Bij wijze van kerstcadeautje valt ‘Oikos, het onafhankelijk tijdschrift voor de sociaal-ecologische tegenstroom’ in mijn brievenbus. Een themanummer over democratie. Een beetje verrassend heeft ‘Oikos’ ook een literaire rubriek, waarin deze keer drie dichters: Margot Delaet, Veerle Decaestecker en ik. Ik vind het een prettige gedachte dat poëzie deel kan uitmaken van de sociaal-ecologische tegenstroom. Niet dat ik de illusie koester dat gedichten stormenderhand de wereld gaan veranderen. Wel denk ik dat we alle vormen van taal nodig hebben om een visie op de wereld over te brengen die ingaat tegen de kapitalistische, neoliberale mainstream. We hebben artikels en non-fictie nodig, maar ook romans, songs, films en poëzie, kwestie van op uiteenlopende manieren verbaal uitdrukking te geven aan onze ideeën en overtuigingen.
Ik denk nooit bewust: tijd voor een klimaatgedicht, maar merk wel dat ik schrijvend telkens terugkeer naar dat thema. Wat mij erin drijft is een mengeling van bezorgdheid en verdriet om wat verloren dreigt te gaan en gaat, maar ook altijd weer hoop en verwondering om al het levende. Dus ik ben blij dat dit titelloze gedicht van me via de klimaatdichtersbeweging zijn weg vond naar ‘Oikos’ en zo weer een nieuw publiek krijgt.
En verder: het jaar loopt af. Voor dichters vaak een gelegenheid voor een gedicht. Wensen die met net wat meer verbale schwung en elegantie verpakt worden dan de tekst op de gemiddelde kerstkaart. Ik heb er altijd een dubbel gevoel bij. Alsof het een dichtersplicht is die ik onder dwang moet vervullen.
Dit jaar heb ik extra het gevoel dat het – tegen een achtergrond van oorlog en verwoesting, giftig leiderschap en nog veel meer ellendigs – onmogelijk voor me is om wat luchtige eindejaarssfeer de ether in te blazen. Ik voel het niet, en kan het dan ook niet faken. De vlam flakkert. Goed, laten we het dan gewoon daarover hebben. Terwijl ik schrijf, ontdek ik dat ik wel een weg zie. Dat die weg ‘iemand’ is. We kunnen het alleen maar samen. Ik denk aan de concrete ‘iemanden’ in mijn leven. En wens iedereen op alle momenten waarop het nodig is iemand die voorbijkomt en de dingen anders maakt. Ook: dat je zelf voor anderen iemand kan zijn.
Sinds enkele maanden maak ik deel uit van Dichters in Beweging in Leuven en daar heb ik nog geen seconde spijt van gehad. Het zet mijn schrijven in een nieuw licht en geeft een gezonde draai aan de molen. Wat me lang tegenhield, was onder meer dat ik mezelf geen geweldige gelegenheidsdichter vind. En thematisch schrijven is net eigen aan Dichters in Beweging. De deelnemende dichters schrijven telkens over een specifiek thema, houden twee feedbackmiddagen en geven dan een lezing van geselecteerde gedichten.
Vaak zijn de thema’s ruim genoeg om er ‘oude’ gedichten bij te betrekken die je nog in de lade hebt liggen of werk dat eerder gepubliceerd is, maar het is natuurlijk net pittig om de uitdaging van het opgelegde onderwerp aan te gaan en iets nieuws te schrijven. Dat lukt uiteindelijk beter dan verwacht, de themastress blijft beperkt. Feedbackmomenten groeien telkens uit tot gonzende bijenkorven van creatieve kruisbestuiving. Mooi meegenomen ook dat er altijd maatschappelijke betrokkenheid in de thema’s zit.
Logisch dus dat de Dichters in Beweging meedoen met de Warmste Week. Op zaterdag 13 december geven we zichtbaarheid aan onzichtbare ziektes. Dat doen we via onze gedichten en door twee Leuvense verenigingen uit te nodigen die een project indienden voor de Warmste Week. Wie de gelegenheidsbundel koopt, steunt vanzelf de Warmste Week.
Enkele dagen later krijg ik het nog een keer warm op de Voorleesavond van Woordentij in het Bisschopshuis in Brugge. Meer dan 100 dichters bezorgden ‘Dichtregels voor onzichtbare zieken’, meteen ook de titel van een bloemlezing die ten voordele van de Warmste Week verkocht wordt. Een heleboel dichters zullen hun gedicht voorlezen op 17 december. Vermoedelijk wordt dat een heuse marathon daar in Brugge.
Al even een opwarmertje? Hieronder de start van één van de gedichten die ik in Leuven zal lezen. Welkom!
je bent niet de bladzijde in het handboek niet de symptomenlijst online je bent niet de lijm op het etiket niet de fibro de nervosa niet de parkinson de bipolair je bent niet de wachtzaal niet de stoel in de wachtzaal je bent niet de mri het resultaat van de mri niet de diagnose het dossier …
Vanaf het station door het park, oase van oker, amber, caramel, roest. De bomen staan in vlam in de zon, de dag voelt lente-achtig, het is veel te warm voor de tijd van het jaar. Heerlijk en tegelijk zorgwekkend. Is er een woord voor de complexe gevoelens die klimaatverandering oproept? Klimaatverwarring? Klimaatgespletenheid? Of is het een klimaatspagaat, dit weten dat er iets grondig fout zit maar toch genieten van het zachte weer?
Daar is het museum. De tentoonstelling van de fotograaf over de zee. Er zijn heel veel mensen, zich verdringend voor de zeefoto’s, de zeeschilderijen. Veel meer mensen dan op een doorsnee herfstdag op een strand. We willen kijken met de blik van de fotograaf, niet met onze eigen blik op een werkelijke zee.
Zo heb ik de zee nog niet gezien. Onbeweeglijk met hooguit fronsrimpels. Als een doek van onderop bewogen door een melancholisch zeedier. Als de vacht van een rennende wolf. Als een laat donker schilderij van Rothko. Als een bergketen. Een mysterieus traag waterlandschap.
Waarom kijken we niet met de blik van de vissen?
In het filmpje spreekt de fotograaf over het vlies op de zee, de zee als plafond van het water, als bodem van de lucht. En dat ze opwoelt: ideeën, gedachten, twijfels, gevoelens neigend naar het extreme, diepe angst, maar ook vitaliteit en levenslust.
Voor het tijd is om te vertrekken een ommetje in het voor de rest bijna lege museum. Even dag gaan zeggen bij een paar geliefde schilderijen.
Volgende etappe van de dag: lunch met vriendin/dichter. Bijpraten: volgende-bundelverhalen, uitgevers-verhalen, zeg-wist-je-al-verhalen. Is dat laatste een beter woord voor roddels? Er moet ook nog iets gevierd, een prachtig excuus voor taart.
Samen naar de bundelvoorstelling van een collega-dichter. In de auto: gezinsverhalen. De dame van de gps stuurt ons zowat het kanaal in. Of onze aandacht was iets te veel bij de gezinsverhalen, dat kan ook.
Een mooi voormalig schildersatelier. Bekenden, kussen, een compliment, een hoge concentratie dichters. Gedichten zijn in staat de lucht op te warmen. Te weven en je in te wikkelen. Met velen in de woordendeken.
Daarna met een andere vriendin/dichter huiswaarts. Nog meer dichtersverhalen, plannen-verhalen. Soms vervloek je jezelf: kon je niet iets coolers bedenken dan dichter worden? Maar op dagen als vandaag is dichter zijn ook gewoon spannend, ben je deel van een genootschap. Dat van de taalontdekkingsreizigers, of zoiets.
Net de aansluiting missen voor het laatste stukje trein tot thuis. Een uur wachten. Naar het Frietcafé dan maar. Gedichten lezen in de vette walm, een Russisch sprekend gezelschap aan het buurtafeltje afluisteren.
Blad valt, een mens valt. Mijn vader viel herhaaldelijk, tot hij in het ziekenhuis terechtkwam en niet meer terugkeerde. Intussen zijn er 8 maanden voorbij. Ik kon er niet niet over schrijven.
‘Piketpaaltjes voor een haperend geheugen’. Onder die noemer verzamelde MUGzine gedichten voor een nieuw nummer. Mijn vadergedichten mochten er ook in. Intussen al enkele weken geleden verschenen, maar morgen 1 november, daar passen ze wel bij. Mijn moeder leest de gedichten. Vertelt me over de tijd die verstrijkt.
De tijd doet vreemd, vind ik. Hij krult op en strekt zich uit, als een rups. Het gaat traag, het gaat snel. In de zomer ging ik van Facebook af. Een literair zelfmoordplan voor een auteur, als je de marketingpraatjes gelooft over hoe belangrijk sociale media zijn om jezelf te promoten. Mijn digitale uithangbord is gewist, dus moet ik nu lijfelijk de ambassadeur van mijn poëzie zijn. Ik ontmoet nieuwe mensen, begeef me op nieuwe plekken en heb altijd minstens een bundel bij. Ik duw ‘m niemand ongevraagd onder de neus, maar verzwijg ook nooit meer dat ik schrijf. Altijd is er wel iemand die vraagt: ‘En kunnen we jouw gedichten ook ergens lezen?’. Natuurlijk. Zo verkoopt de bundel zachtjes zichzelf. Niet als zoete broodjes, eerder als bij gelegenheid een croissant op zondag.
Ik vind het allemaal prima. De bib vraagt: kan je een lezing geven tijdens de Poëzieweek in januari? Graag! We mailen over subsidie, over een affiche. Zijn mijn gedichten geëngageerd? Vooruit maar.
Na maanden wachten komt er een mailtje van Literatuur Vlaanderen: je aanvraag voor een literaire beurs is goedgekeurd. In 2025 en 2026 kan ik schrijven met subsidie. Wow, dankjewel! Ik praat met mijn uitgever (nu ja, hij praat en ik luister, af en toe krijg ik er een speldje tussen). Bundel twee komt plots sterker in het vizier.
Literaire tijdschriften verdwijnen. ‘Verzin’ houdt op te bestaan. Jammer, ik schreef er de afgelopen jaren met plezier voor. Publiceren in ‘Het Liegend Konijn’ is vanaf nu verleden tijd, het laatste nummer is net verschenen. Maar laten we niet pessimistisch zijn. Poëzie is buigzaam. Waar ze niet kan staan, kruipt ze. Tussen voegen en spleten vindt ze haar weg, naar lezers, naar luisteraars. Blijven schrijven dus.
Een paar weken geleden stapte ik mee in de Leuvense Pride, achter een metersbreed spandoek, in een minstens drie maten te groot shirt. ‘Proud to be a Trans Parent’ schreeuwden het spandoek, mijn rug, de ruggen van andere ouders. Langs de straten glimlachende gezichten, enkele licht sceptische blikken, handen die het hartsymbool vormden of klapten, één boze man die een fluim onze kant op stuurde.
Misschien had er beter gestaan: ‘Proud of my Trans Kid’. De transitie naar de als juist aangevoelde identiteit en lichaam is een loodzware weg, fysiek en mentaal. Heeft niks te maken met de onzinkramerij van onwetenden die het afdoen als hippe grillen en losgeslagen keuzevrijheid. Ik ben trots op mijn transdochter. Hoe moeilijk, mentaal zwaar en fysiek pijnlijk ook, ze waagde de sprong, duwde door, hield vol. Ze werd door die transitie een mooier, heler, vollediger mens, al wordt het nooit een Disneyfilm met eenduidig happy end.
Vroeger ging ik niet naar Prides. Ik had vrienden in de LGBTQ+-community, ik sympathiseerde, maar toch ging ik niet. Onlangs zei iemand tegen me: ‘Ik weet niet waarom ik naar zo’n Pride zou gaan, want zelf ben ik niet LGBTQ+’. Ik herken de denkfout. Dat het niet over jou gaat omdat je niet ‘één van hen’ bent. Waar het om gaat is niet identificatie, maar solidariteit. We zitten in een wereld waar bepaalde krachten ons maar al te graag uit elkaar willen spelen in wantrouwige fracties. In wij en zij zonder raakvlakken. Een Pride met enkel ‘betrokkenen’ is niet meer dan een assertieve uiting van ‘wij zijn er ook, zie en erken ons’. Een Pride met massaal deelnemers die niet L of G, B, T, Q of + zijn is een krachtig signaal van een solidaire samenleving. We kunnen allemaal op een dag tot een geviseerde minderheid behoren, het gaat veel sneller dan je denkt. Als die dag komt, zullen we maar wat blij zijn dat wie er zogenaamd niks mee te maken heeft ook voor ons de straat op gaat.
De dag na de Pride lees ik op een Amerikaans forum een gedicht met als titel TIVE, wat staat voor Transgender Ideology-Inspired Violent Extremism. Het is geen verzinsel, dat acroniem probeert de Heritage Foundation te verspreiden in de VS. Vanuit ultrarechtse hoek wordt transgender zijn afgeschilderd als een ideologie met een extreem en gewelddadig karakter. Het zal bij ons nog niet meteen zo’n vaart lopen, maar in een aantal Oost-Europese landen – leden van de EU nota bene! – worden de rechten van transpersonen stelselmatig ingeperkt. Hoewel België één van de meest progressieve landen is op het vlak van transrechten, groeit ook hier de intolerantie, met name bij jongeren.
Ik vertaalde het gedicht ‘TIVE’ van Gray Davidson Carroll. Het origineel kan je lezen op de site van poëzietijdschrift Rattle.
Ik word ‘s morgens wakker en ben een terrorist. Ik doe de vaat, ik lees het nieuws. Mijn handen zijn de handen van een terrorist. Mijn oren de oren van een terrorist. De onderkant van het rechter een hobbelige richel waar, toen ik een kind was, mijn vader me sneed tijdens een ongewenste knipbeurt. Ik ren door het centrum van de stad en mijn voeten die het asfalt meppen zijn de voeten van een terrorist. Ik ga naar mijn favoriete koffieplek waar alle barista’s terroristen zijn. Daar ontmoet ik mijn vriend van het terroristische breiclubje. Hij maakt prachtige truien, steevast versierd met bloemen. Alle mensen van wie ik het meest hou zijn terroristen! In de terroristenbar, waar alle drankjes genoemd zijn naar beruchte terroristen, zoeken onze heupen toenadering als een gebed. Ook onze heupen zijn terroristisch, eindelijk leren ze hoe de scepter te zwaaien. Elke zondag loos ik terrorisme in mezelf via de punt van een naald. Elke dag slik ik een pil om de groei te metastaseren. Ik wist dat ik een terrorist was toen ik acht jaar oud was. Datzelfde jaar vond ik mijn grootvaders glock in het nachtkastje zette de loop aan mijn mond denkend dat ik misschien, een seconde lang het geluid van de verlossing kon proeven. Hoeveel geliefden heengegaan intussen wegens datgene in hen waar de wereld niet moedig genoeg voor was. Trauma is een goudmijn voor de poëzie, zei iemand na de lezing waarin ik sprak over mijn vriendin die in haar eigen huis werd neergestoken. Je was moordgoed, zeggen ze je gaf de genadeklap. En het klopt, taal is het beste wapen om bij de wortel uit te roeien. Mijn terroristen! Mijn terroristen! Ik hou van elk van mijn terroristen. Mijn terroristen zingen gospel. Mijn terroristen hebben kinderen. Mijn terroristen worden aangetroffen in de goot elke morgen, met blauw uitgeslagen huid, van onder tot boven roodwit bekrast. Niemand wil een blik werpen op een dode terrorist. Niemand wil een terrorist horen snikken. Wanneer mijn geliefden en ik elkaar aanraken doen we dat met het vuur van terroristisch verlangen. Onze monden staan wijd, open. Vingers gespannen, klaar om te lossen.
Wie schrijft, krijgt af en toe een klap. Tijdschrift A reageert zelfs niet op mijn inzending. Misschien moet ik de redactie een bezoek brengen met een doos vol kakkerlakken. En bloemlezing B neemt mijn gedicht niet op, gezien dit, dat en andere bloedergerlijke redenen. Laat vooral de volledige oplage in vlammen opgaan. Ik herinner me uit ‘Big Magic’ van Elizabeth Gilbert dat ze in haar pre-bestsellertijden de afwijzingen koesterde en ze zelfs afdrukte en ophing, maar ik vertoon vooralsnog geen neiging tot deze vorm van zelfkwelling. (En hopelijk is het zonder emoticons duidelijk genoeg dat ik het niet meende van die kakkerlakken en die vlammen hè).
Over naar het betere nieuws. MUGzine, het kleinste eigenzinnige poëzietijdschrift van Nederland en Vlaanderen publiceert in oktober een cyclus van 6 korte gedichten van me. Ingezonden en bingo? Nope, ik kreeg de vraag van MUGzine of ik wou bijdragen aan het volgende nummer. Natuurlijk wil ik dat. Hou de website in het oog, of schaf het nummer aan, of word ineens donateur en krijg een hele jaargang.
Recent sloot ik me aan bij Dichters in Beweging, een dichterscollectief in Leuven. DIB heeft als vaste stek Barboek in Museum M. Besloten feedbackbijeenkomsten waar de dichters elkaars gedichten uitbenen tot op het bot (als niet-dichter wil je daar echt niet bij zijn) wisselen af met publieke voorleesmomenten rond een thema. Op 18 oktober is er weer eentje, thema ‘Zolang er leven is’. Ik zal er een gedicht uit mijn debuut ‘De inventaris van wat blijft’ lezen en twee ongepubliceerde gedichten. Mededichters lezen hun eigen weergaloze werk en er is ook muziek. We doen dat helemaal gratis en je bent welkom!
Najaar, dat betekent ook dat de Melopee-prijs er weer aankomt, de prijs voor het meest beklijvende gedicht dat in een Vlaams literair tijdschrift verscheen het afgelopen jaar. Vorig jaar was ik één van de genomineerden, dit jaar zetel ik zowaar in de jury en mag ik (of is het eerder moet ik, daar ben ik nog niet uit) het juryverslag brengen. Spannend nieuws is dat de uitreiking vanaf dit jaar deel uitmaakt van een nieuw literair festival in Laarne met de wervende naam ‘Lonkfest’, op 23 november. Met oa Lara Taveirne over haar succesboek ‘Wolf’ en een bundelvoorstelling van Dorien De Vylder.
De publieksprijs wordt vanaf nu een échte publieksprijs met de nieuwe naam Ruwspraak. In plaats van online stemmen te ronselen moeten de genomineerde dichters ter plekke hun gedicht performen en het publiek voor zich zien te winnen.
Net als vorig jaar stelt Woordentij een bloemlezing samen ten voordele van de Warmste Week. Dit jaar ondersteunt de Warmste Week projecten die zich inzetten voor mensen die kampen met aandoeningen die niet meteen in het oog springen. Onzichtbare ziektes dus. De bloemlezing bevat 100 gedichten speciaal geschreven over dit thema. Ik neem deel aan het project en zal mijn gedicht voorlezen op de Warmste Voorleesavond in Brugge op 17 december.
Ook de Dichters in Beweging zullen lezen voor de Warmste Week. Zet zaterdag 13 december al maar in je agenda.
Genoeg te doen dus. En nu nog tijd vinden om verder te schrijven aan die tweede bundel. Wanneer die uitkomt? De glazen bol blijft nog even troebel en weddenschappen afsluiten over het publicatiejaar lijkt me voorlopig niet aan te raden. Het zal in elk geval voor 2100 zijn.
Je schrijft en stuurt je werk op. In tijdschrift A heb je nog niet gestaan. Misschien wil tijdschrift B je wel. Het is een bekend riedeltje: kijk of de stijl van een tijdschrift bij je past voor je werk instuurt. Dat blijft doorgaans een hachelijke inschatting. Gewoon proberen dus. Afwijzingen komen meestal snel, dus hoop je dat je niet te gauw antwoord zal krijgen. Maar wachten is frustrerend. Je splijt lichtjes, je leert de spagaat.
Je moet het nooit persoonlijk opnemen als het ‘nee’ wordt, luidt het volgende riedeltje. Natuurlijk doe je dat wel. Je stelt je voor dat er auteurs bestaan die nooit ofte nimmer afgewezen worden. Blijkbaar hou je van wat zelfkwelling. Maar toch: je stuurt in. Er is geen andere optie, je schrijft niet voor de bureaulade. ‘Vrije inzending’ heet zoiets. Niemand heeft om je gedichten gevraagd, maar jij traint ze tot licht impertinente vertegenwoordigers die op een deur staan bonzen en tamelijk onvermoeibaar ‘Doe open!’ blijven herhalen. Soms worden ze weggestuurd. Soms verneem je nooit meer iets van ze. Staan ze misschien wel ten eeuwigen dage op die deur te trommelen en houdt iedereen zich stokdoof daarbinnen. Soms lukt het wel.
Deus Ex Machina – literair tijdschrift, bestaat sinds 1976 – publiceert naar eigen zeggen ‘nieuwe literatuur uit binnen- en buitenland met bijzondere aandacht voor jonge en/of debuterende auteurs & vertalers.’ De deur gaat open voor één van mijn gedichten. Mogen ze het publiceren in het volgende nummer? Dat mogen ze. Na verloop van tijd valt het nummer in de bus.
Het thema is ‘rouw’. Essayistische teksten, persoonlijke teksten, gedichten, tekeningen, schilderijen. Het ziet er mooi uit, de eerste teksten die ik lees trekken mij het thema in. Mijn gedicht is niet opgenomen in de thematische sectie. Het staat achteraan in de afdeling ‘nieuw werk’. Op de allerlaatste – 143e – bladzijde. Wit op zwart. Daar hoort een inwendig mini-vreugdesprongetje bij. Gepubliceerd worden is altijd een moment van tijdelijk arriveren.
Inhoudelijk past mijn gedicht wel wat bij het rouwthema. Ik probeerde er de ervaring in weer te geven van verloren zijn, leegte, alleen staan. Het is het eerste gedicht van een cyclus, maar je kan het ook op zichzelf staand lezen. En nu klaar en naar het volgende? Ja en nee. Gedichten zijn als mensen: hun haren groeien, ze trekken andere kleren aan. Sinds het insturen bleef ik herschrijven. Vooral met de tweede regel was ik niet helemaal tevreden. Ook verderop veranderde er hier en daar wat.
aan deze sneeuwvelden komt geen eind, wit schicht in mijn enkels, weefsels slibben dicht het edelhert hoort hier, niet ik
wind stuwt de eerste mens in dagen naar mij toe mag ik je merken, iets warms op je spelden, ik wil de snelheid minderen waarmee ik je uit het oog verlies roodbevlagd loop je door, je stempelt je spoor naast het mijne maar in tegenrichting, volgt en verlaat me tegelijk
de hermelijn golft wit op wit schutkleur laat hem opgaan in het landschap zonder dat het hem eerst hoeft te doden ik ben herleid tot voetgeploeter, kromming onder een bochel van meegebracht gewicht
de sneeuwhaas verschijnt als een primitieve geest heb ik hem echt gezien tien marmeren vingers reiken
Wordt het er beter door? Dat weet ik niet altijd zo zeker. Als je er een mening over hebt, laat maar komen.
De week hing scheef in de hengsels. Ik had kunnen weten dat het niet goed zou aflopen. Maar wat is niet goed? Misschien is het net wél goed om eenvoudigweg door je eigen lichaam gevloerd te worden in een zware snotverkoudheid nadat je vader in krap enkele dagen is doodgegaan, je kopje onder geslagen bent in een golf van begrafenisorganisatie en koffietafelgesprekken, je vlak daarna naar het andere eind van het land moet om te werken en je bij terugkomst na amper een ademteug weer present tekent bij die andere werkgever, afgewisseld met een bezoek aan de notaris.
Het is goed om door te gaan. Bezig blijven, aldus het cliché. Maar het is ook goed om finaal tot stilstand gebracht te worden door het weerspannige lichaam dat veel beter weet dan het hoofd wat in tijden van nood nodig is.
Eén van je ouders op een rouwprentje zien, dat is van de meest naakte werkelijkheid die er bestaat. Elke keer wanneer mijn blik op de foto valt, is het alsof het leven mij bij de kraag vat en zegt: ‘Voilà, hier ben ik.’ Waarmee het bedoelt: dit is onomkeerbaarheid. Als er tot nu toe voornamelijk zachtjes voorbijgaan was, dan is dit de introductie tot de granaatinslagen van de vergankelijkheid. De hakbijl in mijn stamboom. Natuurlijk is er eerder in die stamboom gehakt: grootouders vielen weg, ooms, tantes. Intussen zitten we bij de dikste takken.
Ik heb dingen afgezegd deze afgelopen weken: sorry, nu niet, andere prioriteiten, hoofd staat er niet naar. Iedereen heeft begrip voor de dood. Iedereen zegt dezelfde dingen: zorg, troost, steun, herinneringen, kaarsen, tijd. Het is een opluchting wanneer iemand doodgewoon vraagt: hoe heb je geslapen, hoe verliep je dag? Nee, niemand heeft gevraagd of de taart bij de koffietafel lekker was. Ja, ze was lekker.
Eén ding zegde ik niet af: een al lang vastgelegde ontmoeting met een collega-dichter, in het kader van mijn Dichter & Dichter-initiatief. Ik sta hem op te wachten bij het station en weet niet precies waarom ik doe wat ik doe. Is dit wel het goeie moment? Is het dat ooit? Onderweg in de trein heb ik gedichten van hem gelezen, ze hebben een soort huiselijke intimiteit die toch ook uitvloeit over de wereld. Misschien zijn gedichten mini-dosissen zuurstof in het aanschijn van de dood.
Daar is hij. Het is zonnig, maar zijn winterjas en muts herinneren mij eraan dat het nog steeds winter is. Later, in de koffiebar, zal hij zijn trui uittrekken en zal ik mij verbazen om tegenover een man in t-shirt te zitten in maart. Zijn die vestimentaire kwesties belangrijk? Nee, ze vormen het verhaal dat zich afspeelt op de achtergrond, als een soort behang. Misschien is behang toch ook niet helemaal onbelangrijk.
We stuiten op punten van herkenning: de goed ondergegraven onzekerheid van de weliswaar gepubliceerde auteur. Hoe je niet onder je eigen stijl uitkomt. Hoe afgewezen worden altijd een stukje doodgaan is, maar we daarna toch weer met ultieme moed onze teksten de wereld in blijven gooien. Waarom we dit doen? Omdat het essentie is. Het woord ‘impostor’ valt, maar ook het woord ‘acceptatie’.
In het melkschuim van de koffie tekent zich een wat onhandig gevormd hart af, de thee heet ‘warme gloed’. Het betekent niets op het moment zelf, het valt mij pas achteraf in. Net als de vragen die ik niet gesteld heb. Waarom hou je van parelkettingen? Voel je je het vaakst een toeschouwer of een deelnemer? Ook op de vragen die wel gesteld werden, kwamen geen sluitende antwoorden. We hebben een stukje weg gelopen. Misschien was dat genoeg. En het besef dat gesprekken plaveisel zijn.
De dood legt een waas over alles, hoe ultrawerkelijk ze tegelijk ook is. Alsof je vervreemdt van jezelf en telkens ergens uit moet terugkeren, al weet je niet precies waaruit. Enkele dagen na de ontmoeting is wat we nog zegden op de terugweg naar het station uit mijn geheugen gewist. Ik herlees de krabbels die hij op de eerste pagina van mijn exemplaar van zijn bundel heeft gezet. Hij schrijft het woord ‘écht’, met een accent erop. Misschien ligt daar een sleutel. Ik weet het nog niet zeker.
Wat niet op sociale media heeft gestaan, is niet gebeurd. Online gezien worden is een primaire levensbehoefte als een andere. Wat menselijk vergelijkingsmateriaal betreft, zorgen de platformen voor een grenzeloos en constant aanbod. Wereldwijd komt er een beweging op gang om voor kinderen en tieners het gebruik aan banden te leggen, wegens de evidente risico’s. Als volwassene word je geacht ermee om te kunnen gaan. Af en toe weerklinkt er een zucht, de vage suggestie dat het anders zou moeten. Er zijn alternatieven, zonder advertenties, zonder misbruik van privacy, maar de vraag of we ze constant in ons leven willen, wordt niet echt gesteld. De aanwezigheid van sociale media lijkt in steen gebeiteld.
Ik voel het geregeld aan als een worsteling. En dan blijf ik nog bewust weg van Instagram, LinkedIn, Snapchat, TikTok, X en andere. Ik heb het in de praktijk dus alleen maar over Facebook, wat ik al moeilijk genoeg vind om mee te dealen. Om te beginnen: het is er, in mijn dag, mijn week, mijn leven. Ik heb vaak het gevoel dat ik het niet links kan laten liggen. Alsof ik een huisdier heb aangeschaft en nu niet meer kan besluiten om het beest gewoon even een paar dagen of langer te parkeren wanneer ik daar zin in heb. Natuurlijk kan dat met sociale media – in tegenstelling tot je huisdier – perfect, maar toch lijkt het alsof ik dan mijn kop in de grond steek. Wegloop van iets wat ik eigenlijk recht in de ogen moet kijken, of zoiets.
Want ik moet reageren.
Moet die duim opsteken.
Een kwestie van beleefdheid.
Ja hoor, ik heb je gezien.
Ik moet hartjes plempen.
Anders gaat hij of zij misschien denken dat.
Afhaken kan niet.
Ik moet op de hoogte blijven.
Straks hoor ik er niet meer bij.
Mis ik contacten.
Kansen.
Dat is de passieve zijde, de reageerkant. Er is ook de actieve zijde, de onderhoud-je-pagina-kant.
Ik moet genoeg doen, want kijk ‘ns wat anderen doen.
Ik moet genoeg bereiken, want kijk ‘ns wat hij of zij alweer gepresteerd heeft.
Ik moet eraan denken om foto’s te maken.
Dit kan ik beter posten.
Dit wil ik posten, iedereen moet het weten.
Kom op met die reacties.
Hou van wat ik doe!
Ik heb een hekel aan zelfverheerlijking.
Dit wil ik helemaal niet.
Sociale media bereiken precies waar ze voor gemaakt zijn: mijn aandacht naar zich toe zuigen en mij in een constante mentale spiraal meetrekken. Soms kan ik het moeiteloos: zit ik bovenop de golf en strooi ik gul met commentaartjes en emoji’s. Op slechtere momenten voelt het alsof de helft van mijn wereld bestaat uit etalage en ik voortdurend moet kiezen of ik erin ga staan en druk met mijn armen ga zwaaien om de aandacht van voorbijgangers te vangen. De kwestie is: mijn etalage is niet de enige, alle anderen hebben er ook één. We zitten in een universum van etalages van waaruit we aan één stuk naar elkaar gebaren. Zie me, vind me leuk, prijs me, loof me. Ik vind het vaak beschamend onvolwassen. Alsof we een bende kinderen zijn die zich alleen van aandacht kunnen verzekeren door hard op en neer te springen. Diep behoeftige wezens voor wie het een kwestie van psychische overleving is om zo veel mogelijk aandacht te krijgen.
Doordat ik er niet echt met anderen over praat, krijg ik de indruk dat iedereen het wel kan. Kijk, het lijkt hen moeiteloos af te gaan. Waarom kan ik het niet? En dan schiet een vertrouwd mechaniekje in mijn persoonlijkheid in werking: als je ergens niet goed in bent, dan moet je gewoon hard werken om dat mankement bij te spijkeren. Voor mezelf besluiten dat ik iets niet hoef te kunnen lijkt altijd neer te komen op struisvogelgedrag en morele zwakheid. In de praktijk ga ik door opeenvolgende fasen van weerstand en adaptatie. Bij weerstand heb ik geen zin om obligaat te juichen, fotoreeksen te bejubelen, of – in mijn persoonlijke geval als dichter met hopen collega-dichters in mijn vriendenbestand – bij het zoveelste geposte gedicht ‘wat knap!’ en ‘prachtig!’ te kraaien. Waar ik uit besluit gewoon een slecht mens te zijn, niet zachtmoedig, ondersteunend, positief, menslievend, gunnend en gul genoeg.
De realiteit is: voor mijn brein, constitutie, gesteldheid is het veel te veel. Ook: op sommige momenten word ik er ronduit onzeker of afgunstig van om dag na dag met mijn neus bovenop de prestaties, publicaties, prijzen en events van anderen te zitten. Ik word constant uit mijn eigen proces gerukt, als een balletje in een flipperkast. Soms droom ik ervan om alleen nog persoonlijk te communiceren met een beperkt aantal mensen in plaats van via bulkberichten waarmee ikzelf en anderen de aandacht van de halve mensheid lijken te willen vangen. In een economische wereld lijkt de wet van het zoveel mogelijk en van het ‘meer is sowieso beter’ onverbrekelijk. Maar het brengt mij tot afhankelijkheid en behoeftigheid en maakt mij soms down. Het ene moment baad ik in dopamine-gelukzaligheid, het volgende ervaar ik een diep tekort of onvermogen ten opzichte van en in vergelijking met anderen.
Wat ik er concreet aan doe?
Bewust niet scrollen. Ik kies om het allemaal niet te bekijken. Dus sorry, ik heb je laatste post doodgewoon niet gezien. Ik hoef het nu even niet te weten. In ruil accepteer ik dat jij het van mij niet hoeft te weten. Voel je vrij. Ben ik zo belangrijk dat tientallen mensen zouden moeten reageren op mijn volgende levensfeit? Nee, helemaal niet. Toch is dat waar sociale media ons toe brengen: voor elkaar een belangrijkheidscultus creëren. Elk van ons waant zich een farao en verwacht dat de anderen met palmtakken gaan staan wuiven. Maar zo belangrijk zijn we niet. Wat wel belangrijk is: het Ik en Jij van Martin Buber, de live ontmoeting in waarachtigheid, hoe aartsmoeilijk die ook is, hoe vaak ze ook mislukt. Wat is er fijner dan het één-op-ééngesprek dat verder gaat dan koe en kalf en waarbij je de ander kan laten voelen: ik zie jou, ik hoor je. Waarbij je je op jouw beurt gezien en gehoord voelt.
Ik ga mezelf wat meer toestaan het niet te hoeven kunnen, de socials. Misschien ben ik dus niet meer op de hoogte van je laatste exploot. En ja, ik ben me bewust van de paradox: als ik dit stuk niet online in de kijker zet, zal zo goed als niemand het lezen. Daar heb ik voorlopig geen oplossing voor. Het is wel mogelijk dat ik je zomaar een berichtje stuur. Aan jou alleen. Wees niet verbaasd. Het is omdat ik de toeters en de bellen neerleg, uit de cultus stap.
Iets over traag levende mensen. De slakjes op de snelweg.
Ik praatte onlangs met eentje. Voelde verdriet om haar ontreddering, haar gevoel alsmaar meer een alien te zijn, niks te hebben om met anderen over te praten, haar in niet-begrijpen de hoogte inschietende zinseindes.
Het is moeilijk als jij het slakje bent en daar op zich vrede mee hebt, maar tegelijk de luchtverplaatsing van de Ferrari’s langs je heen voelt woesjen. Ben je niet eigenlijk gewoon een sufferd?
In de sociale salade van babbels en borrels is de smaakmakende vraag (zoiets als de kruimels feta of de croutons met look): ‘En waar ben jij zoal mee bezig de laatste tijd’?
De vraag is niet: ‘Hoe kom jij de laatste tijd aan je trekken wat niksen betreft?’. ‘Nog een interessante manier gevonden om die klotestress finaal de nek om te wringen?’.
Nee dus. Mee bezig. Het Nieuwste Project.
Het valt me erg op omdat ik ook deel uitmaak van de traag levenden. Enkele jaren geleden zei mijn vader op verwijtende toon: ‘Het lijkt wel alsof jij al op pensioen bent.’
Dat gevoel heb ik niet. Ik hou van werken als ik iets kan doen wat klopt. (Op dat vlak luistert het nauw). Het jaar waarin ik op pensioen kan, hangt niet als een lichtbaken in mijn kop. Maar vijf dagen op de week werken voelt als een waanzinnig, moorddadig ritme. Vier eigenlijk ook. En drie dagen zowat exact hetzelfde doen op dezelfde plek met dezelfde mensen week in week uit is ook een recept voor opbranden aan het tempo van een lucifer.
Heb ik er last van, van de keuze om weinig maar gevarieerd te werken (en dus ook een voor sommigen waarschijnlijk onvoorstelbaar laag inkomen te hebben)? Ja! Een eigenzinnige keuze die ingaat tegen de mainstream is zelden verworven.
Als ik ‘Het Nieuwste Project’ kon gaan aangeven wegens stalking zou ik dat af en toe zonder nadenken doen. In deze periode bijvoorbeeld.
Duizend jeukerige gedachten of het wel genoeg is, ok is, je bent helemaal niet jong meer, wat is de zin, de waarde (ineens maar voor de wereld, godbetert), oprispingen over missie, onverteerbare brokken over schrijfdiscipline, af en toe een pijnscheut van impostor syndrome.
En doelloze uren, heel veel doelloze uren. Ik beken: ik kan perfect het helemaal niet druk hebben. Tegelijk worstelen met de leegte. Eigen schuld, dikke bult. Aan de oppervlakte loopt het allemaal lekker, (in de sociale salade de mensen die tegen je zeggen ‘wat ben jij goed bezig!’) daaronder de malaise, het dag na dag wakker worden met lauwe drab in het hoofd.
Wat helpt?
Zo weinig mogelijk toegeven aan de duizend giftige substanties: van Facebook tot suiker, van Netflix tot kopen.
Studeren. De betekenis van de tarotkaarten, Italiaans (duizend keer in je hoofd de zinnen herhalen uit die serie omdat ze zo mooi klinken: ‘è un animale ferito, gli animali feriti sono pericolosi.’)*, een tentoonstellingscatalogus van Louise Bourgeois, de poëzie van Kouwenaar, dat boek over klimaat en klassenstrijd dat zo moeizaam leest.
Kunst. Wie de Museumpass uitvond, kan rekenen op mijn levenslange dankbaarheid.
De dag buiten beginnen, een nieuwe gewoonte. Wanneer het kan, ga ik nog voor ontbijt en aankleden achterin de tuin zitten op de stoeltjes bij de berk en de ginkgo, de frambozen en het appelboompje en de netels. Ik schrijf wat zonder vormvereisten of lengtedwang. In deze tijd van het jaar bij het druipen en de grijsheid, de waarschuwende boodschappen van de kraaien of het overmoedige trrrrrri – trrrrtrrrrri van één of andere fiedelaar, windvlagen of windstilte, aarzelende zon, roekoeduiven op de daken. Elke dag is anders. Een banale verbazingwekkende vaststelling.
Met mate mensen zien en lezen en horen. Hun schurende en zalvende, schokkende en strelende eigenheid die met de mijne clasht.
Het ergste is leegte wanneer er geen uitdrukkingsvorm voor is. In mijn geval: woorden. Misschien is de weg uit het dal aangevat.
* ‘Hij is een gewond dier. Gewonde dieren zijn gevaarlijk. ‘ (Uit seizoen 2 van ‘Tutto chiede salvezza’)