Bij wijze van kerstcadeautje valt ‘Oikos, het onafhankelijk tijdschrift voor de sociaal-ecologische tegenstroom’ in mijn brievenbus. Een themanummer over democratie. Een beetje verrassend heeft ‘Oikos’ ook een literaire rubriek, waarin deze keer drie dichters: Margot Delaet, Veerle Decaestecker en ik. Ik vind het een prettige gedachte dat poëzie deel kan uitmaken van de sociaal-ecologische tegenstroom. Niet dat ik de illusie koester dat gedichten stormenderhand de wereld gaan veranderen. Wel denk ik dat we alle vormen van taal nodig hebben om een visie op de wereld over te brengen die ingaat tegen de kapitalistische, neoliberale mainstream. We hebben artikels en non-fictie nodig, maar ook romans, songs, films en poëzie, kwestie van op uiteenlopende manieren verbaal uitdrukking te geven aan onze ideeën en overtuigingen.
Ik denk nooit bewust: tijd voor een klimaatgedicht, maar merk wel dat ik schrijvend telkens terugkeer naar dat thema. Wat mij erin drijft is een mengeling van bezorgdheid en verdriet om wat verloren dreigt te gaan en gaat, maar ook altijd weer hoop en verwondering om al het levende. Dus ik ben blij dat dit titelloze gedicht van me via de klimaatdichtersbeweging zijn weg vond naar ‘Oikos’ en zo weer een nieuw publiek krijgt.
En verder: het jaar loopt af. Voor dichters vaak een gelegenheid voor een gedicht. Wensen die met net wat meer verbale schwung en elegantie verpakt worden dan de tekst op de gemiddelde kerstkaart. Ik heb er altijd een dubbel gevoel bij. Alsof het een dichtersplicht is die ik onder dwang moet vervullen.
Dit jaar heb ik extra het gevoel dat het – tegen een achtergrond van oorlog en verwoesting, giftig leiderschap en nog veel meer ellendigs – onmogelijk voor me is om wat luchtige eindejaarssfeer de ether in te blazen. Ik voel het niet, en kan het dan ook niet faken. De vlam flakkert. Goed, laten we het dan gewoon daarover hebben. Terwijl ik schrijf, ontdek ik dat ik wel een weg zie. Dat die weg ‘iemand’ is. We kunnen het alleen maar samen. Ik denk aan de concrete ‘iemanden’ in mijn leven. En wens iedereen op alle momenten waarop het nodig is iemand die voorbijkomt en de dingen anders maakt. Ook: dat je zelf voor anderen iemand kan zijn.
De dagen vloeien in elkaar in mijn hoofd. Wat was gisteren, wat eergisteren? Zo lang ik in Ravenna was, was elke dag een mozaïekdag. Wat zo geweldig is aan die mozaïeken: als je je niet zo aangesproken voelt door alle religieuze taferelen kan je ook alle decoratieve randen, geometrische patronen, het vogeltjesplafond, de bloemenhemel bewonderen.
Gisteren was er nog even tijd over voor de trein naar Bologna, daarna Firenze, en ten slotte San Miniato vertrok. Wat kunnen we in een uurtje nog doen? Hedendaagse mozaïeken kijken natuurlijk. Inspirerend om te zien hoe kunstenaars in deze streek blijven zoeken naar een weerwoord op / herinterpretatie van een meer dan duizend jaar oude traditie (La casa di Giosetta, Giosetta Fiorini / Hybrid VII, Michela Tabaton Osbourne / Unicorno, Dusciana Bravura).
Opgeladen door al die kunst en cultuur gaat het nu richting natuur. In een paar uur treinen verlaat ik Emilia Romagna en kom ik aan in het Toscaanse San Miniato. Nooit van gehoord? Ik ook niet voor ik besloot bij wijze van experiment vier dagroutes te stappen van de Via Francigena (accent op de i, ontdekte ik nadat ik het al een jaar of twee over de ‘Francigéna’ had, Italiaanse klemtonen kunnen tricky zijn). Het voelt alsof ik in de lente in de trein ben gestapt in Ravenna en nu uitstap in de zomer. Hier is het voelbaar warmer, minstens 26-27°.
Ik neem de bus naar het Convento San Francesco, waar ik een kloosterkamertje voor de nacht heb geboekt. In kloosters logeren is in Italië een interessante budgetformule. Basic, maar doorgaans wel ok. In dit geval hangt het douchegordijn een beetje halfstok en blijft het toilet wel heel lang doorspoelen, maar ik heb eigen sanitair en krijg zelfs een colazione (ontbijt), al blijkt dat weinig voor te stellen. De broeders franciscanen krijg ik niet te zien.
En dan volgt het moment waar ik me al de hele reis een beetje benauwd over voel: rugzak op de rug en stappen. Eerst is er nog een kwartier meet- en paswerk nodig en moeten er nog wat ritsen overgehaald worden om mee te werken. Tot nu toe was er altijd de redding van een extra tasje waar alle overblijvende rommel in kon, maar 23 km stappen met zo’n slingerend tasje aan mijn schouder is geen optie. Wanneer ik mijn rugzak van de grond optil, krijg ik zowat een hartverzakking. Maar zodra hij op mijn rug zit en alle riemen en gespen netjes aangetrokken zijn, gebeurt er een klein wonder. Ik word een pelgrim, geen gezeur, we doen dit wel even.
In het begin heb ik de neiging om nauwgezet mijn Francigena-app te checken, ik heb het idee dat ik in mijn eentje vast verkeerd loop. Na een tijdje laat ik het los en check ik alleen nog bij twijfel. Ik haal wat andere stappers in en kom op tempo. De kilometers glijden net als het golvende landschap voorbij.
Het is best wat stijgen en dalen maar altijd geleidelijk. Alleen de laatste kilometers wordt het echt zwaar: er is geen bescherming tegen de zon en er moet worden geklommen. Italiaanse stadjes met een historisch centrum hebben hier nogal de neiging op een heuvel te liggen en met Gambassi Terme is dat niet anders.
Ik was voor half 9 al aan het stappen en kom tussen 2 en half 3 aan. Ik ga de kerk in en blijf er minstens een half uur afkoelen voor ik op zoek ga naar mijn verblijfsplek. Pelgrims kunnen kerken ook voor andere dingen dan gebeden waarderen.
In zijn laatste dagen vielen mij de handen van mijn vader op. Ze waren oud, maar nog steeds de vertrouwde handen die ik altijd heb gekend. En ook al lag zijn beroepsleven als muzikant al enkele decennia achter hem, besefte ik dat daar zijn essentie school, in het uren oefenen op zoek naar perfectie, het jarenlang concerten spelen met zijn collega’s in het orkest. Ze mogen rusten nu, die handen.
de handen van de muzikant
natuurlijk hebben ze ook gras gemaaid de paardenbloemen uit het gazon gelicht de vrouw uit het geboortedorp bij de hand genomen de auto gewassen, frieten gebakken dochters in de lucht gegooid en weer opgevangen
natuurlijk hebben ze plafonds gewit zadels van kinderfietsen vastgehouden een schild gebouwd rond het gezin, het huis getrommeld op het tafelblad, de stoelen rechtgezet kleinkinderen, een achterkleinkind over het hoofd geaaid
maar naast en boven, rond en onder waren ze de handen van de muzikant de lichte kromming die na jaren spelen niet meer uit de vingers week het spoelen van pistons, de maat slaan, voelen, vormen van de noten warmen van het koper
nooit in te tomen, zonder beven waren ze de handen van de muzikant ze bleven meebewegen, dirigeerden de orkesten op TV, volumeknop op hoogste stand ze mogen rusten nu, hun taak volbracht
Hij en ik staan voor het nieuwe apparaat. Ook al licht het schermpje op, het apparaat weigert te werken. Wat betekent dat we over zo’n tien minuten in de knoei raken met onze timing ten opzichte van 45 à 50 mensen. Wat nu gezongen? Herhaaldelijk drukken op toetsen en knoppen lost niks op. De tijd tikt.
Wat als we nu eens gewoon doen alsof het een computer is, zeg ik. Afzetten, stekker uit en weer insteken.
Hij is licht sceptisch, bekijkt waar het snoer heengaat. Zegt, ja maar kunnen we bij de aansluiting?
Ik kruip half onder het logge ding, vind de stekker, trek hem uit, steek hem weer in. Het apparaat start tien tellen op en reageert daarna weer perfect op onze commando’s. Opgelost, no big deal. We halen onze timing.
Wat later zitten we samen met collega’s en coördinator. Hij vertelt wat er gebeurde. Zegt: dus als dit nog een keer gebeurt, weet dan dat je gewoon even de stekker moet uittrekken en hem weer insteken. Ik denk: hij had er ook bij kunnen vertellen dat ik diegene was die daaraan dacht. Ik denk: hij geeft me geen credit want hij had natuurlijk liever zelf deze doodeenvoudige oplossing bedacht. Ik denk: misschien tast het hem aan in z’n mannelijke eer ofzo dat dat niet het geval was.
Het doet me denken aan wat me wel vaker overkomt met mannen in werkcontexten: wanneer door anderen een appel wordt gedaan op mijn kennis en vaardigheid en zij toevallig in de buurt zijn, nemen ze het over. Zonder aarzelen antwoorden ze in mijn plaats, ondernemen meteen actie om de boel op te lossen. Waardoor zij ten opzichte van anderen overkomen als diegene die de touwtjes in handen heeft en tot wie je je moet richten wanneer er nog eens iets aan de hand is. Elke keer sta ik er een beetje beduusd bij. Reageer ik te traag? Ligt het aan mij? Of zijn er mannen die elke kans aangrijpen om zichzelf als deskundig op te werpen ten koste van anderen? Leven ze vanuit de diepe overtuiging dat een man zijn betekent daadkracht vertonen, de juiste oplossing hebben en daarvoor desnoods een ander opzij schuiven of overpraten? Doen ze dit ook bij mannelijke collega’s, of alleen bij vrouwelijke?
Ik besluit dit mansolutioning te noemen: de neiging die sommige mannen niet lijken te kunnen bedwingen om dingen op te lossen, ook wanneer er een perfect capabele vrouw in de buurt is die als eerste om hulp werd gevraagd. Het lijkt iets kleins, maar zo heel klein is het niet. Het geeft me telkens een lam gevoel. Dat nog versterkt wordt door het feit dat ik er niet op reageer.
Wat kan ik zeggen? Ik apprecieer dat je wil helpen, maar ik kon dit ook gewoon zelf oplossen. Als jij het meteen overneemt, lijkt het alsof ik incompetent ben.
In het geval van het apparaat met een knipoog opmerken: hè, je mag er ook bijvertellen dat ik diegene was die het ding weer aan de praat kreeg.
Ik vrees dat mijn ad rem-factor voorlopig te laag is. Dat er nog wat rondjes mansolutioning voorbij zullen moeten komen voor ik met perfecte timing de goeie woorden vind.
Misschien helpt het ook al om er een naam aan te geven. Is het ook al goed als we dit herkennen, zowel mannen als vrouwen. Dan kunnen we reageren wanneer iemand zegt: waar zeur je over, het maakt toch niet uit wie het oplost, als het maar opgelost raakt. Kunnen we reageren wanneer iemand zegt: het is gewoon toevallig dat de nieuwe ministers allemaal mannen zijn.
Wat niet op sociale media heeft gestaan, is niet gebeurd. Online gezien worden is een primaire levensbehoefte als een andere. Wat menselijk vergelijkingsmateriaal betreft, zorgen de platformen voor een grenzeloos en constant aanbod. Wereldwijd komt er een beweging op gang om voor kinderen en tieners het gebruik aan banden te leggen, wegens de evidente risico’s. Als volwassene word je geacht ermee om te kunnen gaan. Af en toe weerklinkt er een zucht, de vage suggestie dat het anders zou moeten. Er zijn alternatieven, zonder advertenties, zonder misbruik van privacy, maar de vraag of we ze constant in ons leven willen, wordt niet echt gesteld. De aanwezigheid van sociale media lijkt in steen gebeiteld.
Ik voel het geregeld aan als een worsteling. En dan blijf ik nog bewust weg van Instagram, LinkedIn, Snapchat, TikTok, X en andere. Ik heb het in de praktijk dus alleen maar over Facebook, wat ik al moeilijk genoeg vind om mee te dealen. Om te beginnen: het is er, in mijn dag, mijn week, mijn leven. Ik heb vaak het gevoel dat ik het niet links kan laten liggen. Alsof ik een huisdier heb aangeschaft en nu niet meer kan besluiten om het beest gewoon even een paar dagen of langer te parkeren wanneer ik daar zin in heb. Natuurlijk kan dat met sociale media – in tegenstelling tot je huisdier – perfect, maar toch lijkt het alsof ik dan mijn kop in de grond steek. Wegloop van iets wat ik eigenlijk recht in de ogen moet kijken, of zoiets.
Want ik moet reageren.
Moet die duim opsteken.
Een kwestie van beleefdheid.
Ja hoor, ik heb je gezien.
Ik moet hartjes plempen.
Anders gaat hij of zij misschien denken dat.
Afhaken kan niet.
Ik moet op de hoogte blijven.
Straks hoor ik er niet meer bij.
Mis ik contacten.
Kansen.
Dat is de passieve zijde, de reageerkant. Er is ook de actieve zijde, de onderhoud-je-pagina-kant.
Ik moet genoeg doen, want kijk ‘ns wat anderen doen.
Ik moet genoeg bereiken, want kijk ‘ns wat hij of zij alweer gepresteerd heeft.
Ik moet eraan denken om foto’s te maken.
Dit kan ik beter posten.
Dit wil ik posten, iedereen moet het weten.
Kom op met die reacties.
Hou van wat ik doe!
Ik heb een hekel aan zelfverheerlijking.
Dit wil ik helemaal niet.
Sociale media bereiken precies waar ze voor gemaakt zijn: mijn aandacht naar zich toe zuigen en mij in een constante mentale spiraal meetrekken. Soms kan ik het moeiteloos: zit ik bovenop de golf en strooi ik gul met commentaartjes en emoji’s. Op slechtere momenten voelt het alsof de helft van mijn wereld bestaat uit etalage en ik voortdurend moet kiezen of ik erin ga staan en druk met mijn armen ga zwaaien om de aandacht van voorbijgangers te vangen. De kwestie is: mijn etalage is niet de enige, alle anderen hebben er ook één. We zitten in een universum van etalages van waaruit we aan één stuk naar elkaar gebaren. Zie me, vind me leuk, prijs me, loof me. Ik vind het vaak beschamend onvolwassen. Alsof we een bende kinderen zijn die zich alleen van aandacht kunnen verzekeren door hard op en neer te springen. Diep behoeftige wezens voor wie het een kwestie van psychische overleving is om zo veel mogelijk aandacht te krijgen.
Doordat ik er niet echt met anderen over praat, krijg ik de indruk dat iedereen het wel kan. Kijk, het lijkt hen moeiteloos af te gaan. Waarom kan ik het niet? En dan schiet een vertrouwd mechaniekje in mijn persoonlijkheid in werking: als je ergens niet goed in bent, dan moet je gewoon hard werken om dat mankement bij te spijkeren. Voor mezelf besluiten dat ik iets niet hoef te kunnen lijkt altijd neer te komen op struisvogelgedrag en morele zwakheid. In de praktijk ga ik door opeenvolgende fasen van weerstand en adaptatie. Bij weerstand heb ik geen zin om obligaat te juichen, fotoreeksen te bejubelen, of – in mijn persoonlijke geval als dichter met hopen collega-dichters in mijn vriendenbestand – bij het zoveelste geposte gedicht ‘wat knap!’ en ‘prachtig!’ te kraaien. Waar ik uit besluit gewoon een slecht mens te zijn, niet zachtmoedig, ondersteunend, positief, menslievend, gunnend en gul genoeg.
De realiteit is: voor mijn brein, constitutie, gesteldheid is het veel te veel. Ook: op sommige momenten word ik er ronduit onzeker of afgunstig van om dag na dag met mijn neus bovenop de prestaties, publicaties, prijzen en events van anderen te zitten. Ik word constant uit mijn eigen proces gerukt, als een balletje in een flipperkast. Soms droom ik ervan om alleen nog persoonlijk te communiceren met een beperkt aantal mensen in plaats van via bulkberichten waarmee ikzelf en anderen de aandacht van de halve mensheid lijken te willen vangen. In een economische wereld lijkt de wet van het zoveel mogelijk en van het ‘meer is sowieso beter’ onverbrekelijk. Maar het brengt mij tot afhankelijkheid en behoeftigheid en maakt mij soms down. Het ene moment baad ik in dopamine-gelukzaligheid, het volgende ervaar ik een diep tekort of onvermogen ten opzichte van en in vergelijking met anderen.
Wat ik er concreet aan doe?
Bewust niet scrollen. Ik kies om het allemaal niet te bekijken. Dus sorry, ik heb je laatste post doodgewoon niet gezien. Ik hoef het nu even niet te weten. In ruil accepteer ik dat jij het van mij niet hoeft te weten. Voel je vrij. Ben ik zo belangrijk dat tientallen mensen zouden moeten reageren op mijn volgende levensfeit? Nee, helemaal niet. Toch is dat waar sociale media ons toe brengen: voor elkaar een belangrijkheidscultus creëren. Elk van ons waant zich een farao en verwacht dat de anderen met palmtakken gaan staan wuiven. Maar zo belangrijk zijn we niet. Wat wel belangrijk is: het Ik en Jij van Martin Buber, de live ontmoeting in waarachtigheid, hoe aartsmoeilijk die ook is, hoe vaak ze ook mislukt. Wat is er fijner dan het één-op-ééngesprek dat verder gaat dan koe en kalf en waarbij je de ander kan laten voelen: ik zie jou, ik hoor je. Waarbij je je op jouw beurt gezien en gehoord voelt.
Ik ga mezelf wat meer toestaan het niet te hoeven kunnen, de socials. Misschien ben ik dus niet meer op de hoogte van je laatste exploot. En ja, ik ben me bewust van de paradox: als ik dit stuk niet online in de kijker zet, zal zo goed als niemand het lezen. Daar heb ik voorlopig geen oplossing voor. Het is wel mogelijk dat ik je zomaar een berichtje stuur. Aan jou alleen. Wees niet verbaasd. Het is omdat ik de toeters en de bellen neerleg, uit de cultus stap.
Mijn moeder – 92 en zo helder als een klaterende bergbeek – leest elk van jouw columns in Weekend Knack. Zelf doe ik dat – moet ik toegeven – maar af en toe. Telkens wel denk ik: ‘Wat doet hij dat goed!’. Of: ‘Waar blijft hij de insteek halen na al die jaren?’. Deze week had ik mijn moeder aan de telefoon en stond ze erop mij een stukje van je voor te lezen. Het fragment in kwestie ging over een verhandelingswedstrijd waar je in de zesde Latijn-Wetenschappen aan deelnam. Je behaalde de tweede prijs – een computer – terwijl de eerste op reis mocht naar Chicago. En dan komt het zinnetje: ‘Soms vraag ik mij af wat er van hem of haar geworden is.’. Dat kan ik je vertellen.
Het had ook heel anders kunnen lopen met die wedstrijd. Het wat lamme onderwerp – ‘Ik zie niet werkloos toe op de werkloosheid’ – boeide me zo matig dat ik de herhaaldelijke porren van mijn overenthousiaste leerkracht Nederlands al weken probeerde te negeren. Tot ik uiteindelijk toch een verhandeling pende en die instuurde. De dag voor de uitreiking kregen we thuis telefoon van school: ik werd verwacht in Antwerpen om met andere geselecteerden deel te nemen aan een kort debat, waarna zou worden beslist wie de winnaar werd. Email bestond pas 10 jaar later en de brief was op het schoolsecretariaat blijven slingeren, vandaar het bericht op de valreep. De dag daarop ging ik met mijn ouders naar Antwerpen en won, tot mijn eigen lichte verbijstering. Nu blijkt dus dat ik een connectie met jou heb die dateert uit 1986. Hiermee geef ik ons beider opschietende leeftijd prijs, Jean-Paul. Hopelijk vind je dat niet al te erg. En alsnog sorry, een tweede prijs behalen is altijd een beetje sneu.
De trip naar Chicago was een avontuur en een oefening in zelfstandigheid. Ik was nog net geen 17, had nooit eerder alleen gereisd en geen enkele vliegervaring. Van gsm’s was geen sprake en zoiets als een back-upplan voor het geval me niemand stond op te wachten in O’Hare Airport was er, voor zover ik me herinner, niet. Als ik er nu op terugkijk: mijn ouders stuurden me in volle vertrouwen en zonder veel vangnetten naar de andere kant van de wereld. Zo ging dat toen. Ik werd bij aankomst onder de vleugels genomen, herinner me eten in The Berghoff, in het Frans spreken voor een klasje in een high school, in het Art Institute Edward Hopper en American Gothic van Grant Wood ontdekken, de subway nemen, ronddwalen en de Amerikaansheid opsnuiven, met allerlei mensen praten, de subway nemen.
Maar dat was je vraag niet. Je wou weten ‘wat er van mij geworden is’. Dat klinkt alsof je verwacht dat ik ofwel iets belangrijks ben geworden ofwel in de goot ben geëindigd. Zoals bij de meeste mensen ben ik ergens tussenin terechtgekomen. Een eerder onopvallend mens met een tamelijk doorsnee leven, denk ik. Ik ging studeren in Antwerpen, wat toen nog vertaler-tolk heette, trok daarna een half jaar met een studiebeurs naar Moskou, had bij terugkomst net als jij wat shitty jobs met eerder klierige bazen. Rode draad op mijn carrièrepad: jobs laten schieten. Ook best prestigieuze soms, moet ik bekennen.
Wat ik onder andere had kunnen zijn en niet werd, doordat ik ontslag nam of een jobaanbod afwees: Belgisch diplomaat en docent Russisch aan de tolkenopleiding. Waarom ik dat deed? Ik geloof dat ik te veel lak had aan conventies om een job te (blijven) doen omdat hij prestige had, ik voelde telkens oprecht dat het niet was wat ik wou, en om eerlijk te zijn liep ik ook niet over van vertrouwen dat ik de geschikte persoon ervoor was. Intussen had ik een vriend en trouwplannen. We zijn nog steeds samen, een beetje ongewoon in deze tijden, en kregen drie kinderen, intussen volwassen. Kleinkinderen blijven voorlopig uit.
In al die jaren heb ik nog wat ongewone keuzes gemaakt, Jean-Paul. Opnieuw studeren rond mijn 30e en in de hulpverlening gaan in Brussel, een school oprichten omdat het onderwijs mijn gevoelige kinderen kraakte, toen ik in de 40 was auditie doen aan het conservatorium en net niet die bachelor piano afmaken.
Ik moet eerlijk bekennen: jobs bleven altijd een hachelijke zaak. Routine geeft me heel snel ondraaglijke jeuk en escapistische neigingen, ik heb er doorgaans een hekel aan mensen boven me te hebben staan net zo goed als onder me en ik vind heel weinig jobs de moeite waard om 8 uur van een dag aan op te offeren. Die combinatie maakt het net iets complexer laveren op de arbeidsmarkt. Ik heb er altijd heel consequent voor gekozen te werken om te leven. Leven om te werken is me fysiek en mentaal onmogelijk. Mijn risico op burn-out is daardoor tamelijk klein.
Hier past misschien nog iets over die prijs waar we allebei aan deelnamen. Als winnaar kreeg ik ook een trofee: het logo van de Handelshogeschool in metaal, gemonteerd op een marmeren voet. Het ding stond ergens in mijn ouderlijk huis en ergerde me. Ik vond het een typisch symbool van een meritocratische samenleving gericht op prestatie en succes. Een construct waar ik niet aan wilde deelnemen. Ik geloofde in andere waarden. Toen ik tussen 20 en 30 was, zat het me heel hoog. Het feit dat dit de wereld was waarin ik was opgegroeid en klaargestoomd, maakte mij ronduit ongelukkig. Op een dag pakte ik in een bui van frustratie en woede de trofee beet en wrikte aan het logo tot het halfstok hing. Een duidelijke afrekening.
Hoe het nu met me gaat? Best goed, Jean-Paul. Ik werk deeltijds als onthaalmedewerker in een vormingscentrum in het verste putje van onze Ardennen en het ligt me. Ik combineer het met interimdagjes in een verpakkingsvrije winkel in Leuven, gastredacteurschap van een literair tijdschrift en persoonlijk schrijverschap. In 2022 mocht ik nog een keer een eerste prijs in ontvangst nemen in een niet onbelangrijke poëziewedstrijd en ik had het geluk een uitgever te vinden en te debuteren in 2023. Je hoort mij niet klagen.
Dat jou die verhandelingswedstrijd nog zo helder voor de geest staat, dat je de details ervan zo in je column opnam dat ik mezelf erin kon herkennen: ik zie het als een verrassende samenloop van het universum. Laten we de rol van mijn moeder niet vergeten. Als haar oude hoofd minder alert was, had ik die column van je gemist. Ziezo, één onbeantwoorde vraag minder in je leven. Hopelijk heb je iets aan mijn antwoord. Voor verdere vragen blijf ik beschikbaar.
Hartelijke groet,
Sandra
PS. Ik herinner me dat ik een foto had die gemaakt werd van ons hele groepje na de prijsuitreiking. Daar moet jij dus ook opstaan. Ik heb ‘m niet teruggevonden. Ik vermoed dat ik ‘m tijdens mijn woedebui toen de trofee eraan moest geloven heb vernietigd. Daar heb ik nu een beetje spijt van.
De column van Jean-Paul Mulders waar deze blog een reactie op is, verscheen op 6 november 2024 in Weekend Knack onder de titel ‘Prikklok’.
Gedichten hebben een levensloop. Hun embryonale fase kan korter zijn dan die van een goudhamster (dik twee weken) of langer dan die van een zwarte bergsalamander (2 jaar). Ook de bevalling valt in lengte niet te voorspellen. Ook al lijkt het klaar, de dichter kan een gedicht onbeperkt laten liggen of het laten terugkeren naar de fase van zwangerschap en eraan verder werken.
Maar dan toch die geboorte, online of op papier, en daarna een levensloop. Sommige gedichten leiden een rustig bestaan op bladzijde zoveel van een bundel. Andere beleven spannender dingen: winnen een prijs, komen in een bloemlezing, worden voorgelezen op een begrafenis, naar een geliefde gestuurd of jaren in een portefeuille bewaard. Je kan nooit voorzien met welke van je gedichten er meer of minder zal gebeuren.
Er valt een brief in mijn bus, zo’n echt retro papieren ding. Mijn gedicht ‘Randverschijnselen’ blijkt genomineerd voor de Melopee Poëzieprijs. Doorgaans stuur ik zelf gedichten in naar wedstrijden, maar deze keer heb ik er helemaal niks voor gedaan. Melopee bekroont het meest beklijvende gedicht dat voor het eerst verscheen in een Vlaams literair tijdschrift het afgelopen jaar. Een jury selecteert 21 gedichten waaruit de uiteindelijke winnaar wordt aangeduid.
Genomineerd zijn voor een prijs is een gevoel dat met niks anders te vergelijken valt. (Nee, dichters zijn voor de rest echt niet ijdel). In mijn borstkas zwelt een ballon die mij zo de lucht in gaat tillen. Maar dat woord ‘beklijvend’, dat klinkt wel plakkerig, een beetje als opgesteven haverpap. Is dat het effect dat ik met mijn gedichten beoog? Niet over nadenken verder.
Mijn geselecteerde gedicht werd geboren na een ontzettend lange zwangerschap en bevalling. Ik schreef er tientallen versies van en het werd meer dan één keer geboren. Prematuur online in 2020. Daarna volgde feedback na feedback van een hele rist deskundige mensen. Uiteindelijk legde ik alle commentaar naast me neer en schreef een definitieve versie. Waarna geboorte twee in ‘Het Liegend Konijn’ in 2023. Gevolgd door geboorte drie enkele weken later in mijn debuut ‘De inventaris van wat blijft’. Een bewogen leven tot nu toe dus.
Ze zeggen soms dat je een gedicht niet moet uitleggen. De lezer leest er zelf wel het hare in en hoeft vooral niks over de dichter of de achtergrond te weten. Persoonlijk ben ik altijd blij wanneer een dichter iets bij een gedicht vertelt.
Aan ‘Randverschijnselen’ ligt een observatie ten grondslag die mij telkens weer fascineert: wanneer je in een natuurlijke omgeving een obstakel legt, dan doet de natuur extra hard haar best om er overheen te groeien. Ligt er een baksteen in gras, dan zullen precies daar enorme paardenbloemen tevoorschijn wriemelen. Met andere woorden: aan randen groeien dingen harder. Met mensen is het soms net zo. Dat maakt het nog mooier, vind ik.
In mijn gedicht gebeurde in de loop van de tijd allerlei. Er werden bakstenen door een raam gegooid tijdens ruzie. Hondsdraf maakte haakwerkjes. Later verdwenen die regels weer (kill your darlings). Andere dingen deden hun intrede, zoals een kruiwagen die een wiel mist en waarin de ik in het gedicht gaat zitten.
Uiteindelijk gaat het gedicht in mijn beleving over wat ik de assertieve kracht van natuur zou noemen. Iets waar ik graag in opga. Hoe planten en bomen eigenlijk nooit soft zijn, maar ook niet agressief. Ze gaan gewoon hun gang, houden zich niet in, excuseren zich nooit en hebben geen last van schuldgevoel. Je hoort ze niet klagen of jammeren, niet de drama queen uithangen of opscheppen.
De 12e-eeuwse mystica Hildegard van Bingen noemde het ‘viriditas’, de groenkracht die in haar beleving ook een spirituele connectie heeft en een uiting is van de goddelijke aard van de natuur. En van de mens, ook mensen hebben ‘groenkracht’ volgens Hildegard. Ik zie het niet zo religieus, maar ik voel wel iets van het mysterie of de magie.
‘Randverschijnselen’ heeft de aandacht van de Melopee-jury gekaapt, samen met 20 andere gedichten. Waarschijnlijk zal ik het voorlezen op de prijsuitreiking van de wedstrijd op 24 november 2024. Verder kan het een (publieks)prijs winnen.
Ik zag haar in de tentoonstelling over die andere kunstenaar, met wie ze bijna altijd in één adem wordt genoemd. Omgekeerd is dat meestal niet het geval. Zo gaat het vaak. Een vrouw kan blijkbaar moeilijk zonder een man worden genoemd, de man wel probleemloos zonder de vrouw.
De man is ouder en mentor, de vrouw jonger, muze en minnares. Hoewel ze allebei kunstenaars zijn, blijft zij in zijn schaduw, terwijl hij een reus wordt.
Plots was ze daar, in de tentoonstelling. Of eigenlijk alleen haar hoofd. Met een plakkaatje erbij, jaartal, naam. Zonder enige verdere tekst of uitleg.
Weken later keert ze terug, achtervolgt ze mij. Moet ik iets over haar schrijven. Haar naam noemen: Camille Claudel. Vrouw van gips.
Ik kreeg het boek meer dan tien jaar geleden van een vriendin die schilderde en zong: ‘The Artist’s Way’ van Julia Cameron. Het bleef lang in mijn kast staan, tot ik het uiteindelijk las en me met tussenpozen twee keer door het 12-wekenprogramma van opdrachten en teksten werkte dat Cameron enkele decennia geleden creëerde om mensen te helpen ‘de kunstenaar in zichzelf te (her)vinden’. Sinds ik dat deed volgde ik een meerjarige schrijfopleiding, werden gedichten die ik schreef opgemerkt / bekroond / gepubliceerd en debuteerde ik als dichter.
Allemaal te danken aan Julia Cameron? Een één-op-één oorzakelijk verband is er denk ik niet. Bij artistieke creatie spelen nu eenmaal veel factoren een rol, én een dosis geluk. Feit blijft wel dat ik bepaalde Cameron-gewoonten probeer te behouden. Veel minder gedisciplineerd dan zij voorschrijft, maar wel met enige regelmaat.
Eén ervan is de zogenaamde ‘artist date’ of ‘kunstenaarsafspraak’, een wekelijkse afspraak om de kunstenaar in je te prikkelen en verwennen. Met de benaming heb ik moeite. Ik kan mezelf intussen wel ‘auteur’ of ‘dichter’ noemen, maar ‘kunstenaar’? Ik zou het eerder een ‘zuurstofdate’ noemen, omdat het precies dat is wat het doet: het levert mentale en creatieve zuurstof, doorbreekt sleur en spreekt mijn verbeelding aan.
Hoe ziet een zuurstofdate eruit? Je bent alleen, dit is een afspraak met jezelf. Je gaat het huis uit. Je gaat van de gebaande paden af, niet naar het park waar je elke dag je hond uitlaat. Je hebt niet per se een perfect uitgewerkt plan. Misschien stap je gewoon in een trein naar ergens en zie je daar wel welke zuurstof er te vinden is. Je beseft dat niemand precies weet waar je je nu bevindt. Des te beter.
Zuurstof is zowel te vinden op natuurplekken – bos, heide, duinen, rivier, zee – als op cultuurplekken: kerk, museum, onbekende stad, bibliotheek, tweedehandswinkel, jazzcafé, bank op een plein, koffiebar … Zuurstofdates hebben te maken met ontdekking, kleine avonturen, de verrassing van het onbekende, het verlaten van het vertrouwde, het volgen van je gevoel. Deze straat of die daar? Het pad dat naar boven leidt of dat naar beneden? Wat ligt er achter die deur en durf je daar te gaan kijken?
Een zuurstofdate is geen entertainment, geen aanstellerij van artistiekerige types. Het is ook geen verplicht nummertje en geen deal om aan inspiratie te komen. Je kan niet verwachten dat als je maar netjes voor die wekelijkse date zorgt de creatieve flow vanzelf blijft stromen.
Het is meer een erkenning dat creativiteit een staat van genade is die je niet kan afdwingen, maar waar je wel openingen voor kan maken. Door het weefsel van het dagelijkse, praktische, resultaatgerichte tijdelijk te scheuren. Jezelf toe te staan om spelend met ruimte en tijd om te gaan en bereid te zijn op zo veel mogelijk plekken schoonheid te vinden. Soms zal je geen schoonheid vinden, soms zal je je afvragen waarom je uitgerekend naar deze plek moest, soms voel je je gefrustreerd in plaats van geïnspireerd, leeg in plaats van licht of vervuld. Dat hoort erbij.
Nog een reden waarom ik de naam ‘kunstenaarsafspraak’ niet zo geschikt vind? Als je het zo noemt, werp je een drempel op: dit is iets voor kunstenaars, of minstens voor mensen die creatief werk doen. Ik zou het iedereen aanraden. We hebben allemaal zuurstof nodig in de zin van: tijd met onszelf, speeltijd, tijd om onszelf te vernieuwen door dingen te zien en doen die we op de meeste dagen niet zien en doen.
Neem je agenda, plan die zuurstofdate. Bedenk pas wanneer het moment aanbreekt wat je precies gaat doen. Of maak een plan en gun jezelf de vrijheid om er op elk moment van af te wijken.
(De foto’s bij dit artikel zijn gemaakt tijdens zuurstofdates.)
Ze liggen allebei in dat paradijs-op-aarde-geachte Toscane. Wanneer je googelt ‘Florence or Siena’ krijg je een hele reeks websites en blogs die ze netjes op allerlei punten vergelijken. Het hangt er vanaf wat je precies zoekt en waar je voorkeuren liggen, maar ik doe het op mijn volslagen on-objectieve manier nog een keer over.
In de Middeleeuwen ontwikkelden zowel Firenze als Siena zich tot machtige stadstaten. Tijdens de 15e eeuw werd Firenze onder het sterke leiderschap van de Medici’s de bakermat van de Italiaanse Renaissance, terwijl Siena haar middeleeuwse karakter bleef behouden. Rivaliteit was er volop en Frankrijk en Spanje bemoeiden zich ook nog eens met de strijd om de dominantie in de Toscaanse regio, de Fransen aan de zijde van Siena, de Spanjaarden aan die van Firenze. Resultaat: de slag bij Marciano in 1554. Beide partijen gooiden zo’n 15.000 manschappen in de strijd, maar de Florentijnen wonnen glansrijk, dankzij hun superieure artillerie. Op termijn werd de Republiek Siena ontbonden en geannexeerd door het Hertogdom Firenze. Einde verhaal.
Wat was er gebeurd als Siena het had gehaald? Zou het er nu anders uitzien dan? Ik stel me voor van wel. Het lijkt alsof ze hier een paar tijdperken bewust aan zich voorbij hebben laten gaan, alsof de stad gespaard is gebleven van een alsmaar heftiger oprukkende moderniteit, van de dwang en de eisen die te maken hebben met de centrale stad van een regio zijn. Ik ben voor de derde keer in Siena en vind het weer even betoverend, door en door Italiaans en toch zo anders dan andere steden. Dat heeft zeker te maken met de keuzes die hier gemaakt zijn in de loop van de tijd en waar nog steeds aan wordt vastgehouden. Op het eerste gezicht valt het allemaal niet zo op, maar wanneer ik me afvraag wat ik nu precies zo geweldig vind aan Siena kan ik er wel de vinger op leggen.
De esthetische eenheid en harmonie van deze plek is verbluffend prachtig: hoewel er net als in elke andere stad historische lagen aanwezig zijn die door elkaar heen lopen, met oudere en nieuwere gebouwen, past alles visueel bij elkaar. Het algehele beeld van middeleeuws bruin / oranje / okergeel is intact gebleven, het lijkt zelfs alsof de dakpannen hier door één enkele dakdekker geleverd zijn. Geen hoogbouw aan de horizon, geen uitrafelende randen met aartslelijke bedrijvenzones, geen fabrieksschoorstenen die het zicht verstoren op het glooiende Toscaanse landschap rondom. Waar zie je nog iets dergelijks in Europa?
De middeleeuwse beslotenheid van de stad is bewaard gebleven. Stadspoorten zijn hier nog functioneel, niet die afgebrokkelde overblijfsels met een plakkaatje erbij waar een stadssnelweg onderdoor of langsheen raast. Autoverkeer blijft daarbuiten, als voetganger stap je onder de stenen boog door en ben je ‘binnen’. De straten zijn op prioritaire voertuigen na zo goed als verkeersvrij en een gevoel van traagheid en intimiteit overvalt je. Het centrale plein, de Piazza del Campo, versterkt die intimiteit: het is volledig omsloten door gebouwen en de meeste toegangen zijn overwelfd en voorbehouden aan voetgangers. Door de schelpvorm heeft het iets van een afhellende kom of een natuurlijk theater zonder trappen en nodigt het vanzelf uit om te gaan zitten, ook al zijn er geen zitbanken.
Het Palazzo Pubblico met de typische Torre del Mangia erboven volgt de welving: de zijvleugels staan licht naar de middelvleugel toe gebogen. Op dit plein kan je heilzame leegte ervaren, ‘s morgens wanneer de zon nog niet boven de gebouwen uitstijgt. Zodra dat wel het geval is, zie je de schaduwen van minuut tot minuut opschuiven Ook verderop in de dag voelt het nooit te druk of overbevolkt aan. Terrassen liggen aan de rand en domineren niet, er staan hooguit enkele souvenirkramen en nee, natuurlijk valt hier niet te parkeren. Er klinkt een politiefluitje: twee lange-afstandfietsers moeten afstappen en met de volgepakte fietsen aan de hand verder.
Is het iets wat we in moderne steden veelal niet meer hebben, dit soort van veilige gevoel, je omringd weten door een geheel, een cirkelvorm waarbinnen je je beweegt? Door hier te zijn merk ik het contrast: in veel andere steden voel ik me als het ware blootgesteld in een veel te ruime, openliggende omgeving. Deze stad is nog op mensenmaat. Er zijn geen brede straten, geen lawaaierige kruispunten. Alles is ook binnen stapbereik: op heel veel straathoeken staan wegwijzers naar de belangrijkste ijkpunten van de stad met de afstand in stapminuten. Het maximum is 15. Je hoeft niet met een stratenplan of met je gsm in de hand te lopen.
Toch voelt Siena helemaal niet aan als een Italiaans Bokrijk. Het is geen imitatie of een opzettelijk onder een stolp gehouden plek. Toerisme is er heel aanwezig, maar tegelijk merk je dat mensen er doodgewoon wonen, werken en leven, al kan je je voorstellen dat ze opgelucht ademhalen wanneer het toeristische seizoen weer voorbij is. Er zijn bijzonder veel horecazaken en ook een hoop typische souvenirwinkels die grotendeels goedkope rommel verkopen, maar er lijken nergens plekken te zijn waar ze allemaal op elkaar gestouwd zijn tot toeristenfuiken. Het fenomeen ‘Mc Donald’s naast Primark naast Starbucks naast H&M’ ontbreekt hier, net als het verschijnsel ‘Chanel naast Prada naast Gucci naast Hermès’. Ik ervaar het als een totale verademing. Er is kleinhandel en ook wat keten-winkels, maar er lijkt een duidelijke keuze gemaakt voor Italiaanse merken, kleine oppervlaktes en geen al te sterke concentraties.
Cultuur absorberen kan hier zoals overal in Italië: kerken genoeg, de Duomo is als je het mij vraagt de mooiste kerk in heel Italië – mooier dan die van Firenze en dan de Sint-Pietersbasiliek in Rome -, en met alle musea die er zijn ben je wel een paar dagen zoet, maar er worden geen speciale toeristenervaringen gecreëerd. Er vallen geen 3D-shows, panoramische liften of spectaculaire ervaringen te scoren. Cultuur is hier nog eenvoudig: alleen om de Torre del Mangia te bestijgen – te voet, 300 trappen – heb je een time slot nodig, voor de rest kan je het stellen zonder (online) reservaties, boekingen en apps.
Siena is netjes. Je ziet er geen straatvegers, maar ’s morgens word je wel wakker van de straatveegmachines. Voor de rest lijkt het alsof iedereen zich vanzelf gedraagt en niet achteloos weggooit. Er lijken ook geen bedelaars te zijn. Wijst het op welvaart, een goed sociaal beleid of een rigoureus buiten beeld houden? Ik weet het niet, maar het valt wel op.
Is Siena ook stil? Niet per se. Je nachtrust kan verstoord worden door gezelschappen die zich onder invloed van alcohol luidruchtig naar hun logies begeven, net zo vaak in het Italiaans als in andere talen. Ben je er tijdens het feest van één van de patroonheiligen van de stadswijken, dan kan je genadeloos middenin de nacht uit je bed getrommeld worden. Ook overdag kan je op een stoet of een trommelrepetitie stuiten. Net als in de middeleeuwen waarschijnlijk, want de tradities die samenhangen met de Palio, de beroemde paardenrace, is vele eeuwen oud.
Geen idee in welke mate het aan die slag bij Marciano van 470 jaar geleden ligt, en machtig jammer dat hij voor de Siënezen zo pijnlijk en bloedig afliep, maar ik ben ontzaglijk blij met Siena zoals het is. Voor mij is het een plek waar ik telkens naar wil terugkeren. Iets wat ik dus niet heb met Firenze, ondanks de Duomo en de Botticelli’s, de David, de fonteinen en de pleinen.