Over enkele weken vertrek ik naar Italië, daar schreef ik eerder al over. Bij vorige Italië-reizen lag de focus op steden en cultuur, deze keer meer op lopen en natuur.
Zinzoeker die ik ben vraag ik me dan onvermijdelijk af hoe ik meer betekenis kan geven aan dat lopen. Hoe kan ik het ruimer maken dan mezelf, behalve het feit dat ik een deel van een oude pelgrimsroute zal afleggen? Ik voel me enorm bevoorrecht dat ik dit kan doen. Ik heb de tijd, de middelen en de bewegingsvrijheid, en een partner die me ruimte geeft om mijn reiskriebel te volgen. Vandaar de vraag: kan ik ook iets terugdoen?
Zo kom ik uit bij het besluit om te lopen voor goede doelen. Voor elk van mijn 8 stapdagen heb ik een goed doel gekozen. Ik zal zelf voor elk van de 182 km die ik zal lopen 1€ doneren. En ik wil ook jou uitnodigen om mijn stapkilometers nog betekenisvoller te maken.
Concreet:
20/09: Siena – Punto d’Arbia, 25 km, ik stap voor Artsen Zonder Grenzen 21/09: Punto d’Arbia – San Quirico, 26 km, ik stap voor Protect Ukraine 22/09: San Quirico – Radicofani, 32 km, ik stap voor het Noodfonds Gaza 23/09: Radicofani – Acquapendente, 23 km, ik stap voor het Jane Goodall Institute 24/09: Acquapendente – Bolsena, 22 km, ik stap voor Avaaz 25/09: Bolsena – Montefiascone, 16 km, ik stap voor BOS+ 26/09: Montefiascone – Viterbo, 17 km, ik stap voor Vluchtelingenwerk Vlaanderen 27/09: Viterbo – Vetralla, 21 km, ik stap voor vzw Bindkracht, Landen
Wil je via mijn stapdagen ook een goed doel steunen? Dat kan zo:
Kies de dag / het goede doel van je voorkeur
Beslis hoeveel kilometers je wil steunen
Voer een donatie uit via de links hierboven
Geef me een seintje over je donatie (onder deze blog of persoonlijk, als je geen contactgegevens van me hebt kan je een bericht sturen onderaan deze pagina)
Stap 4 hoeft natuurlijk niet per se, je kan ook doneren zonder het me te laten weten. Maar als je het wel doet, kan ik in kaart brengen hoe mijn stappen gedragen wordt en kan dat ook weer aanstekelijk zijn voor anderen.
En nu nog even de schoenen smeren en afwegen wat er al dan niet in de rugzak gaat. Het reisplan checken en de nodige apps installeren. Komt allemaal goed.
Na mijn eerste (grotendeels solo) treinreis naar Italië in 2022 was ik hooked. Wat een land, wat een licht, wat een musea, steden, kusten, landschappen, eten … En hoe geweldig om het allemaal met de trein te doen. Ik werd helemaal fan van Trenitalia en Italo, de efficiëntie van de frecciarossa-hogesnelheidstreinen, het gezapige van de regionale-treintjes en de knappe jonge treinbegeleiders. Er volgden nog reizen in 2023 en in 2025. Voor aflevering vier bleef ik het plannen alsmaar uitstellen, hoewel ik vorige winter al een Interrail-pas kocht.
Waarheen? Sicilië is al langer een droom, maar helemaal met de trein? Of de zuidelijke provincies Puglia, Basilicata en Calabria? Ook machtig ver, natuurlijk. Ik doorploegde reisgidsen en websites, vond treinlijnen, staproutes en de ene must-see-plek na de andere. Maar een coherent plan werd het niet.
Tot de logische oplossing plots vanzelf bezorgd werd, in die toestand tussen slaap en wakker waar je meestal de beste ideeën krijgt. Waarom niet voortzetten waar ik vorig jaar gestopt ben? Ik stapte toen vier dagen van de Via Francigena, de pelgrimsroute die van Canterbury tot Rome loopt (en helemaal tot Leuca in het uiterste zuiden). Toen kwam ik aan in Siena (mijn absolute soft spot in Italië, ik moét er telkens weer heen). Waarom niet gewoon verder stappen vanaf Siena?
Het vervolg van de Via Francigena loopt zuidwaarts Toscane uit en de provincie Lazio in, richting Rome. Het plan klikte in mijn hoofd in enkele dagen tijd. Deze keer wordt het 8 dagen stappen, van Siena over Bolsena en Viterbo tot Vetralla, in totaal ongeveer 185 km. En nee, dan ben je nog lang niet in Rome, daar zijn nog eens drie dagtochten van meer dan 30 km voor nodig.
Met de trein sta je vanuit België trouwens ook niet zomaar in een wip in Siena, én er is het extra plan om dochter N te gaan bezoeken die vanaf september een semester in Lugano (net nog Zwitserland) studeert. Concreet zal ik de eerste dagen een aanloop via Basel nemen – veel musea daar, naar het schijnt – en reis ik met een nachtje tussenstop in Lugano tot Siena. Dan wordt het heel veel stappen met aansluitend nog een paar daguitstappen. En om af te sluiten enkele dagen Lugano. Wanneer? Vanaf 15 september.
Wat ik spannend vind? Lugano terugzien (ik was er in 2025), dochter N zien op haar Erasmus-plek, Siena terugzien (blijf ik het er even geweldig vinden?), 8 dagen achter elkaar stappen, met een uitschieter van 32 km op dag 3, de meren onderweg (dat van Bolsena tijdens het stappen, en dat van Bracciano achteraf), slapen in een pelgrimshostel (tegen vrije bijdrage), weer dag na dag Italiaans spreken, treinen halen, de weg vinden met de Francigena-app, … Eigenlijk heeft in je eentje reizen sowieso een tamelijk hoge spannend-factor. Anderzijds ook een onvergetelijk-factor.
Terugkerende vraag: ga je nog eens reizen? Ja dus. Daaropvolgende vraag: ga je weer schrijven onderweg? Zeker weten. Over een goeie maand is het zo ver.
Eigen foto’s: Toscane (2025), meer van Lugano (2025)
Reizen = de trein. Reizen met vliegtuig of auto geeft foutmeldingen.
Reizen naar Italië = solo. Reizen naar Italië met het lief veroorzaakt permanente kortsluiting.
Solo reizen = Italië. Solo reizen naar andere bestemmingen leidt tot fatal error.
Reizen = een slingerlus met tien bestemmingen in twee weken. Bij minder dan vijf bestemmingen komt de vermelding try again.
Reizen naar Italië = Siena moét op de route liggen. Siena links laten liggen laat een loeiend alarm afgaan.
Voilà, op deze manier heb je dus geen keuzestress wanneer je een reis organiseert. Hoewel, hiermee liggen alleen wat grove lijnen vast. Daarbinnen zijn de mogelijkheden eindeloos. Maar toch, het is gelukt. Mijn bijl heeft de data uit de kalender gehakt – 22 april tot 6 mei – en de route gekloven. Hier is ze:
Landen → Lugano → Padova → Ferrara → Ravenna → San Miniato → Gambassi Terme → San Gimignano → Monteriggioni → Siena → Como → Landen
Hoe zo’n route tot stand komt? Er moet zowel cultuur als natuur inzitten. Kleine of middelgrote steden hebben de voorkeur. Voor de rest hangt het aan elkaar van toevalligheden en associaties. In een Belgische trein zag ik een keer iemand met een stoffen tasje met daarop MASILugano / Museo d’Arte della Svizzera Italiana. Genoeg om mijn nieuwsgierigheid te wekken. Lugano is trouwens prima als aanloopje naar Italië en je raakt er met de trein in minder dag een dag.
Mijn oma aanriep de heilige Antonius van Padua (Padova) wanneer ze iets kwijt was en mijn moeder herinnerde me daar heel mijn jeugd aan. Waarom dus niet een keer de stad van de heilige opzoeken?
Van Padova naar Ravenna is amper 140 km, een boogscheut in een land als Italië. Ik treinde al eerder vanaf Bari in het zuiden zowat de hele Adriatische kust langs en vond die zo rustig ogende zee – het leek op veel plaatsen wel een meer – fascinerend. Ravenna = Adriatische kust + UNESCO Werelderfgoedsites, doén dus.
In 2022 zag ik pelgrims te voet en fietsend aankomen bij de poorten van Siena en ontdekte ik dat het stadje op de Via Francigena ligt, een oude pelgrimsroute die van Canterbury tot Rome loopt. Ik noteerde op mijn bucket list dat ik ooit te voet wilde aankomen in Siena. Dit jaar kan ik dat – hout vasthouden – afstrepen. Het plan is om vanaf San Miniato vier dagroutes van de Via Francigena te stappen tot Siena.
Intussen tikken de dagen weg en heb ik volop de gelegenheid om stress te vergaren.
Durf ik het nog, dat alleen reizen? Op mijn vertrekdag staakt de NMBS (wanneer staakt de NMBS niet), zal de alternatieve dienstregeling betrouwbaar blijken? Zal de Railplanner van Interrail het doen op mijn telefoon? Zal die dagtocht van 30 km lukken? Zal de rugzak niet te zwaar blijken bij het stappen? Ben ik niet één of andere boeking vergeten? Zullen de gaten in mijn Italiaans niet te kwellend zijn?
Anderzijds probeer ik mezelf ervan te doordringen dat ik niet naar de woestijn noch naar het regenwoud of de boreale bossen vertrek, dus het zal vast wel meevallen. Ik weet ook dat die opbouwende spanning erbij hoort. Dat ze wegvalt zodra ik op dag één de treinkilometers in mijn botten begin te voelen en het landschap zie veranderen. Dat ze weer terugkomt wanneer ik ‘s avonds aankom op een onbekende plek in een wat verlaten stationsbuurt en mij plots een hond voel die het baasje kwijt is. Dat alleen reizen behalve spanning ook duizend-en-één andere sensaties oplevert, van nieuwsgierigheid, vreugde en euforie tot eenzaamheid. Meer dan wanneer ik in gezelschap reis kan ik mij een bescheiden maar moedig ontdekkingsreizigertje voelen. En ik kan me te buiten gaan aan al mijn persoonlijke mini-uitspattingen: drie musea in één dag afwerken, maaltijden overslaan en daarna het tekort ruimschoots inhalen met een driegangenmenu, ultra-trage regionale treinen nemen om het plezier van mensen kijken in al die kleine stations, anderhalf uur zitten schrijven aan mijn reisblog, in het donker zoeken naar dat ene supermarktje dat nog open is en plantaardige yoghurt zonder suiker en vieze smaakjes heeft.
Ik ben er wel weer aan toe: ijsjes en blaren, Feltrinelli-boekhandels en bordjes pasta, pizza en focaccia uit het vuistje, Sanpellegrino Chinotto, musea die om 8 uur ‘s morgens opengaan en zonlicht dat met bakken over me wordt uitgekieperd.
Ci vediamo presto, cara Italia, we zien elkaar snel.
In Italië waren er nationale verkiezingen op 25/09. Heb ik daar iets van gemerkt? Weinig. In het straatbeeld toch niet. Zo goed als geen affiches, geen zichtbaar campagne voeren. En op de verkiezingsdag zelf – in Bari – is het alleen maar te merken aan het feit dat schoolgebouwen op zondag geopend zijn en je er af en toe iemand naar binnen of buiten ziet gaan. Geen rijen, niks aanschuiven om te stemmen. Ik merk het dan weer wél wanneer ik een reservatie ga maken om de volgende dag de hogesnelheidstrein naar Bologna te nemen.
‘Sorry, maar alle treinen voor de hele dag zijn volgeboekt. Als u wil, kan u nog wel ’s nachts reizen.’ En dat blijkt dan toch met de verkiezingen te maken te hebben, zo legt de loketdame uit: veel Italianen maken verplaatsingen om te gaan stemmen, en de dag daarop keert iedereen terug naar huis. Voor haar lijkt het een voldongen feit dat ik – tenzij midden in de nacht – niet in Bologna raak. Is er dan geen alternatieve route mogelijk? Er langer over doen met een tragere trein? Ik heb tenslotte alle tijd. Ze kijkt wat bedenkelijk en gaat op zoek. ‘Ok, u kan met de snelle trein wel tot in Pesaro reizen, maar dan moet u overstappen op een regionale trein.’ Opgelucht bedank ik haar voor de gevonden oplossing. ‘Tja, die regionale trein, beschouw het als een avontuur’, zegt ze. Ik verzeker haar dat ik al bijna een hele maand aan het reizen ben, ettelijke regionale treinen heb genomen en elke keer prima ervaringen heb gehad. Ze kijkt verbaasd en geflatteerd en zegt ‘Oh dankuwel’. Wat is dat met die Italianen dat ze zo weinig vertrouwen hebben in hun spoorwegen, of dat een tragere trein geen optie lijkt te zijn als er ook een snelle is? Of is het dat ik de Belgische spoorwegen zo gewend ben, met aan één stuk ‘Rijdt vandaag niet’, grote vertragingen, ‘personen op het spoor’, hier en daar aftandse treintjes etc.
Wanneer ik de volgende ochtend in de trein stap, stel ik vast dat ‘vol’ relatief is. Er zijn nog heel wat vrije plaatsen en bij elke halte loopt het wel voller, maar ik blijf hier en daar lege stoelen zien. Ik check bij een treinbegeleider of ik na Pesaro niet gewoon kan verhuizen naar een andere stoel in plaats van uit te stappen. Hij kijkt op zijn tablet en weet haarfijn te vertellen waar reizigers ‘vermist’ zijn in mijn wagon: de plek is gereserveerd, maar de reiziger is niet ingestapt aan de voorziene halte. Hij zegt dat ik gerust op zo’n stoel mag gaan zitten. Vermits ik vandaag met mijn interrailticket reis en een reservatie een vaste prijs heeft, hoef ik ook niks bij te betalen. Nog maar een keer ‘leve Trenitalia’.
Mijn enthousiasme daalt wel wanneer ik in Bologna wijselijk meteen een reservatie wil maken voor de trein Como – Zürich die ik drie dagen later moet nemen. De rij aan de klantendienst doorkruist de hele stationshal, van de 9 loketten zijn er maar twee open en na anderhalf uur wachten heb ik mijn reservatie op zak. Ik merk dat de meeste mensen er staan om een abonnement te verlengen en dat de file de volgende dagen net zo lang is. Na de lange treinreis is het ver in de middag en ga ik op weg naar de Via Borgo di San Pietro. Bologna is de enige plek waar ik via aribnb heb geboekt. Verhuurder Alessandro doet avondwerk en heeft mij allerlei berichten gestuurd. Ik haal de sleutel van zijn appartement op in een koffiebar in de buurt, vraag de weg aan twee werkmannen die op een ladder staan in de hal van het oude gebouw en kom ten slotte aan in een wat afgeleefd, maar charmant appartement op de hoogste verdieping. Even rust en dan naar buiten. Zoals ik meestal doe wanneer ik ergens aankom, volg ik gewoon mijn neus. In Bologna kan je dat heel letterlijk doen. De stad heeft drie bijnamen en één daarvan is ‘La grassa’, verwijzend naar de rijke gastronomie. Vast ook naar het aantal horecazaken. Het stikt hier echt van de terrasjes, bars, trattoria’s en restaurants. De meeste zien er relaxt en redelijk geprijsd uit. Dat ligt dan misschien weer aan de tweede bijnaam: ‘La dotta’ (de geleerde), wat verwijst naar de Universiteit van Bologna, één van de oudste van Europa en net als in Leuven heel zichtbaar in het straatbeeld. De bevolking is hier opvallend jong, overal wordt op pleintjes gezeten, gepraat en gegeten en overal in de stad kom je universiteitsgebouwen tegen. De derde bijnaam van Bologna is ‘La rossa’ en slaat op de overwegend rode kleur van de daken, en naar het schijnt ook op de linkse politieke signatuur van de stad.
Bologna heeft een mooi centraal plein dat een beetje aan Firenze doet denken. De bouw van de Basilica di San Petronio duurde eeuwen en ze blijft onafgewerkt. De onderkant is bekleed met wit en roze marmer, terwijl de bovenkant in ruwe baksteen is gebleven.
De Piazza Maggiore vormt een geheel met de Piazza di Nettuno. Op alle momenten van de dag is het een pleisterplek, maar vooral ’s avonds wordt het er gezellig.
Met Pisa heeft Bologna een scheve toren gemeen. De Garisenda is wel veel minder bekend. Hij heeft gezelschap van een andere toren, de Asinelli-toren. Tussen de 12e en 13e eeuw was Bologna een stad vol torens. Later werden de meeste afgebroken of stortten ze in, maar Garisenda & Asinelli, genoemd naar twee toenmalige families, staan er nog steeds. Garisenda werd ooit omwille van de stabiliteit een meter of 20 ingekort.
Voor de rest hoeven we Bologna niet te vergelijken met andere steden, het heeft meer dan genoeg eigenheid. Onder andere door de typische portieken. Ontstaan in de Middeleeuwen als manier om meer woonoppervlakte te voorzien en ten behoeve van de zich uitbreidende universiteit en haar studenten. Ze bleken zo’n succes dat het stadsbestuur in de 13e eeuw een verordening uitvaardigde dat alle huizen die nieuw gebouwd werden een portiek moesten hebben. Intussen zijn de portieken Unesco Werelderfgoed.
In totaal zijn er zo’n 40 km aan portieken en de allerlangste loopt van één van de stadspoorten naar het Santuario di San Luca, op een heuvel buiten het historische stadscentrum. Op mijn laatste ochtend in Bologna besluit ik het 4 km lange traject te stappen. Het wordt een pittig tochtje: vanaf de stadspoort is het bijna aan één stuk stijgen tot je de 666 arcaden achter je hebt en bij de kerk – en het uitzicht vanaf de koepel – aankomt.
Wat valt er nog te doen in Bologna? Kunst en cultuur natuurlijk. Het MAMbo-museum klinkt funky en is het ook, de kunst is hier echt modern, de laatste 20 jaar zijn bijvoorbeeld ook goed vertegenwoordigd. In hetzelfde gebouw zit het Morandi-museum. Morandi woonde z’n hele leven in Bologna en is de man van de wel heel stille stillevens.
En dan moet er natuurlijk ook nog gegeten worden. Bologna is de tortellini-stad. Of is het tortelloni? Blijkbaar zijn tortellini kleiner, traditioneel met vleesvulling en klaargemaakt in bouillon, terwijl tortelloni groter zijn, met vegetarische vulling en met een eenvoudige saus erbij. Ik eet ze met prei, nootjes en saffraansaus en ja, de ‘dolce del giorno’ kan er ook nog bij. Daarna kan ik weer kilometers afleggen.
Maar uiteindelijk komt aan alles een einde, ook aan een eerst eindeloos lijkende reis. Op dag 28 reis ik in de avond naar Como, dicht genoeg om op dag 29 helemaal thuis te kunnen raken. De treinroute gaat langs het meer van Lugano en nog veel meer prachtige meren in die streek, de Gotthardtunnel – 20 minuten aan hoge snelheid -, en later de vele burchten langs de Rijn. Zelfs in Duitsland gaan de overstappen vlekkeloos en helemaal op schema stap ik rond 19u30 uit in Landen. Mijn lieve maatje staat al reikhalzend naar mij uit te kijken op het perron.
Eén besluit is alvast gemaakt: hier blijft het niet bij …
Terwijl ik dit schrijf, is het over en uit met het ‘Bella Italia’-sprookje: alle treinkilometers zitten erop, de Belgische herfst heeft mij met kille, natte armen ontvangen. Maar minstens moet het verhaal nog even afgemaakt. Mijn voorlaatste etappe bracht mij van Sorrento naar Bari, hoofdstad van de provincie Puglia (Apulië). De laars dwars oversteken van west naar oost dus. In vergelijking met Napels en Sorrento is Bari rustig. Je kan er slenteren op de bekoorlijke Lungomare langs de Adriatische Zee die eruitziet als een zachtblauw, spiegelglad meer.
De dominante kleur van Bari is wit. De stad heeft twee duidelijk onderscheiden delen: een klein historisch centrum langs de havenzijde, verkeersvrij en met nauwe straatjes. En een moderner deel met een strak, Amerikaans aandoend rasterpatroon van straten. De architectuur doet er hier en daar aan Parijs denken, er zit wat art nouveau en wat jaren ’30 bij. Maar veruit het charmantst is wel de oude stad. Veel bewoners hebben hun voordeur openstaan, met een licht gordijn in de deuropening voor de privacy. Daarachter kan je soms een glimp opvangen van een kleine, donkere woonkeuken waar de mamma orecchiette staat te maken, één van de culinaire specialiteiten van Bari. De oortjespasta wordt op gaasramen in de open lucht gedroogd en in zakjes verkocht aan toeristen. Net als taralli, krokante hartige deegringetjes in verschillende smaken.
Ook hier weer kerken alom, natuurlijk. De Basilica di San Nicola trekt de meeste aandacht. De heilige Nicolaas is de patroonheilige van Bari. Zijn beenderen kwamen er terecht nadat ze in de 11e eeuw door zeevaarders werden meegenomen uit Myra, waar hij begraven lag. Myra was in handen gevallen van de islamitische Seltsjoeken en er werd gevreesd dat de beenderen zouden worden vernietigd.
Basilica di San NicolaCattedrale di San Sabino
Voor de rest is Bari genieten van de couleur locale in de straatjes, van cultuur in het Castello Svevo en een wandeling op de stadswallen.
Castello Svevo
Had ik meer tijd gehad, dan zou ik in etappes langs de Adriatische kust naar het noorden zijn gereisd, maar de maand zat er bijna op. Van Bari ging het in één ruk naar Bologna, 650 km hogerop en de allerlaatste stop van mijn reis.
Als je in Sorrento bent, moet je minstens een keer de boot in naar één van de eilanden in de baai. Luxepaardje Capri, of het groene Ischia (waar Elena uit de Ferrante-trilogie op vakantie gaat in haar jeugd), of Procida, het allerkleinste, met de kleurige huisjes (waar de film ‘Il Postino’ werd gedraaid). Capri valt af, ik verwacht er mensenmassa’s en platte consumptie. Ik twijfel lang tussen Ischia en Procida en kies dan het laatste. Ik heb maar één dag en Ischia is te groot voor zo’n klein tijdsbestek.
Ik schat de staptijd naar de Marina verkeerd in en kom vlak voor vertrek van de ferry aan bij het loket. ‘Hij gaat over vier minuten, het is die daarboven, haast je.’ Ik ren en stap als één van de laatsten aan boord. Een bemanningslid zegt iets tegen me wat ik niet meteen versta. ‘Why are you all alone? Nice girl like you’. What the …? Naarmate ik afzak naar het zuiden, merk ik het wel: als vrouw alleen roep ik meer vragen op, krijg ik meer blikken. In Napels zei een Italiaanse vrouw me: ‘Nee, dat zou niet zomaar kunnen in Italië, een getrouwde vrouw die in haar eentje gaat reizen.’ Later op de dag op Procida spreekt een oudere vrouw – schort, zwarte kousen – mij er ook over aan. Ik lijk voor haar een fenomeen om met enig hoofdschudden te benaderen. ‘Kijk haar nu’. Wel, sorry lieve mensen, maar ik ga toch gewoon verder genieten van mijn reis.
Procida is schilderachtig en niet overspoeld. Wanneer je de paar straten met terrassen en winkeltjes in het centrum door bent kan je verder op goed geluk door de smalle straatjes dwalen. Het eiland is maar 4 km² groot, dus je komt telkens weer uit bij de zee, een piepklein jachthaventje, een strand, uitzicht.
Ik heb gelukkig aan zwemspullen gedacht en ga even zwemmen terwijl het strand van Marina Coricella nog bijna leeg is. Eén van de vele momenten waarop ik besef: ‘Hier ben ik. Ik maak deze reis. Wow!’.
Wat mij wel onaangenaam treft op Procida: het verkeer. Je zou verwachten dat op een plek als deze iedereen een graadje trager schakelt, maar nee. Auto’s en scooters scheuren door de smalle straten. Er zijn geen stoepen, dus wanneer een iets breder voertuig langs moet, plak ik me zowat tegen de muren van de huizen. Er wordt gefietst, maar alle fietsen zijn elektrisch en hebben dikkere banden dan de scooters. Ook zij komen met een rotvaart voorbijsuizen. In de loop van de dag krijg ik de indruk dat stappen hier geen deel uitmaakt van het mobiliteitsplan, tenzij misschien om even je hond uit te laten. Wat er dan wél is: minibusjes, elektrisch, die gratis rijden en zowel door toeristen als locals gretig gebruikt worden.
De enige boot terug naar Sorrento gaat om 17u50. Tegen vieren besluit ik dat ik genoeg gestapt heb. Tijd voor een terrasje en een ‘lingua di Procida’: een tongvormig bladerdeeggebakje, met citroenvulling natuurlijk.
Het stond op mijn prioriteitenlijstje gebeiteld: de Sentiero degli Dei stappen, en voilà, het is zover. Ik sta rond kwart over 8 gewapend met busticket en stapschoenen aan de bushalte van de SITA-bus die naar Amalfi rijdt. Vanaf Amalfi moet ik nog een andere bus nemen. Je moet er iets voor over hebben, om bij dat pad te komen. En – zoals al vaker vastgesteld tijdens deze reis – ben ik niet de enige. Er staat al een grote groep mensen aan de halte. Zodra de bus aankomt, is het dringen en drummen. Bus vol, wachten op de volgende. Ik praat met twee Vlaamse jongedames die ook het pad willen stappen en samen bewaken we onze plek in de wachtrij, want als je niet uitkijkt, ben je zo voorbijgestoken. Volgende bus, we kunnen erin en hebben zelfs een zitplaats. Daar ben ik het komende anderhalf uur heel blij om, want de busrit is wat anders dan een gemiddeld De Lijn-ritje op het Vlaamse platteland. Wanneer de bus Sorrento uit is, neemt hij de Amalfi-kustweg, en ja, da’s een ervaring. De weg is smal, ligt tientallen meters boven de zeespiegel en komt neer op een verzameling (haarspeld)bochten langs de grillige kustlijn. Het uitzicht is aan één stuk spectaculair. Elke keer wanneer er een scherpe bocht aankomt, toetert de chauffeur om tegenliggers te waarschuwen. Ik zit aan de rechterkant van de bus en sta in bewondering voor de man; hij kent z’n voertuig tot op de centimeter, want herhaaldelijk moeten we rakelings langs de reling of langs iets bredere tegenliggers. En het is ook nog eens druk op de weg. Op een bepaald moment lijken we helemaal vast te zitten: de bus moet een kleine vrachtwagen passeren en dat puzzeltje wil maar niet passen. Achter de bus en achter de vrachtwagen groeit er een file. Wanneer enige ‘Avanti avanti’ en ‘Vai vai vai’ van de chauffeur niks uithalen, zet hij de bus in achteruit, rijdt een tiental meter terug en ja, het lukt. Respect!
Uiteindelijk komen we aan in Amalfi. Best charmant, maar een toeristenhol. Het bulkt er van de shops en bars en terrasjes en het is er overvol. Wel een mooie kathedraal, met wat Byzantijnse invloeden.
Maar er moet een volgende bus gehaald worden. Deze gaat heuvelopwaarts naar Bomerano, waar het pad start. Het busstation is razend druk en het is niet makkelijk om uit de stroom van bussen wijs te raken. Ik zoek en vind al gauw andere stappers: Amerikanen, Canadezen, en ook weer de Vlaamse jongedames. Er zijn ook grote groepen Italiaanse jongeren voor wie de schooldag er blijkbaar opzit. Wanneer de bus aankomt, volgt er een totale bestorming: de jongeren drummen massaal de bus in en enig ellebogenwerk van de stappers haalt weinig uit. Bus vol. Gelukkig wordt er meteen een extra bus ingelegd en ook daarvoor is het trekken en duwen. Ik raak erin, maar moet rechtstaan. Meer dan een half uur op vijf vierkante centimeter terwijl vlakbij een stel Italiaanse jongeren de grootste lol hebben met een Amerikaan die ze alle schunnige woorden en uitdrukkingen aanleren die ze kennen. Ik ben heel blij om uit te stappen (en heb intussen ook weer wat Italiaans bijgeleerd). De groep stappers waaiert snel uit, iedereeen stapt in eigen tempo, eindelijk stilte en rotsen en zon en pad.
Na een paar uur stappen kom je uit in het piepkleine Nocelle. Op het dorpsplein staat een kraampje waar een man citroendrankjes en -granita verkoopt. Sorrento en de Amalfikust zijn citroenenland: behalve de drankjes en de alomtegenwoordige limoncello vind je hier overal handdoeken, schorten, aardewerk en nog veel meer met citroenen erop. Maar Nocelle is één en al rust en groepjes stappers die genieten van een ijskoud drankje.
Na Nocelle volgt een lange afdaling naar Positano. Positano is één van die iconische fotogenieke plekken die iedereen moét gezien hebben, dus ook hier weer veel volk en hyperconsumptie. Ik ga nog wat op het strand zitten en een verfrissend voetenbadje nemen in de zee en neem de SITA-bus terug naar Sorrento.
De dagen schuiven op en ik raak achter met de verhalen, dus even een inhaalbeweging. Met meer beelden, en minder tekst. Voor ik Napels verliet, wilde ik nog zeker het Klooster van de Heilige Klara (Monastero di Santa Chiara) bezoeken, vooral dan de binnentuin ervan. Het klooster dateert uit de 14e eeuw, maar in de eerste helft van de 18e eeuw werden er belangrijke verbouwingen gedaan. De tuin werd toen in vier secties opgedeeld die afgezet werden met pilaren en stenen banken die allemaal werden versierd met majolica-tegels: de pilaren met bloemen- en plantenmotieven, de banken met scènes uit het landleven en de zeevaart uit die tijd en met mythologische taferelen. Op de muren onder de arcaden zijn religieuze fresco’s aangebracht. De aanpalende kerk werd zwaar getroffen door bombardementen tijdens WOII, maar de tuin werd wonderwel gespaard. Overal staan bordjes dat je niet op de betegelde banken mag gaan zitten, onder de arcaden mag het wel.
Na de middag is het tijd voor de zoveelste treinrit van deze reis – ergens in de 20 intussen -, met bestemming Sorrento. Sorrento ligt aan de andere kant van de baai van Napels, zo’n 60 km verderop. Je raakt er met de zogenaamde Circumvesuviana, een netwerk van spoorlijnen waarvan het functioneren volledig losstaat van de andere spoorwegen. De stations liggen gemiddeld 1,5 km van elkaar, zodat het meer dan een uur duurt om de afstand naar Sorrento af te leggen. Aan het Circumvesuviana-loket is het druk en wanneer ik op het perron kom, staat het al vol reizigers. Met Pompei en Herculaneum als haltes is deze lijn enorm populair. Sorrento en de stadjes errond danken hun aantrekkingskracht dan weer aan het feit dat ze een prima uitvalsbasis zijn om de Amalfikust te ontdekken.
Ik ben blij dat ik een zitplaats heb kunnen scoren en in een heel gezapig tempo raak ik in Sorrento. Ik logeer deze keer niet in de buurt van het station en evenmin in het centrum, wel op bijna twee kilometer stappen, in het gehucht Sant’ Agnello. Opnieuw in een klooster, al kan ik er weinig kloosterachtigs ontdekken en zijn er nergens suore te bespeuren. Het is wel een prachtige plek, op de rotsen boven de zee gelegen, met een soort botanische tuin in het klein. Het hoofdgebouw heeft iets van een grand hotel uit de vorige eeuw. En ik mag er in het tuinhuis logeren. Nu ja. In de tuin staan kleine paviljoentjes met kamers. Kraaknet, maar er komt alleen daglicht binnen als je de deur naar de tuin openzet. Ter compensatie mag je wel in de tuin en op de terrassen gaan zitten.
Na het inchecken is er nog meer dan genoeg tijd om Sorrento te verkennen en ‘research’ te doen. Waar precies kan je tickets kopen voor de ferry’s naar de eilanden? Kloppen de gegevens die ik heb over bussen naar plekken aan de Amalfikust? Wat zijn de busuren, de ticket-tarieven? Je kan heel veel van tevoren opzoeken, maar uiteindelijk kan niks live prospectie vervangen. Ik verbaas me over Sorrento. De sfeer is totaal anders dan die van Napels. Het heeft iets van een mondaine badplaats. Vooral in de buurt waar ik logeer heet elk hotel ‘Palace’, ‘Grand’ of ‘Royal’ en allemaal hebben ze zo te zien schitterende tuinen en terrassen met zicht op zee. De ligging op een tufstenen plateau maakt Sorrento bijzonder, je ziet op vele plekken de zee in de diepte onder je liggen. Het ontdekkingsreizigertje in mij ziet het alweer helemaal zitten. En ik ben niet de enige: ook hier is het weer erg druk, met zo te horen een grote concentratie Amerikanen.
Er zijn dagen dat reizen helemaal vanzelf lijkt te gaan, en dan zijn er die waarop je het paard in de steeplechase lijkt dat elke hindernis met de knieën aantikt en een miezerig parcours loopt. Er zijn weinig verklaringen voor. Op zulke dagen lijkt er één of andere grote rem op te staan. Ik had een plan voor dinsdag en nee, ik vond het niet speciaal ambitieus: het Museo Capodimonte bezoeken – een statig rood palazzo hoog in de heuvels rond het centrum van Napels, gelegen in een 134 ha groot park – en later op de dag ‘Napoli sotterranea’, het ondergrondse Napels. Maar vanaf het moment dat ik de metro wilde nemen leek alles helemaal stroef te gaan. Eén open loketje en een rij van wel 50 man om een ticket te kopen. Aantal werkende automaten: nul. Aanschuiven om iets te zien dat ik graag wil zien: ok. Aanschuiven voor een metroticket: no way. Volgt een odyssee doorheen het hele station omdat deze koppige ezel weigert in de rij te staan. Ik besef dat het uiteindelijk waarschijnlijk sneller was gegaan als ik dat wel had gedaan, maar ik leerde wel een hoop door allerlei mensen aan te spreken: dat de automaten voor treintickets ook metrotickets verkopen, maar helaas niet het ticket dat ik nodig heb / dat er op het stationsplein een mini-kiosk staat die metrotickets verkoopt / dat je er alleen cash kan betalen (en heb ik natuurlijk net geen cash) / waar er een geldautomaat te vinden is / wat het nummer van de bus is dat ik na de metrorit moet nemen. De metro rijdt hortend en doet er lang over. Wanneer ik uitstap, kom ik op een kruising van allerlei straten terecht, met de daarbij horende Napolitaanse verkeerschaos, en geen idee waar nu die bushalte is. Vragen, alweer. In de bus weet ik dat ik de goeie richting uitga, maar niet precies wanneer ik moet uitstappen. Vragen, nog maar een keer. ‘Nog een eind, nog zeker 5 of 6 haltes’. De bus komt in stapvoets verkeer terecht en kruipt haast de heuvel op. Wanneer ik eindelijk aan het museum kom, is het al middag. Het ziet er wel goed uit.
Soms ben ik blij dat ik niet al te veel voorbereid, zodat ik bijvoorbeeld niet al van tevoren weet wat de topwerken in een museum zijn. En dan plots verrast word …
door de blinden van Breughel. Zoals zowat alle musea in Italië barst ook dit ongeveer uit z’n voegen van de kunstobjecten. Het is selecteren. En ook weer: eeuwenoude en hedendaagse kunst in één gebouw. In dit geval baroksalons op verdieping één en twee en een aangepaste ruimte voor hedendaagse kunst onder het dak. De oude vazen op het epoquetafeltje mogen er gewoon bij staan en passen wonderwel.
Na het museum wandel ik in het park en moét ik beslist taart eten (ik maak in principe nooit foto’s van het eten op mijn bord, maar geef toe, het terrasje is heel sfeervol).
Het is late namiddag wanneer ik er die eindeloze busrit terug naar het centrum heb opzitten en de ingang tot het ondergrondse Napels vind ik vlotjes. Overal onder de huidige stad kan je nog sporen vinden van eerdere beschavingen en gebeurtenissen, bv van de Griekse oorsprong (Neo-polis), van de Romeinse tijd, van de impact van de Tweede Wereldoorlog. Met een gids trek je door een doolhof van tunnels, je komt overblijfselen van een aquaduct tegen, van een Romeins theater. Bevreemdend en fascinerend. Je lijdt liefst niet aan claustrofobie, want de gangetjes zijn op sommige plaatsen aardedonker en amper 40 cm breed.
Einde van de dag, en mijn plan heb ik uitgevoerd, maar dan gaat de metro weer dwars liggen. Om een onduidelijke reden komt hij 45 minuten lang niet opdagen. Het perron loopt helemaal vol en wanneer hij eindelijk aankomt, barst een spontaan applaus los. Napels mag dan al trots zijn op z’n mooie metrostations, aan de werking ervan valt nog wat te sleutelen.
Ik kom op maandagmorgen rond elven aan in Napels. Te vroeg om in te checken in het B&B-hotel, maar ik kan alvast proberen daar het blok lood op mijn rug kwijt te raken. Aan de balie: Giuseppe, met felgroene polo en netjes achterover gegelde haren. Ik zeg dat ik een kamer gereserveerd heb. Hij kijkt het even na en vraagt dan ‘Italiano o inglese?’. Wow, nog nooit heeft iemand me zo hoffelijk de keuze geboden welke taal ik liefst wil spreken. ‘Italiano’. Prima, inchecken kan vanaf 14u, ontbijt van/tot enz. Va bene, en mag ik voorlopig mijn rugzak achterlaten? Tuurlijk mag dat, in de bagagekamer. En dan: ‘Je spreekt goed Italiaans, maar het is ‘Posso lasciare LO zaino qui?’ en niet ‘Posso lasciare IL zaino qui?’. Een baliebediende die zo vriendelijk is om je Italiaans bij te spijkeren: een man naar mijn hart, die Giuseppe. Hij vertelt ook nog dat het vandaag de feestdag is van San Gennaro, patroonheilige van Napels. Iets met de Duomo en bloed dat gaat vloeien enzo, ik zal het wel zien.
Bevrijd van lasten ga ik erop uit. Zonder google maps op de telefoon en zonder papieren stadsplan een stad intrekken is tegelijk ongemakkelijk – in welke richting is het centrum? – en spannend, ik heb geen idee wat ik kan verwachten. Toeristische wegwijzers helpen enigszins. Vanaf dit punt wordt het incoherent, en dat lijkt het zowat drie dagen lang te blijven. Napels is geen rechtlijnig verhaal. Napels is bochtig, grillig, verrassend.
Centro storico: ik kom er terecht en kijk mijn ogen uit. De straten zijn ofwel hobbelig en groezelig en permanente-marktachtig en levendig of smal en hoog en steegachtig met wasgoed en elektriciteitslijnen. Het ruikt er naar afval en etensgeuren en sterke schoonmaakproducten. Er wordt geroepen vanuit auto’s, vanaf stoepen en scooters. Om de paar seconden toetert er wel ergens iemand. In eerste instantie durf ik mijn camera niet uit mijn tas te halen, maar daarna merk ik dat het wel ok is.
San Gennaro: betekent hopen volk, kraampjes allerhande langs de Via del Duomo, een druk bijgewoonde kerkdienst, een priester met geluidsversterking en op videoscherm, tranen hier en daar, tegelijk toeristen die de Duomo in- en uitstromen. Het gaat over een wonder van gestold bloed in ampullen dat op de feestdagen van de heilige, enkele keren per jaar, weer vloeibaar wordt. De kerkelijke hiërarchie wilde er op een bepaald moment niet meer zo van weten, maar dat was buiten het volksgeloof van de Napolitanen gerekend. San Gennaro blijft immens populair. Ik krijg er honger van en bestel bij het eerste gelegenheidsterrasje dat ik tegenkom een pizzetta, bier en een sfogliatella. Rare combinatie en het bier stijgt in geen tijd naar mijn kop, dus de rest van de middag gaat licht pulserend voorbij.
Sfogliatella: hiervoor geef ik met plezier tijdelijk mijn vegan eetgewoonten op. Napolitaanse specialiteit, duizend laagjes knisperig bladerdeeg, vulling van zoete ricotta of andere dingen. En als we het dan toch over eten hebben: pizza fritta (zoiets als calzone, maar dan gefrituurd) en andere gefrituurd spul in een puntzak zoals visjes (niet aan mij besteed), vleesballetjes (evenmin aan mij besteed), courgettes en aubergines en ongeschilde aardappels (yes!), baba’s met behalve rum nog allerlei andere smaakjes. Street food volop dus.
En wat valt er verder te zien in Napels? Een miljoen dingen. Ik laat mij op dag 1 drijven op de stroom. En op de uitersten. Beland in het Madre, museum voor hedendaagse kunst. Na de drukke volkswijken opeens hagelwitte, serene ruimtes. Mimmo Paladino.
Lawrence Carroll …
En na een incheck-pauze in het hotel weer verder. Waar is dat water, die baai van ‘Napels zien en dan sterven’? Via Nuova Marina klinkt de goeie kant op, maar is een soort stadssnelweg. Met enig geduld komt het er allemaal aan, ik wandel plots door een wonderbaarlijke Napels-documentaire: galleria Umberto (glas, koepel, mozaïeken, wow), Castel Nuovo (Middeleeuws slot, slotgracht) Plaza del Plebiscito (palazzi, basilica) …
En dan het water, kades, bootjes, koppeltjes, Vesuvius …
Het wordt stilaan avond. Een eind verderop is Castel dell’Ovo, nog een kasteel, op een rots. En dan gaan de zon en de dag onder en een miljoen gsm’s en een paar Canon-camera’s de lucht in voor de obligate foto’s.
Ik ben positief Napoli-murw en te moe om nog te stappen. Metro Municipio in. Het zoveelste contrast.