Het is iets wat mij tamelijk constant bezighoudt: wat kan je doen in het licht van wat er allemaal gebeurt in de wereld? Natuurlijk heb je als individu weinig verweer, maar je moet wel een houding vinden. Weiger je nog te kijken, verval je in pessimisme of cynisme, word je activistisch, hou je ondanks alles hoop?
Met cijfers kan ik weinig, het zijn te ver uitgezoomde beelden van dood, vernieling en rampen. Alle ellende wordt een immens, onoverzichtelijk blok. Ik krijg dan de indruk dat ik kijk met de ogen van de aanstichters, die bij hun ontbijt het klinische overzicht krijgen van hun verwezenlijkingen.
Inzoomen werkt beter voor mij, weten hoe iemand ter plekke het beleeft. Iemands invalshoek, iemands verhaal. Zoals deze …

Wanneer Rusland in oktober 2022 Oekraïne binnenvalt, werkt Artem Chapeye als vertaler en journalist en is hij overtuigd pacifist. Hij heeft een partner en twee jonge kinderen, het lijkt de logica zelve om zijn gezin te beschermen en op de vlucht te slaan. Dat is hij dan ook in eerste instantie van plan. Maar hij kan het niet. Hij kan niet moreel verantwoorden dat anderen het land zouden moeten verdedigen in zijn plaats. Zijn pacifisme lijkt plots hol, een idealistische en niet langer houdbare overtuiging. Hij neemt het moeilijke besluit om zich bij het Oekraïense leger aan te sluiten en te vechten voor zijn land, terwijl vrouw en kinderen naar het westen vluchten.
Chapeye geeft je een blik van binnenuit. Geen heldenverhalen, wel een onverbloemd relaas van gewetensnood, angst, fysiek ongemak, twijfel en schuldgevoel om te weinig te doen. Hij stelt vast dat zijn legereenheid voor een flink deel bestaat uit arbeiders, vrachtwagenchauffeurs, kraanbestuurders en dat hoger opgeleiden veel makkelijker de achterpoortjes weten te benutten om te ontsnappen aan militaire dienst. Hij vindt in het leger kameraadschap en solidariteit met mannen die hij in het gewone leven nooit als vriend zou hebben en neemt zich stellig voor niet te verharden. Ook al zijn ze de vijand, ook de Russen zijn mensen, blijft hij zichzelf voorhouden.

Francesca Albanese kennen we als Speciaal Rapporteur van de VN voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden. In haar rapporten en publieke optredens is ze bijzonder kritisch over de rol van Israël en de houding van het westen. Ze veroordeelt het geweld van beide zijden, maar schroomt niet om de woorden genocide en apartheid te gebruiken. Telkens weer wijst ze op de stelselmatige, decennialange onderdrukking van het Palestijnse volk en het recht op zelfbeschikking.
Albanese krijgt tegenkanting en haatreacties te verwerken en wordt als antisemitisch weggezet. Maar ze blijft onvermoeibaar haar bevindingen aan het licht brengen. Ze lanceert begrippen: ‘unchilding’, wat staat voor de manier waarop Palestijnse kinderen het recht wordt ontnomen om hun kindertijd te beleven. ‘Dehumanizing’, voor de manier waarop Palestijnen door de bezetter worden voorgesteld als minder dan menselijk. Krachtig is haar neiging om vragen te blijven stellen, te wijzen op tegenstrijdigheden en haar openheid om zelf door anderen te worden gecorrigeerd.
In ‘Wanneer de wereld slaapt’ verweeft ze haar ervaringen als voormalige inwoner van Oost-Jeruzalem met haar opeenvolgende jobs bij de VN en haar uiteindelijke rol als Speciaal Rapporteur. De tien hoofdstukken van het boek vormen even zovele portretten, van zowel Joden als Palestijnen. Een onschuldig slachtoffer, een Palestijnse arts, een Joodse academicus, een Palestijnse kunstenares …

Op vrtMAX zag ik de film ‘Io Capitano’ (nog te bekijken tot 09/09/’26). Het verhaal is fictief, maar waarheidsgetrouw. Twee Senegalese tieners, Seydou en Moussa, besluiten tegen de wil van hun moeders in hun dromen na te jagen in Europa. Daarvoor moeten ze een levensgevaarlijke reis ondernemen per bus, vrachtwagen, te voet door de Sahara en in een gammele boot van Tripoli naar Sicilië.
Ze krijgen te maken met bedrog, wreedheid, en slavernij, maar ondervinden ook onverwachte steun en zorg. Ze raken elkaar kwijt en vinden elkaar terug. Tot Seydou voor de loodzware verantwoordelijkheid komt te staan om zonder enige ervaring een overvolle boot met vluchtelingen over de Middellandse Zee naar Italië te besturen.
Dankzij dit soort verhalen kijk ik anders en sta ik er meer bij stil wat ik in de praktijk kan doen. Ik kan doneren, kan deelnemen aan manifestaties, kan anderen vertellen over wat ik las of zag.
En ik kan schrijven. Op 4 oktober 2026 om 15u neem ik deel aan de poëzielezing tijdens de finissage van het participatief kunstproject ‘Ook de engelen treuren’ van Ingrid Dewit in Sint-Michiel Vredeskerk in Leuven. Een eerbetoon aan de kinderen die het leven verloren door het oorlogsgeweld in Gaza. Met gedichten breng je geen kinderen terug, nee. Maar overal waar mensen samenkomen, gedenken, spreken in de publieke ruimte verandert er wel iets en kan nieuwe hoop ontstaan.





























