapel? Vooruit dan maar …
***
Breng me de zonnebloem, opdat ik hem verplant naar mijn verzilte geblakerde land, waar zijn geel gezicht de hele dag verlangend op de blinkend blauwe hemel is gericht.
Naar klaarte reiken de duistere dingen, in een stroom van tinten wringen lichamen zich uit – en die in muziek. Verdwijnen is zo het hoogste geluk.
Breng me de plant die het oog verrukt waar goudblond waas het zicht omrandt en het leven als een essentie verdampt: breng me de zonnebloem die zot is van licht.
PS. Wat de foto bovenaan betreft: een zicht op Monterosso al Mare, één van de Cinque Terre aan de Ligurische kust. Montale bracht er een deel van zijn jeugd door, ik had het godsgeluk er te zijn op 6 september 2022 en kan elke sterveling aanraden er prestissimo heen te snellen (net als naar de andere vier karakteristieke kuststadjes, maar best buiten het toeristische hoogseizoen).
Je schrijft en stuurt je werk op. In tijdschrift A heb je nog niet gestaan. Misschien wil tijdschrift B je wel. Het is een bekend riedeltje: kijk of de stijl van een tijdschrift bij je past voor je werk instuurt. Dat blijft doorgaans een hachelijke inschatting. Gewoon proberen dus. Afwijzingen komen meestal snel, dus hoop je dat je niet te gauw antwoord zal krijgen. Maar wachten is frustrerend. Je splijt lichtjes, je leert de spagaat.
Je moet het nooit persoonlijk opnemen als het ‘nee’ wordt, luidt het volgende riedeltje. Natuurlijk doe je dat wel. Je stelt je voor dat er auteurs bestaan die nooit ofte nimmer afgewezen worden. Blijkbaar hou je van wat zelfkwelling. Maar toch: je stuurt in. Er is geen andere optie, je schrijft niet voor de bureaulade. ‘Vrije inzending’ heet zoiets. Niemand heeft om je gedichten gevraagd, maar jij traint ze tot licht impertinente vertegenwoordigers die op een deur staan bonzen en tamelijk onvermoeibaar ‘Doe open!’ blijven herhalen. Soms worden ze weggestuurd. Soms verneem je nooit meer iets van ze. Staan ze misschien wel ten eeuwigen dage op die deur te trommelen en houdt iedereen zich stokdoof daarbinnen. Soms lukt het wel.
Deus Ex Machina – literair tijdschrift, bestaat sinds 1976 – publiceert naar eigen zeggen ‘nieuwe literatuur uit binnen- en buitenland met bijzondere aandacht voor jonge en/of debuterende auteurs & vertalers.’ De deur gaat open voor één van mijn gedichten. Mogen ze het publiceren in het volgende nummer? Dat mogen ze. Na verloop van tijd valt het nummer in de bus.
Het thema is ‘rouw’. Essayistische teksten, persoonlijke teksten, gedichten, tekeningen, schilderijen. Het ziet er mooi uit, de eerste teksten die ik lees trekken mij het thema in. Mijn gedicht is niet opgenomen in de thematische sectie. Het staat achteraan in de afdeling ‘nieuw werk’. Op de allerlaatste – 143e – bladzijde. Wit op zwart. Daar hoort een inwendig mini-vreugdesprongetje bij. Gepubliceerd worden is altijd een moment van tijdelijk arriveren.
Inhoudelijk past mijn gedicht wel wat bij het rouwthema. Ik probeerde er de ervaring in weer te geven van verloren zijn, leegte, alleen staan. Het is het eerste gedicht van een cyclus, maar je kan het ook op zichzelf staand lezen. En nu klaar en naar het volgende? Ja en nee. Gedichten zijn als mensen: hun haren groeien, ze trekken andere kleren aan. Sinds het insturen bleef ik herschrijven. Vooral met de tweede regel was ik niet helemaal tevreden. Ook verderop veranderde er hier en daar wat.
aan deze sneeuwvelden komt geen eind, wit schicht in mijn enkels, weefsels slibben dicht het edelhert hoort hier, niet ik
wind stuwt de eerste mens in dagen naar mij toe mag ik je merken, iets warms op je spelden, ik wil de snelheid minderen waarmee ik je uit het oog verlies roodbevlagd loop je door, je stempelt je spoor naast het mijne maar in tegenrichting, volgt en verlaat me tegelijk
de hermelijn golft wit op wit schutkleur laat hem opgaan in het landschap zonder dat het hem eerst hoeft te doden ik ben herleid tot voetgeploeter, kromming onder een bochel van meegebracht gewicht
de sneeuwhaas verschijnt als een primitieve geest heb ik hem echt gezien tien marmeren vingers reiken
Wordt het er beter door? Dat weet ik niet altijd zo zeker. Als je er een mening over hebt, laat maar komen.