
Ik loop graag. Ik bedoel: ik stap graag, maar lopen vind ik een mooier woord. Laat mij maar dagen aan een stuk kilometers afleggen in een inspirerend landschap en ik voel me licht en happy. In mijn hoofd ook, alles ontknoopt en wordt eenvoudiger. Wanneer ik terugkom, heb ik bijna altijd last van ontwenningsverschijnselen. Vind ik de wereld veel te snel en vol en benauwend. Eigenlijk wil ik blijven lopen. Maar kan dat dan niet gewoon? Ik hoef misschien niet per se dag na dag 25 km af te leggen in één of ander buitenland. Besluit: ik ga meer lopen, er een bedding voor zoeken in het leven van alledag.
*
Eind juli. Ik heb het nooit eerder gedaan: met de rugzak stappen van het station van Florenville naar Villers-devant-Orval, waar ik gemiddeld 7 dagen per maand werk en verblijf. De kortste weg gaat door veld en bos, de afstand is twaalf kilometer en tussen de bomen hangt geen 4G-reddingslijn. Nadat ik de route een paar jaar geleden met rugzak en vouwfiets aflegde, hopeloos vastliep op modderpaden en verdwaalde, durfde ik het geen volgende keer meer aan. Maar ik wil die weg echt kennen. Nieuwe poging dus.
Ik stap in Florenville uit de trein en het doet wat het in weken niet heeft gedaan: regenen. Net genoeg om de regenhoes van mijn rugzak en mijn broekspijpen wat vochtig te maken. Voorbij het centrum van Florenville – befaamd ijssalon, terrasjes, kledingzaken – klaart het weer op. Dan velden. In de verte zie ik een vos lopen. Alles is vredig, ik kom haast niemand tegen.
De donkere bosrand slokt mij op. Afdalen, een lange weg. Op een open plek – een beetje onwaarschijnlijk middenin een bos – het restaurant waar je blijkbaar paling moet eten. In de schaduw staan twee paarden geparkeerd. Het restaurant wordt plots een herberg 200 jaar geleden. Het uitzicht verderop doet denken aan Oostenrijk: een groene helling met chalets. Maar dit is Frankrijk, wanneer ik doorstap wordt het weer België.
Hier en daar heb ik wat twijfel en weet ik niet waar ik precies zal uitkomen, maar de richting lijkt me juist. Sommige plekken verrassen. Ook het water volgen helpt. Na tweeënhalf uur kom ik zonder verdwalen op mijn werkplek aan. Nog even tijd om rond te lopen, dag te zeggen aan collega’s, uit te pakken en vol energie aan het werk te gaan. Een beetje trots op mezelf. Dit ga ik vaker doen.


*
Een volle week later en ik reis naar mijn moeder, die – nog even – aan zee woont. Ik heb weinig met de Belgische kust, maar ik besluit een uur vroeger dan gewoonlijk te vertrekken, zodat ik een strandwandeling kan maken. In Oostende stromen de dagjestoeristen uit de trein, het is druk in de straat met de vele viskramen. Voorbij het kunstwerk met de rode ingedeukte dozen ga ik het strand op. Hier is het nog rustig, maar wel al flink warm.
De zee ziet er vandaag blauwer uit dan het grijzige beeld dat ik altijd krijg wanneer ik aan de Noordzee denk. Er staat nauwelijks wind, het water rolt kalmpjes aan, bijna zonder golven. Alles ziet er op één of andere manier blij uit, feestelijk. Misschien kan ik van deze Belgische kust toch een klein beetje houden. Na een half uur stappen wordt het me te warm op het zand.
Ik kom ter hoogte van de Koninklijke Gaanderijen. Even gaan kijken hoe het staat met de renovatie.


Op een dag als deze lijkt het wel Italië. In het midden van de gaanderijen ligt een chique brasserie. Ik zie van buiten een wandvullend glasraam. Het ziet er mooi uit. Ik ga naar binnen en vraag of ik foto’s mag maken. Het mag. Verderop neem ik de tram naar mijn moeder. Het is nog maar 11 uur, maar het lijkt alsof deze dag me al een mini-avontuur bezorgd heeft.

Voeten op de grond en lopen. Ik ga het blijven doen.
Plaats een reactie