sandra roobaert

    • Blog
    • Boek mij!
    • De inventaris van wat blijft
    • Dichter&Dichter
    • Over mij
    • SchrijfTijdlijn
    • Welkom!
  • Keep writing!

    Nee, ik ga het niet over corona hebben. Niet goed wetend of ik de potentiële lezer daarmee een plezier doe – ‘oef, het zal een keertje niet daarover gaan!’ – of dat ik mezelf zowat moet excuseren – ‘denkt ze nu echt dat er ook maar iets relevant is behalve corona?’.  Sinds half maart is schrijven onmiskenbaar anders. Ik moet mezelf positioneren: schrijf ik ‘daarover’ of net niet? Al wekenlang stel ik vast dat ik er niet over schrijf. Blijkbaar bewaak ik mijn terrein en let ik erop dat het virus niet doordringt. Geen behoefte aan corona-gedichten, corona-overpeinzingen, niks van dat alles. Maar wat dan wel? De paradox is natuurlijk dat ik door toe te lichten dat ik niet over corona schrijf uiteindelijk toch over corona schrijf. Basta dus!

    Er komt weinig vanzelf, zoals dat doorgaans wel het geval is. Aanknopingspunten, beginregels van gedichten tuimelen niet spontaan mijn hoofd in. Dus heb ik besloten mezelf een handje te helpen, want schrijven is, naast mijn reguliere job, ook mijn werk – als er iets is wat ik in deze in sommige opzichten trage weken heb besloten, is het zeker dat. Jezelf een zetje geven om te schrijven, hoe gaat dat?

    Sla een dichtbundel open en beschouw de eerste regel waar je oog op valt als een opdracht. Neem die regel als inspiratie voor een gedicht. Ik sloeg ‘New Collected Poems’ van Tomas Tranströmer open, vond daar achtereenvolgens ‘the only thing that shines’ en ‘and in the evening I lie like a ship’. Hup, schrijven dus.

    Of nog: kies een beeld dat je bevalt en schrijf over wat je ziet. Het werd een schilderij van de Russische landschapsschilder Isaak Levitan, ‘Lente, hoogwater’ (1897).

    xxx

    geheugensteun

    ze daalt af in de kelder
    tussen inmaakpotten aardappels met scheuten ongebruikte stoelen
    nutteloos en voor-het-geval-dat leven er in symbiose
    het enige wat glinstert
    een slakkenspoor op de tegels

    ze is vergeten waarvoor ze kwam
    staart in gedachten naar het spoor

    hebben slakken een geheugen
    en waar komt het eerst een eind aan
    hun vermogen om de weg naar buiten terug te vinden
    of het verlangen van hun lijf naar water

    bovenaan de trap
    weet ze weer dat ze touw zocht
    om oude kranten bij elkaar te binden

    xxx

     

    in de avond

    en in de avond lig ik als een schip
    klaar met aanmeren
    elk blad van de perenboom trilt
    de grasmaaiers zwijgen nukkig
    in donkere schuurtjes

    er is geen zee toch ruist het in mijn oren
    en zingt iemand zeemansliedjes in de verte
    ik kan een kind de dijk af laten lopen
    ijsjes uitdelen tot slot

    en in de avond liggen de woorden stil
    als kleren over de leuning van een stoel

    xxx

    berkentroost

    berkjes op een schilderij van Levitan
    eentje groeit nadrukkelijk krom
    allemaal staan ze in het water
    dunnetjes te weerspiegelen
    vooraan een gammel bootje
    verderop huizen in de watervlakte
    mensen beredderen buiten beeld
    berkjes beschouwen

    27 april 2020

  • het is de kunst

     

    in het licht van deze dag
    blijken straten solide vergaarbakken
    voor de menselijke soort

    buitenwanden discreet opgesteld
    lantaarnpalen kaarsrecht
    strepen getrokken stoepjes gelegd

    dat alles met het oog op nut
    verbeelding prikkelen is voor frivolen
    hier verkiest men degelijke materialen

    binnenwands
    draagt elk van ons een muisgrijs lichtje
    ergens op een rechtgeaarde plek

    spot en hemelwater glijden er vanaf en
    ook met handen er omheen wil het niet aldoor branden
    muisgrijs muisgrijs lichtje

    het is de kunst om vast te houden
    voor zover dat kan

    30 januari 2020

  • Dagboekfragmenten december 2019

    Dit is een experiment. Zoals dat gaat met experimenten kan het worden herhaald of niet. Als je deze blog al langer leest, weet je dat ik dagboeken schrijf. Dat het er intussen veel te veel zijn naar mijn gevoel. Dat ik ze probeer te minimaliseren. Intussen blijf ik ook schrijven. Wat zoiets is als je huis uitruimen en tegelijk dag na dag spullen blijven kopen. Vandaag heb ik alweer een schrift vol. Het is precies één maand meegegaan. En ja, ik wil het kwijt, het is nutteloos papier met nutteloze woorden geworden. Papier en woorden wegen in mijn hand en op mijn gemoed. Kunnen ze dan echt niemand meer van dienst zijn? Besluit: ik deel ze. Een beetje, geselecteerd. Flard, vers, gedachte, observatie. Zoals je de spullen die je het huis uit wil naar de kringloopwinkel brengt. Het is een gok, maar misschien is er iemand die er nog iets mee kan.

     

    05/12/19

    ik word wakker als een stenen roos
    ergens luiden klokken in de staart van een droom
    heb ik iets kostbaars verspeeld
    dichtbij staan rillende paarden in een wei

    07/12/19

    ik blijf je zien
    in elke vermeende kloon
    elke gelijkende manifestatie in
    supermarkt, bibliotheek of trein
    die toch telkens niet jij blijkt te zijn

    Alles is goed als ik weet dat ik niet de dirigent van storm of regen kan zijn. Ik kan een greppeltje graven, mij tegen de wind keren, maar veel meer niet.

    De literaire avond (poëzievoorstelling) moet nog van mij af geboend, van mij af gehaald als een vel van de melk. Alsof te midden van velen zijn mij bedekt met iets wat dan weer moet worden verwijderd. Is dat voor anderen ook zo? Of heeft de man die tussen de krappe rijen stoelen herhaaldelijk met zijn knieën tegen mijn kont stoot, een gsm heeft die hij blijkbaar niet het zwijgen wil opleggen en zijn appreciatie herhaaldelijk het zaaltje in puft, grinnikt of roept helemaal nergens last van? Hoeft hij achteraf niet weer in zichzelf te acclimatiseren?

    11/12/19

    Wanneer ik mij klein en niet opgewassen voel gaat dat ook altijd samen met de overtuiging dat de anderen geen kleinheid hebben. Geen demonen. Dat zij wijs, volwassen, beheerst, alles-op-een-rij, aangepast, ‘in control’ zijn, kortom alles vrijelijk ter beschikking hebben wat ik dan zo hard mis.

    12/12/19

    ‘Verzamelde gedichten’ van Hanny Michaelis. Moet ik eigenlijk morgen inleveren in de bib. Eén van de weinige boeken die ik liever achterover zou drukken en op één geliefkoosd plankje zetten. Zoals Tranströmer. Het zijn gedichten die ertoe doen. Ze hebben eenvoud en pertinentie, gaan rechtstreeks naar één of ander doelwit in mij dat graag wil worden geraakt. Ze zijn maar al te vaak een schot in mijn roos.

    13/12/19

    Vaak lijkt het onmogelijk om te schrijven. Of vind ik het bijna onrein om per se in mijn mentale staat te gaan roeren, er dingen uit te dreggen, afzonderlijke dingen, en ze op te prikken als vlinders. Ik wil het niet doen, maar besef dat ik het wel gedaan wil hebben.

    16/12/19

    Ik begrijp dat sommigen depressief worden van winter. Alles ligt er nat, verzopen, lichtloos bij. Het is niet heel koud, maar wel heel mat en vreugdeloos buiten. Je moet een sterker innerlijk vuur hebben, meer interne bronnen van potentieel goed voelen om winters in een klimaat als dit door te komen.

    21/12/19

    Regen voegt water toe aan de wereld.
    Zo zijn tranen minder zichtbaar.

    Ik verlang naar nieuwe woorden. Soms lijkt het alsof de woorden zo oud zijn dat er alleen maar oeroude, achterhaalde, lamme dingen mee kunnen worden beschreven.

    5 januari 2020

  • stadsbibliotheek

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    de sofa’s zijn er niet al te huiselijk
    maar wel zacht genoeg
    hij heeft een eenpersoons bemachtigd
    en zit nu met de ogen dicht
    slechts lichtjes onderuitgezakt
    het moet niet lijken of hij slaapt

    de beduimelde tassen die zijn bestaan omvatten
    heeft hij wijselijk in een locker opgeborgen
    de groeven haarklitten woekerende baard
    kan hij nergens kwijt

    het heeft er alle schijn van
    dat hij niet voor de boeken komt
    toch staat hij na een tijdje op en gaat dwalen
    zijn geurvlag achter hem aan
    hij benadert de rekken
    zoals hij al lang geen vrouw meer heeft benaderd
    hij probeert het nog een keer
    zichzelf veroveren op onzichtbaarheid

    het cordon van ruggen drijft hem achteruit
    de schone vingers waar zij zich graag door laten beroeren
    kan hij niet bieden
    hij draait zich om en gaat op weg naar de meest verlaten plek
    achterin bij de encyclopedieën
    ten minste zal hij het warm hebben tot sluitingstijd

    15 december 2019

  • Het gedoe dat liefde heet (7): 25 jaar/zilver

    Op 12 november 1994 ben ik getrouwd. Daar zit dus een verjaardag aan te komen, een grote. Nu zijn hij en ik samen geen feestvarkens die op de tafels gaan dansen of banketten voor 100 man inrichten. We plannen iets kleins, leuks, intiems. Laat ik maar beginnen met een gedicht te schrijven, dacht ik. Hier is het. Als je je afvraagt wat het serviesgoed erbij doet: dat kregen we als huwelijkscadeau van familie en het is er nog, net als wij.

     

    in één

    de sleutel herkent het slot
    en ik je dagelijkse lijf
    mijn handen van terugkeer kennen de wijdte van je vleugels
    mijn neus van altijd de geur tussen je hemdkraag en je rechteroor

    meest geliefde herhaling
    kan ik je onderhand noemen
    wanneer we weer eens tienduizend stappen zetten
    langs het bietenveld de putten in de weg het kapelletje
    vier ogen op een bewegende einder
    heupen meedeinend met de horizon
    zelfs onze woorden lopen naast elkaar
    ook wanneer we zwijgen

    het daagt ons wat we nu geworden zijn
    twee dieren in één vel

     

     

    8 november 2019

  • Schrijf eens een ik-hou-van-je-gedicht

    Ik volg een cursus. Een schrijfcursus. Hij heet simpelweg ‘De dichters’. We zijn met negen dichters en één begeleidende dichter. We lezen elkaars gedichten en bespreken ze. Geven plusjes en minnen aan zinnen. Schuiven met woorden en dichtregels en argumenteren wat waar hoe beter kan. Naar onze bescheiden mening. Er zijn ook opdrachten. Geheel vrijblijvend, want dichters zijn geen dwingelanden. Poëtische vrijheid, weet je wel. Eén van de huiswerkjes voor volgende keer: schrijf een niet-melig gedicht waarin je de woorden ‘ik hou van je’ gebruikt. Ik kan het iedereen aanraden. Hier is mijn poging. Misschien is ‘ik hou van je’ als titel gebruiken een klein beetje ‘foefelen’, maar niemand zei dat dat niet mocht.

     

    ik hou van je

    beminnelijk is niet haar merk
    misschien trekt dat hem aan
    een zekere onbuigzaamheid
    in die plooirokjes en blouses van haar
    hij speurt naar aanleidingen
    om te zeggen dat
    precies ja dat
    of liever nog te fluisteren
    wanneer zij haar bril afzet
    haar boek weglegt
    de lamp uitknipt
    ze slaapt voor hij de woorden vindt

    hij droomt ze dan maar tot de ochtend
    tot de sterke koffie die ze delen
    staande bij het keukeneiland
    ze hebben zo hun momenten
    bij het afscheid proeft hij adem
    tandpasta haar kleine glimlach
    waarna ze in de auto stapt vertrekt
    achter het stuur kan je niet sms’en
    dat weet hij wel
    hij neemt de trein
    achttien minuten bij het raampje
    in een overvolle coupé volstaan ruim
    hij drukt op verzenden
    vier woorden
    geen emoticon

     

     

    11 oktober 2019

  • Waarom ik op straat kom voor het klimaat

    Als je in de loop van de laatste acht-negen maanden hebt meegelopen in één van de vele klimaatbetogingen kan je dit stukje gerust overslaan. Jou hoef ik niet meer te overtuigen. Geloof je dat het heus wel belangrijk zal zijn, maar betogen is niet echt jouw ding, eigenlijk heb je daar geen tijd voor, je bent de adolescentie lang voorbij en als al die echte activisten het doen, zal het ook wel goed zijn zeker … Lees dan vooral verder.

    Waarom ik dus op straat kom voor het klimaat (en hoop dat jij hetzelfde gaat doen):

    Omdat ik alle verschil maak. Ja, ik. Waar ik vroeger nog wel eens dacht dat mijn aan- of afwezigheid echt niks zou uitmaken in een massa, zie ik dat nu anders. Een massa kan er alleen maar zijn dankzij elk uniek individu, dus ook dankzij mij. Misschien ben ik wel net het kantelpunt, dat ene dominosteentje dat de hele rij doet omvallen.

    Omdat het mij een gevoel van eigenwaarde geeft. Ik ben minder consumentenvee, minder eenheidsworst, minder anonieme belastingbetaler en meer mens.

    Omdat ik achter de waarden van de klimaatbeweging sta. Telkens wanneer ik meestap valt het mij op dat – ook al is de verontwaardiging manifest – deze massa in wezen vriendelijk is, meedogend, inclusief en vreedzaam.

    Omdat ik ervan overtuigd ben dat we op weg zijn naar een tijdperk waarin deze waarden dominanter zullen worden dan nu het geval is.

    Omdat ik door mijn aanwezigheid en stem duidelijk wil maken dat ik niet akkoord ga met het soort leiderschap dat nog te invloedrijk is overal in de wereld. Het patriarchale, vrouwonvriendelijke, arrogante en egocentrische leiderschap à la Trump, Bolsonaro en consoorten. En ook het onverantwoordelijke, op verdeeldheid gebaseerde leiderschap van onze politici die Vlaanderen en België op een cruciaal moment in de geschiedenis maandenlang nagenoeg onbestuurd laten.

    Omdat meestappen voor mij het verschil maakt tussen machteloosheid en kracht en ik mij liever krachtig dan machteloos voel.

    Omdat ik deel wil zijn van dit verhaal. Als ik ooit kleinkinderen heb die me de vraag stellen: ‘Waar was jij toen, oma?’ wil ik kunnen zeggen ‘Ik was erbij en dat deed ik ook voor jullie.’

    Omdat het mij telkens ontroert. Noem mij gerust een watje maar wanneer ik mij deel voel van die luidkeels protesterende massa pleeg ik steevast even vochtige oogjes te krijgen.

    Omdat ik de leeftijd heb die ik heb. Nog geen grootouder, maar evenmin jong. Ik geloof in de kracht van de jeugd wanneer ik al die piepjonge enthousiaste deelnemers zie en ik vind het uiterst belangrijk dat ze genoeg oudere gezichten rond zich zien, kunnen voelen dat ze niet alleen zijn in hun strijd en bezorgdheid.

    Omdat in het brandpunt van de huidige politieke en economische macht in onze samenlevingen een enorm vacuüm gaapt. Een ethisch vacuüm, een zwart gat waarin elk sprankje verantwoordelijkheid wordt opgezogen. Tot politiek en gezond leiderschap weer samengaan moet iemand voortdurend blijven wijzen op het gevaar van dat vacuüm. Dat is wat alle duizenden die de straat op gaan samen doen. Ook daarom stap ik mee.

    En ja, natuurlijk om dat brandend woud, die bedreigde diersoorten, vergiftigde aarde, die vervuilde lucht, al dat leven dat niet voor zichzelf kan opkomen, dat lijkt me vanzelfsprekend.

    26 september 2019

  • Het gedoe dat liefde heet (6): van eekhoorns, beren en mieren

    Ken je de dierenverhalen van Toon Tellegen? In kort bestek en een beetje poëtisch-filosoferend gaan ze over dieren die opvallend veel weg hebben van mensen, met al hun kleine en grote gevoelens en beslommeringen en al hun edele en minder fraaie karaktertrekjes. Het dierenverhaal hieronder is niet van Toon Tellegen. Ik schreef het vijftien jaar geleden in zijn stijl, toen zowel zijn verhalen als het thema belangrijk voor me waren. Vandaag vond ik de tekst terug, een bladzijde in een oud notitieboek met doorhalingen, tussenvoegsels en verbeteringen. Ik kon me niet herinneren dat ik dit ooit schreef en verbaasde me daarover. Het leek een beetje wonderlijk. Toen ik vanavond door mijn straat fietste, stak er opeens een meter of twee voor me een eekhoorn over. En ik woon dan wel landelijk, overstekende eekhoorns zijn hier nu ook weer niet zo frequent. Het was duidelijk: dat lang vergeten en teruggevonden tekstje wil per se de wereld in. Bij deze.

     

    Op een avond zat de eekhoorn op de tak bij zijn huis. De lentelucht rook naar jong groen en voelde lauw en zacht aan.
    ‘Bijna even zacht als de pootjes van de mier’, dacht de eekhoorn plots. Hij sloot zijn ogen om beter aan de mier te kunnen denken. Toen hij zo een tijdje had gezeten klonk er een stem in zijn hoofd:
    ‘Dag eekhoorn.’
    Het was de lieve stem van de beer. Zo waren ze daar allebei in het hoofd van de eekhoorn: de beer en de mier. Het was moeilijk om alleen aan de beer te denken. En even moeilijk was het om alleen aan de mier te denken. Ze waren er allebei tegelijk.
    ‘Heb ik beer minder graag omdat ik mier zo graag heb?’ dacht eekhoorn.
    ‘En is mier mij minder lief omdat ik beer zo graag heb?’
    Hij wist dat het niet zo was, dat dat iets vanbinnen voor mier en beer niet zo was als beukenotenmoes, die altijd altijd opraakte, hoe zuinig hij er ook op was.
    ‘Nee, dacht hij, ik geef net meer om beer omdat mier mier is, en ik geef meer om mier omdat beer beer is.’
    Eerst dacht hij dat daar iets helemaal mis mee was, maar dat dacht hij niet al te lang. De zon ging langzaam onder en het werd wat killer op de tak, maar de eekhoorn bleef zitten waar hij zat.
    ‘Kan ik de beer vertellen dat ik laatst met de mier heb gewandeld en we toen bleven staan onder een boom vol vogeltjes?’ vroeg de eekhoorn zich af.
    ‘En kan ik de mier vertellen over die avond toen ik met de beer een potje honing at en dat wel de lekkerste honing van de hele wereld leek?’
    De eekhoorn wist dat hij dat niet kon. Even voelde hij zich vreemd alleen.
    ‘Betekent dat dan dat ik nooit helemaal samen zal zijn met de beer? En dat ik nooit nooit alles zal delen met de mier?’ vroeg hij zich af.
    Dat was een droeve gedachte. Maar toen wist hij dat hij nog nooit met wat voor dier dan ook helemaal samen was geweest en ook nooit nooit alles had gedeeld en het misschien ook nooit zou doen. De eekhoorn voelde zich plots heel moe. Wat had hij veel gedacht vanavond. Hij ging zijn huisje in en rolde zich op in zijn staart.
    ‘Straks, als het helemaal donker is, komt de beer’, dacht hij.
    ‘En morgen, morgen zie ik de mier.’
    Hij sliep heel licht en zonder dromen die nacht.

    14 september 2019

  • Vrouwen maken ook wel eens wat

     

    Vrouwen maken ook wel eens wat, behalve kinderen, appeltaarten en wollen sjaals. Niks mis met kinderen, appeltaarten en wollen sjaals natuurlijk! Wat ik bedoel: vrouwen maken ook schilderijen, foto’s, beeldhouwwerken, installaties … Als je in het gemiddelde museum rondloopt, is daar weinig van te merken. Ik vraag het me soms af: hoe groot het aantal werken van vrouwelijke kunstenaars is. Ik gok dat het in een doorsnee museum niet boven de 10% komt. En ja, daar zit een historische logica in. Nog maar een eeuw of zelfs een halve eeuw geleden hadden vrouwen veel minder ruimte, tijd en kansen om zich met kunst bezig te houden. Heel wat vrouwelijke kunstenaars hadden bovendien een partner die ook kunstenaar was en in wiens schaduw ze bleven hangen of voor wiens kunst ze de hunne opgaven.

    Ik let er sinds een tijdje meer op wanneer ik musea bezoek. De vrouwen vallen me meer op dan vroeger. Een constante: vrouwen schilderen vrouwen. Hieronder een lukraak mini-museum van werken die ik de afgelopen jaren zag in Nancy, Metz, Kopenhagen, Stockholm, Wenen en Budapest. Een kleine hulde aan alle vrouwelijke kunstenaars die ondanks alle obstakels toch hun kunst bleven en blijven maken.

     

    Françoise Pétrovich (°1964) – Féminin/masculin (2007)
    Laura Leroux-Revault (1872-1936) – Anne et Jehanne (1894)
    Suzanne Valadon (1865-1938) – Femme aux bas blancs (1924)
    Mijn dochters in een installatie van Yayoi Kusama (°1929) – Piéce avec une infinité de miroirs et de lucioles sur l’eau (2000)
    IMG_8310
    Franciska Clausen (1899-1986) – Circles and Verticals (1930)
    IMG_8318
    Astrid Holm (1876-1937) – Rose laying the table (1914)
    IMG_8416
    Hilma af Klint (1862-1944) – Serie VI # a-c (1920)
    IMG_8449
    Hanne Mago Wiklund – Things that are not and things without names (2018)
    IMG_8527
    Linda McCartney (1941-1998)
    IMG_8529
    Evelyn Bencicova (°1992)
    IMG_8598
    Helene Schjerfbeck (1862-1946) – Girl with Beret (1935)

     

    IMG_8682
    Tyra Kleen (1874-1951) – Forbidden Fruit (1915)
    Czimra Gyula (1901-1966) – Still Life in the Kitchen (1962) / Interior with a Vase (1961) / The Artist’s Room (1957) / Still Life with Candle (1959)
    Natalia Gontsjarova (1881-1962) – The peacock (1912)
    1 september 2019

  • Kill your darlings

    Meer dan een jaar geleden vroeg ik mij af wat te doen met 59 dagboeken. Ik bedacht strategieën … en voerde maandenlang niet één ervan uit. De dagboeken verhuisden, dat wel. In plaats van ze in een vergeethoek in een kartonnen doos te laten zitten, stapelde ik ze netjes op onderin mijn kleerkast. Ik dacht: als ze in het zicht blijven, kom ik er op een dag wel achter wat ik ermee moet. En in het zicht blijven deden ze. Elke keer als ik een blouse of vestje wilde pakken, lagen ze daar. Netjes, maar ook aanstootgevend. Ik kon ze niet in één keer wegdoen, dat voelde alsof ik mijn verleden in een vuilnisbak zou staan proppen. Maar ze gunden mij ook geen rust, ze gedroegen zich als een te zware maaltijd in een overgevoelige maag.

    Het antwoord op de kwellende vraag kwam niet onder de vorm van een aha-erlebnis. Plotse flitsen van inzicht bleven achterwege. Het gebeurde doodgewoon in de praktijk: ik weigerde om het getal van mijn verzamelde dagboeken boven de 59 te laten stijgen. Mijn hele zelf verzette zich ertegen dat de stapels in de kleerkast verder zouden gaan groeien. Het was genoeg. Het vooruitzicht om ooit een bejaard dametje met 135 dagboeken te zijn was ‘too much’.

    Stoppen met schrijven dan maar? Nee, natuurlijk niet. Schrijven is zijn, is leven, bestaan. De nieuwe strategie is: met regelmaat dagboeken minimaliseren. Dat gaat in 3 stappen:

    1. Het dagboek helemaal herlezen en daarbij de bladzijden waar ik wat van wil bijhouden een ezelsoortje bezorgen.
    2. De passages op de ezeloortjes-bladzijden overtypen in een document of fotograferen als ze lang zijn.
    3. Al de rest behandelen als oud papier.

    Ik geef toe, het vergt tijd. Soms is het meer dan bevreemdend om via het geschrevene als met een teletijdmachine teruggeflitst te worden naar de sfeer, gevoelens, contacten, repetitieve gedachten van vele jaren geleden. En confronterend: bij herlezing is er weinig wat ik wil bijhouden. Dagboeken zijn vaak vergaarbakken van gezeur, geneuzel en donkerte. Een half jaar later maakt het meeste wat je een half jaar eerder hebt gedacht niet zo veel meer uit, daar moeten we niet flauw over doen. Maar dagboeken zijn niet alleen maar de spuwbak des levens. Ze zijn ook – eerder zelden maar zo gaat dat nu eenmaal – de schelp waarin het pareltje groeit. Een gedachte, een inzicht, een observatie waarvan bij herlezing mijn hart zich opent, woorden waarvan ik weet dat ze mij telkens opnieuw een goed gevoel kunnen geven. Het zou contraproductief zijn die weg te gooien.

    Intussen heb ik zo een tiental dagboeken geminimaliseerd. Het voelt telkens intens om een heel pak papier dat ik zelf heb volgeschreven te vernietigen. In de wintermaanden stopte ik ze in de kachel. Het had iets gepast dramatisch om de bladzijden te zien blakeren, omkrullen en dan plots oplaaien in de vlammen. Anders dan om ze nuchter tussen platgevouwen karton en oude kranten in de papierbak te stoppen.

    De toren onderin de kleerkast is intussen niet verdwenen, maar ik werk eraan. Eigenlijk is het een voorrecht als je de kans krijgt om je verschaalde liefdesverdriet, roestige zelfkwelling en oudbakken zwartgalligheid zo tastbaar op een hoop te vegen en de deur uit te werken. En helemaal heerlijk om dat lichte bestandje vol met de mooiste, helderste stukjes verleden te zien groeien. Ik heb er vertrouwen in: meer dan 59 volle dagboeken worden het nooit meer. Op termijn wordt dit een nuloperatie.

    4 augustus 2019

Vorige pagina Volgende pagina

Maak een website of blog op WordPress.com

 

Reacties laden....
 

    • Abonneren Geabonneerd
      • sandra roobaert
      • Voeg je bij 62 andere abonnees
      • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
      • sandra roobaert
      • Abonneren Geabonneerd
      • Aanmelden
      • Inloggen
      • Deze inhoud rapporteren
      • Site in de Reader weergeven
      • Beheer abonnementen
      • Deze balk inklappen