Maandag, sluitingsdag van de musea in Italië, dus dat zou het alvast niet worden vandaag. Na Palazzo Reale, Palazzo Bianco, Palazzo Tursi, Palazzo Rosso en Palazzo Ducale en een hoop kilometers in de benen gisteren dreigde trouwens de palazzo-overdosis. Het labyrint van steegjes in het historische centrum van Genua , zo nauw dat een auto er niet doorheen komt en het er zelfs op een zonovergoten dag bijna schemerig is omdat de huizen tegelijk heel hoog zijn, is een bijzondere belevenis (nog extra wanneer je als argeloze toerist terechtkomt in een gedeelte waar op elke hoek een jonge vrouw met gsm in de hand overduidelijk op klanten staat te wachten), maar heb je ze gezien, dan hoef je er niet per se naar terug.
Een vriend had een tip gepost – ‘Staglieno’, ik kende het niet, volgens google een nogal speciaal kerkhof – en toen ik gisteravond nog even de deur uitging zag ik toevallig aan het station een bus stoppen met vooraan ‘Cimeterio Staglieno’ erop. Eén plus één is meestal twee, maar in dit geval: een plan! Hoe neem je de bus in Italië? Geen idee. Kaartje in de bus kopen leek geen optie, ik zag dat de chauffeurs nog steeds achter een covid-barricade zitten. In de krantenkiosk? Ik haal m’n gestaag uitbreidende Italiaans boven en ja: de verkoopster verstaat mij, verkoopt effectief bustickets, vraagt hoeveel ik er wil, kan ik met een kaart betalen, jazeker. Elke keer wanneer ik erin slaag om een transactie – hoe simpel ook – van begin tot eind in het Italiaans af te handelen zonder dat het ergens vastloopt en de ander dan maar wat Engelse woorden in het rond begint te gooien ben ik trots op mezelf. Na 20 minuten bus stap ik uit en loop langs de muur van het kerkhof tot ik de poort vind. Het is heet en elk plekje schaduw is welkom. We bevinden ons intussen een eind de heuvels rond Genua op. Het centrum mag dan historisch zijn, daarbuiten is Genua een van autolawaai gonzende metropool waar de meeste mensen in een woud van typisch pastelkleurige flatgebouwen lijken te wonen.
Maar voorbij de kerkhofpoort ben ik plots zowat alleen en strekt zich een stil universum uit dat ik het volgende anderhalf uur met stijgende verbazing ontdek. Ik weet nauwelijks iets over deze plek, behalve dat er nogal imposante grafmonumenten zijn. Brede oprijlaan, mega-Mariabeeld, trappen en een Pantheon. Een kopie van het Pantheon in Rome, ontdek ik later. Langs beide kanten van het Pantheon galerijen met graven en beeldhouwwerken erop. Dat ziet er zo uit:

De beelden stralen bijna allemaal drama en diepe treurnis uit. Ze zijn allemaal wit. En vuil, echt smerig. Zodanig dat het eruitziet alsof de kleding van de figuren van brokaat of zijde is gemaakt. Een bevreemdend effect.

Telkens ontdek ik weer een nieuw gedeelte, ik lees achteraf dat het kerkhof een paar vierkante kilometer groot is. Je zou het zowat een dodenstad kunnen noemen. De eerste graven dateren van 1851. Intussen zijn er galerijen, terrassen, met pijnbomen afgezoomde lanen, een Protestants kerkhof, graven van Engelse soldaten, Commonwealth graves, gangen met boven elkaar gestapelde graven, muren met urnes, een paar grafmonumenten die eerder op kleine kerken lijken, en dan kom ik voorbij een technische installatie en besef ik dat ik aan de achterkant van het crematorium ben beland. Achteraf ontdek ik dat ik een foto heb gemaakt van een beroemde engel – de Engel van Monteverde. En verder dat Nietzsche, Guy de Maupassant, Ernest Hemingway en Mark Twain deze plek een warm hart toedroegen en dat Joy Division één van de beelden op de cover van hun album ‘Closer’ zette. Wat bijblijft: het pathos van de beelden, hoe de ene dode een mini-kerk op z’n graf heeft staan en een ander achter een mini-plaquette rust, maar dat het uiteindelijk niks uitmaakt. Beten en jeuk, want het zit hier vol knutten, die piepkleine beestjes die in het Engels midges heten. En die man die helemaal alleen door de laan met urnes loopt. Ik hoop dat hij daarbuiten meer gezelschap heeft.






Geef een reactie op Valere Gijbels Reactie annuleren