Bella Italia: alles in Pisa wat niet de je-weet-wel is (dag 8)

1. De rivier Arno. Stroomt erdoor. Geeft mooie verstilde beelden van langgerekte kades en de gebouwen erlangs.

2. Fietsers. Waren me eerder in Italië nog niet opgevallen. Hier zijn ze wel. Het elektrische tijdperk is nog niet ingetreden. Iedereen rammelt op een oud wrak voorbij en zit ook heel laag op het zadel. Geen foto’s van.

3. Botanische tuin. Botanische tuinen bezoek ik het liefst met mijn maatje, de wandelende planten- en bomenencyclopedie. Helaas, hij is er niet. Dan maar in mijn eentje dag zeggen tegen de cactussen, aan blaadjes van de kamferboom ruiken, de dadelpalmen bewonderen en al die opzichtige bloemen fotograferen.

4. Kerken. Veel kerken. In Italië loop je sowieso het risico op een kerken-overdosis, maar ik merk dat ik eerder naar ze toe groei. De bijna altijd openstaande deuren lokken mij. Hebben kerken in Italië iets wat ze elders niet hebben? Er zijn de kleintjes met hun simpele gevels en interieur zonder veel pretenties of versiering, dikwijls een beetje donker. En de grote die vooral over macht en indruk maken lijken te gaan. Ik kan beter dan voorheen het culturele van het geloof – alles wat erop geplakt is aan verhalen en beelden en verering en praal – scheiden van het universele, of spirituele als je wil. Zodat ik niet het gevoel krijg dat ik lid van de club moet zijn om mij er thuis te voelen. Kerken als huizen waar je niet hoeft te doen alsof en waar alles wat je bezighoudt vrij kan opfladderen in een veilige ruimte.

5. Gevallen engel (Angelo Caduto). Gebroken vleugels, geen schedel, geen onderlijf, six-pack. Beeld van Poolse kunstenaar Mitoraj, 2012. Ligt vlakbij de scheve je-weet-wel.

6. Camposanto. Een plek die – ook al maakt ze deel uit van de megatoeristische Piazza dei Miracoli – één en al sereniteit uitstraalt. Zou gebouwd zijn op een scheepslading grond die tijdens de 3e kruistocht in de 12e eeuw werd meegebracht uit Golgotha. Getroffen door een bom tijdens WOII waardoor er drie dagen brand woedde. Restauraties blijven doorgaan. Je kan de restaurateurs op stellingen aan de fresco’s in de gaanderij zien werken. Jammer van dat gigantische zeil op de achtergrond.

7. Battistero. 12e eeuw, grootste doopkapel in Italië, maar voelt intiem vanbinnen door de ronde vorm en de marmeren zitbanken die langs de volledige cirkel van de muren lopen. Plots worden de houten deuren met een klap gesloten, stapt een dame naar het midden van de kapel, roept ze luid ‘saailens plies’ en begint ze te zingen. Het is niet echt een lied, meer een opeenvolging van tonen, drieklanken. De akoestiek is zodanig dat je een rilling langs je ruggengraat voelt lopen. Het is precies drie uur, zie ik achteraf, wanneer de deuren weer opengaan en er nieuwe bezoekers instromen. Achteraf lees ik dat het elk half uur wordt herhaald. Er zijn zelfs Youtube-filmpjes van.

8. Mensen. Die collectief gek doen, allemaal op dezelfde manier. Ze gaan in rare posities staan om een bepaald knullig effect te bekomen in combinatie met de scheve je-weet-wel. Soms begrijp ik ze niet, mensen. Waarom ze zich zo kudde-achtig gedragen. Waarom ze allemaal per se diezelfde foto moeten hebben die zo uitgemolken is als een koe op leeftijd. Maar goed. Laat ik m’n best doen om met vriendelijke blik te kijken. Ze doen niemand kwaad.

Bella Italia: reismoed, en Cinque Terre deel 2 (dag 7)

Reismoed. Ik weet niet of de meeste solo-reizigers die vanzelf hebben of ze die net als ik heel geregeld uit één of andere diepere laag moeten aanboren. Het is minder erg dan het klinkt, het is niet alsof ik voortdurend als een schichtig hertje rondloop. Het zijn al die kleine dingetjes die dag na dag moeten gebeuren, de mini-hordes die moeten worden genomen. Ik weet uit ervaring dat ik het veel makkelijker vind wanneer ik iemand aan mijn zijde heb die ook kan meedenken en vragen stellen en inbreng voor een plan leveren, maar het hoort er nu bij en ik voel ook wel dat mijn solo-reizigersvaardigheden elke dag een beetje groeien. Wat het ook is: ik heb me voorgenomen om zo weinig mogelijk terug te vallen op de makkelijke oplossing van Engels of Frans spreken . En ja, dan moet ik eerst even diep ademhalen voor ik in mijn eentje het restaurant instap waarvan het terras er zo gezellig uitziet, maar waar op dat moment alleen wat mensen met drankjes zitten en de vraag te stellen of ik iets kan eten. In België ga ik over het algemeen zelfs geen restaurant in zonder het menu te hebben gezien. Maar het lukt en het eten smaakt heerlijk.

Tijdens mijn tweede stapdag in Cinque Terre moet ik mijn rugzak ergens kunnen achterlaten want ik verlaat mijn verblijfsplek en moet ’s avonds een trein nemen. De avond ervoor voorbereiden dus. Er zijn geen lockers in het station en het bagagedepot ziet er potdicht uit, zonder aanduiding van openingsuren. Dan maar aan de loketten gaan vragen die nog wel open zijn. Slik, even wat zinnen in mijn hoofd voorbereiden terwijl het koppel voor me tickets koopt in het Frans. Op mijn vraag of ze de openingsuren van het bagagedepot kent, zegt de – oef, vriendelijke – loketdame: ‘Nee. Het is dicht, blijft dicht. Maar een paar honderd meter die kant op als je uit het station komt, is er wel iets. Ga ‘ns kijken.’ Met google en maps vind ik ze: automatische lockers. Opgelost.

Na mijn eerste stapdag eergisteren vraag ik me af hoe ik het kan aanpakken om ook Manarola en Riomaggiore te bezoeken, waar ik nog niet ben geweest. In het Cinque Terre Infocentrum hebben ze me zonder verdere informatie gezegd dat er twee routes afgesloten zijn, maar ik zie dat er tussen Riomaggiore – Manarola – Corniglia behalve die populairste routes ook alternatieve zijn. Een stuk langer wel, in totaal zo’n 4,5 uur stappen, en waarschijnlijk zwaarder. Waarom heeft niemand daar iets van gezegd? Zijn deze routes wel open? Op internet lijkt het van wel, maar checken is wel zo verstandig. Reismoed, ik biep je op. In het station in La Spezia vraag ik het na: ‘altri sentieri’, ‘sono aperti?’ etc. Ja hoor, tuurlijk, die zijn open. Is het moeilijk om ze te vinden? Waar beginnen ze? Antwoord: je start best in Corniglia, dat is het minst zwaar, vraag het maar wanneer je daar aankomt, er is ook een infocentrum in het station. Infocentrum Corniglia, zelfde vragen. De infodame bevestigt dat de alternatieve paden open zijn, maar begint iets te vertellen dat moeilijker te volgen is. Ze ziet waarschijnlijk mijn ingespannen blik en vraagt of ik haar goed begrijp in het Italiaans. Ik zeg zonder nadenken ‘ja’ en begrijp wat ze zegt, op één cruciaal stukje na. ‘Er is gisteren op de overgang van pad 587 naar pad 586 een ‘nido di calabroni’ gevonden. Best gevaarlijk. Kijk uit en wees voorzichtig wanneer u daar voorbijkomt.’ Een nest dus, maar wat voor nest? Gisteren zag ik op een infobord over fauna dat er in deze streek slangen voorkomen. De meeste onschuldig, maar niet allemaal. Mijn verbeelding gaat aan de slag en ik zie al een Indiana-Jones-en-de-slangen-scène voor me. Iedereen die mij een beetje kent, weet dat ik een slangenfobie heb die ik maar moeilijk overwonnen krijg. Damn, wat nu?

Toch maar stappen, of terug naar de loketdame en toegeven dat ik niet weet wat ‘calabroni’ zijn? Een in technologisch opzicht normaal mens zou gewoon even op google translate kijken op z’n telefoon, maar vermits ik geen technologisch normaal mens ben, is dat geen optie. In elk geval, voor ik er erg in heb, sta ik aan het begin van het pad en – in tegenstelling tot wat ik verwachtte – zie ik dat er nog wel wat mensen zijn die dit idee hadden. Gewoon beginnen stappen dus. Op de bewuste overgang van pad 587 naar pad 586 brandt de zon op de stoffige stenen, inderdaad een prachtlocatie voor een stel slangen, maar behalve af en toe wat geritsel en dan een snel wegschietende hagedis valt er tot in Manarola geen andere lokale fauna te bespeuren. Voor de rest is het genieten van de route. Na weer een monsterklim – in andere landen geven ze dit soort routes vreeswekkende namen à la duivelspad of reuzentrap, maar daar doen ze hier totaal niet aan – volgt een lang vlak stuk. Olijfbomen, bosjes, en heel veel wijngaarden. Je kan alleen maar bewondering hebben voor de titanenarbeid die verricht is om op deze steile hellingen terrassen aan te leggen en ze in cultuur te brengen. Kleine kabelsporen worden gebruikt om vrachten druiven naar boven of beneden te vervoeren.

In Manarola vind ik een schaduwplek bij het water om mijn lunch op te eten. Er staan overal zwemverbodsborden, maar in de kleine baai wordt druk gezwommen. De grootste durvers beklimmen rotsen en springen eraf. Een fijn spektakel tijdens het eten, al ben ik telkens een beetje bang dat er één niet ver genoeg springt en als een lappenpop tegen de rotsen naar beneden stuitert.

En dan de laatste tocht, van Manarola naar Riomaggiore. Deze is niet zo lang en bestaat alleen maar uit trappen. Zo’n 600 naar boven en dan weer 600 naar beneden. Hoge, ongelijk liggende joekels. Op de kaart staat dat je er zo’n uur over doet. Op weg naar boven raak ik aan de praat met een Amerikaan uit San Francisco. Hij maakt een reis van 5 weken, heeft er al Ijsland en de Alpen opzitten en is nu hier. Hij is vanmorgen om half 8 beginnen stappen vanuit Monterosso en legt dus in één dag het traject af dat ik over twee dagen heb gespreid. We praten over alleen reizen, en verder komt er naar boven wat ik intussen al enkele keren van in Europa reizende Amerikanen heb gehoord: een soort schaamte voor hun land, eigenlijk geen Amerikaan meer te willen zijn. Wapengeweld, de Trump-jaren, Roe vs. Wade, ze vinden het vreselijk allemaal. De top is sneller bereikt wanneer je in gesprek bent. Boven nemen we afscheid. Ik daal af naar Riomaggiore en duizel wat door de straten. Mijn thermostaat kan de hitte nog maar nauwelijks aan. Maar ik voel me dankbaar dat het gelukt is: de 5 Cinque Terre stappend bezoeken. Nog wat beelden opslaan van Riomaggiore, nog wat over de alle-tinten-blauw-zee uitkijken en dan rugzak oppikken en de trein naar Pisa. Aangekomen op mijn bestemming en ingecheckt op mijn nieuwe plek stel ik vast dat ‘calabroni’ wespen zijn.

Bella Italia: Cinque Terre te voet (dag 6)

Gisteren na de middag nam ik de trein uit Genua naar La Spezia, zo’n 100 km verderop langs de Ligurische kust. La Spezia is een sympathiek kuststadje, maar meer ook niet. Wél is het een prima uitvalsbasis voor Cinque Terre, het snoer van vijf dorpen/stadjes waarbij iedereen met een beetje gevoeligheid voor de Italië-vibe spontaan gaat kwijlen. Ze heten Monterosso al Mare, Vernazza, Corniglia, Manarola en Riomaggiore en zijn alle vijf verbonden door een treinlijn, heel handig is dat. In La Spezia zit ik het dichtst bij Riomaggiore. Je kan ook van het ene dorp naar het andere stappen, en dat is precies wat ik wil doen. Voor sommige routes heb je een Cinque Terre Hiking Card nodig. Telkens staat er aan het begin van de route een uitdrukkelijke waarschuwing om er niet op teenslippers aan te beginnen. Bij mijn research gisteren heb ik vastgesteld dat de routes Riomaggiore – Manarola en Manarola – Corniglia gesloten zijn wegens onderhoudswerken aan de paden. Ik plan om de trein naar Corniglia te nemen en dan te stappen naar achtereenvolgens Vernazza en Monterosso. Drie stadjes bezoeken en twee staproutes er tussenin, dat lijkt me een dagtrip.

Om 5 voor 9 zit ik in de trein en het is druk, je merkt dat deze streek enorm populair is. Vanaf het station van Corniglia gaat het meteen flink omhoog naar het centrum. Super-uitzicht voor de treinliefhebber in mij.

Corniglia is klein en schattig met bochtige steegjes en gekleurde huizen en heel toeristisch uitgebaat, maar het is nog vroeg op de dag en tamelijk rustig. De barretjes en restaurants zijn piepklein. Na wat sfeer opsnuiven en een kaarsje branden in de kerk vind ik zonder veel moeite het pad richting Vernazza. Mijn Hiking Card wordt afgestempeld en al gauw ligt Corniglia achter me.

De paden zijn tamelijk smal en rotsig. Je stapt altijd een heel eind boven zeeniveau en het is de hele tijd klimmen en dalen. Ik ben blij dat ik besloten heb mijn stapschoenen mee te brengen. Ze nemen flink wat volume in mijn rugzak in, maar nu loop ik als op wolkjes, ook al is het eigenlijk veel te warm voor stapschoenen. Af en toe is er schaduw, maar al snel voel ik het zweet op mijn hoofdhuid prikken. De tegenliggers die uit Vernazza komen hebben zowat allemaal donkernatte vlekken op hun shirts. Het laatste stuk van de route is één gigantisch lange afdaling op een rotsige trap met diepe treden. Ik heb te doen met de tegenliggers en vind mezelf boffen dat ik de route in deze richting afleg. Corniglia ligt op een hoogte, maar Vernazza ligt beneden aan zee en heeft een mini-haven en strandje, wat het heel fotogeniek maakt. Tegen de tijd dat ik aankom, rond half 11, is het al overstroomd door toeristen (ja, ik ben er ook één, natuurlijk). Ik heb me voorgenomen om in Vernazza uit te rusten van de eerste route, maar na een tochtje door het centrum – met geuren van verse vis, pastasauzen en pesto – bevind ik me plots op de weg naar Monterosso en besluit ik ineens door te stappen. De drukte in Vernazza is een beetje té. Maar vanuit de hoogte gezien ligt het er schitterend bij.

Terwijl ik daarstraks de tegenliggers beklaagde, krijg ik nu zelf een heleboel fikse klimstroken achter elkaar te verwerken. Vernazza – Monterosso is het langste traject en achteraf ontdek ik dat het op de kaart aangeduid staat als ‘skilled‘. Het is een flinke inspanning en op sommige stukken zijn er enorm veel tegenliggers. Soms moet je even staan wachten om ze door te laten, op andere momenten wurm je je langs elkaar heen. De paden zijn niet echt gevaarlijk, maar het is wel uitkijken. Een enkel verzwikken is zo gebeurd en er zijn ook niet overal relingen. Ik besef dat ik net iets meer gefocust ben dan wanneer ik in gezelschap zou zijn. Af en toe waait er een lauw briesje van over zee.

En dan komt Monterosso in zicht, na eindeloos veel rotstrappen op en rotstrappen af. Groter dan Vernazza en Corniglia en heel badplaats-achtig.

Strand, water! Ik heb er niet aan gedacht om zwemspullen mee te brengen, maar ga wel regelrecht de metalen trap af, schop mijn schoenen uit en laat het niet eens koud aanvoelende zeewater mijn voeten belonen. Daarna is het nog maar rond enen. Ik neem een lange schaduwpauze op een bankje onder een boom, dwaal door Monterosso, ga elk kerkje binnen, eet focaccia en maak honderd steegjes-foto’s.

En dan slaat de combinatie van de stapinspanning, de hitte en de drukte toe. Ik neem de trein terug naar La Spezia en besluit het verder hééél rustig aan te doen vandaag.

Bella Italia: Staglieno (dag 5)

Maandag, sluitingsdag van de musea in Italië, dus dat zou het alvast niet worden vandaag. Na Palazzo Reale, Palazzo Bianco, Palazzo Tursi, Palazzo Rosso en Palazzo Ducale en een hoop kilometers in de benen gisteren dreigde trouwens de palazzo-overdosis. Het labyrint van steegjes in het historische centrum van Genua , zo nauw dat een auto er niet doorheen komt en het er zelfs op een zonovergoten dag bijna schemerig is omdat de huizen tegelijk heel hoog zijn, is een bijzondere belevenis (nog extra wanneer je als argeloze toerist terechtkomt in een gedeelte waar op elke hoek een jonge vrouw met gsm in de hand overduidelijk op klanten staat te wachten), maar heb je ze gezien, dan hoef je er niet per se naar terug.

Een vriend had een tip gepost – ‘Staglieno’, ik kende het niet, volgens google een nogal speciaal kerkhof – en toen ik gisteravond nog even de deur uitging zag ik toevallig aan het station een bus stoppen met vooraan ‘Cimeterio Staglieno’ erop. Eén plus één is meestal twee, maar in dit geval: een plan! Hoe neem je de bus in Italië? Geen idee. Kaartje in de bus kopen leek geen optie, ik zag dat de chauffeurs nog steeds achter een covid-barricade zitten. In de krantenkiosk? Ik haal m’n gestaag uitbreidende Italiaans boven en ja: de verkoopster verstaat mij, verkoopt effectief bustickets, vraagt hoeveel ik er wil, kan ik met een kaart betalen, jazeker. Elke keer wanneer ik erin slaag om een transactie – hoe simpel ook – van begin tot eind in het Italiaans af te handelen zonder dat het ergens vastloopt en de ander dan maar wat Engelse woorden in het rond begint te gooien ben ik trots op mezelf. Na 20 minuten bus stap ik uit en loop langs de muur van het kerkhof tot ik de poort vind. Het is heet en elk plekje schaduw is welkom. We bevinden ons intussen een eind de heuvels rond Genua op. Het centrum mag dan historisch zijn, daarbuiten is Genua een van autolawaai gonzende metropool waar de meeste mensen in een woud van typisch pastelkleurige flatgebouwen lijken te wonen.

Maar voorbij de kerkhofpoort ben ik plots zowat alleen en strekt zich een stil universum uit dat ik het volgende anderhalf uur met stijgende verbazing ontdek. Ik weet nauwelijks iets over deze plek, behalve dat er nogal imposante grafmonumenten zijn. Brede oprijlaan, mega-Mariabeeld, trappen en een Pantheon. Een kopie van het Pantheon in Rome, ontdek ik later. Langs beide kanten van het Pantheon galerijen met graven en beeldhouwwerken erop. Dat ziet er zo uit:

De beelden stralen bijna allemaal drama en diepe treurnis uit. Ze zijn allemaal wit. En vuil, echt smerig. Zodanig dat het eruitziet alsof de kleding van de figuren van brokaat of zijde is gemaakt. Een bevreemdend effect.

Telkens ontdek ik weer een nieuw gedeelte, ik lees achteraf dat het kerkhof een paar vierkante kilometer groot is. Je zou het zowat een dodenstad kunnen noemen. De eerste graven dateren van 1851. Intussen zijn er galerijen, terrassen, met pijnbomen afgezoomde lanen, een Protestants kerkhof, graven van Engelse soldaten, Commonwealth graves, gangen met boven elkaar gestapelde graven, muren met urnes, een paar grafmonumenten die eerder op kleine kerken lijken, en dan kom ik voorbij een technische installatie en besef ik dat ik aan de achterkant van het crematorium ben beland. Achteraf ontdek ik dat ik een foto heb gemaakt van een beroemde engel – de Engel van Monteverde. En verder dat Nietzsche, Guy de Maupassant, Ernest Hemingway en Mark Twain deze plek een warm hart toedroegen en dat Joy Division één van de beelden op de cover van hun album ‘Closer’ zette. Wat bijblijft: het pathos van de beelden, hoe de ene dode een mini-kerk op z’n graf heeft staan en een ander achter een mini-plaquette rust, maar dat het uiteindelijk niks uitmaakt. Beten en jeuk, want het zit hier vol knutten, die piepkleine beestjes die in het Engels midges heten. En die man die helemaal alleen door de laan met urnes loopt. Ik hoop dat hij daarbuiten meer gezelschap heeft.

Bella Italia: hoe Zwitserland niet Italië is, en vice-versa (dag 4)

Gisteren reisde ik van Zwitserland naar ItalIë. De fiere knalrode trein van de Rhätische Bahn komt aan in Tirano en binnen het half uur na aankomst ben ik er helemaal van doordrongen dat ik niet langer in Zwitserland ben, maar wel in Italië. ‘Perché?’ Wel, hierom:

De stationsklok staat permanent op half 6, ook al is het iets na de middag. Ondenkbaar in Zwitserland, land der klokken.

De openbare toiletten hanteren duidelijk een andere standaard van (on)reinheid. Aan de voorkant van het station zijn ze ‘guasto’ (defect), aan de achterkant is er één toilet van 3 beschikbaar, zij het zonder toiletpapier, zeep of water.

Ik ben amper op een bank onder een boom op het stationsplein neergestreken of ik ben getuige van een woordenwisseling met armgebaren en stemverheffing. De chauffeur van een tourbus ziet zijn route geblokkeerd door een stelletje jongemannen die wat achteloos illegaal geparkeerd hebben. Hij stapt uit z’n bus en wast hen de oren, doorspekt met ‘irresponsabile’ en ‘fare una manovra’ en veel woorden die ik niet versta. Heerlijk en griezelig tegelijk, die temperamentjes.

De chauffeur van de bus die ik moet nemen richting Colico is ook niet van de vriendelijkste. Hij spuwt wat woorden uit en veegt ons ongeduldig met een armzwaai de bus in, alsof we een kudde schapen zijn waarvan hij de intelligentie laag inschat.

We worden geacht een mondmasker te dragen, maar iedereen past het uit de losse pols toe: masker op bij het instappen, op half zeven of helemaal uit zodra de zitplaats bereikt is. Idem in de daarop volgende treinen naar Milaan en Genova. De komst van de kaartjesknipper is het signaal om het masker even op te zetten, daarna gaat het weer af.

In Zwitserland kijk je uit een treinraam en ziet letterlijk niet één gebouw er ook maar enigszins vervallen of dringend restauratie behoevend uit. In Italië maakt verval deel uit van het landschap. Bladderende muren, dakloze huizen, verbleekte etalages van leegstaande winkels.

Soms kloppen clichés over landen en hun bevolking blijkbaar als een bus. Wil dat zeggen dat Zwitserland – lees: orde, netheid, regelmaat – te verkiezen is boven de chaos en de lichte groezeligheid van Italië?

Nee, het is gewoon anders. Ik sta in bewondering voor de precisie van Zwitserland, terwijl Italië mij doet glimlachen. Een balkon vol ordeloze potten met cactussen. Twee oma’s die op helblauwe plastic stoelen zitten te praten bij een drankje op het terras van een onooglijk barretje.

Intussen ben ik in Genua / Genova en word ik voortdurend blij van wat ik ‘zuidersheid’ zou noemen. Het mag in België in de zomer intussen vaker 30° zijn dan ons lief is, maar ‘zuidersheid’ valt er niet te bespeuren. Het heeft dus niet alleen met temperatuur te maken. Zuidersheid, dat is dit:

Of dit (een zicht uit het raam van een museum)::

Of dit (Renzo Piano die zich even heeft uitgeleefd in de oude haven):

Eigenlijk, kortom:

Emozioni, si! De hele dag heb ik rondgedwaald in de lichte bedwelming van zuidersheid. Buiten, en binnen. Italianen gooien kunst naar je toe alsof het confetti is. Ze zijn niet zuinig, in Genova wordt er niet op een palazzo meer of minder gekeken, en ze zitten allemaal tjokvol schilderijen, meubels, fresco’s, beelden, kanten kragen, bidkapellen en salons. Je stroomt van de ene esthetische flow in de volgende. Valt op: de trots van het museumpersoneel. Ze coachen je actief door de zalen heen, wijzen de weg – ‘hierheen, daarzo’, ‘nu deze trap op, signora’ – lijken blij om bezoekers langs de kunstschatten van hun stad te leiden. Ook in de kunstwerken is de teneur voor mij vandaag: ‘emozioni‘. Ingehouden, bij deze dame uit 1510/1520.

Overduidelijk bij de Maddalena Penitente van Canova. Hij oogstte er succes mee in Parijs, kreeg anderzijds de kritiek dat hij de grenzen tussen schilderkunst en beeldhouwkunst sloopte.

Het zijn maar enkele beelden van vele. Het zouden er net zo goed andere kunnen zijn. De handen van de poppenspeler bijvoorbeeld, een foto van Tina Modotti (lees haar bewogen leven erop na):

Het is donker en de stad gonst, ook de geluiden buiten het openstaande raam klinken zuiders. Ik ga nog even wat lichtjes kijken en in het station vlakbij checken hoe ik aan een ticket kom voor de treinreis van morgen naar La Spezia. Wat er voor de rest op het programma staat? Geen idee, dat wijst zich vanzelf uit.

Bella Italia: Zürich – Tirano – Genova (dag 3)

Gisteravond leek mijn hoofd op de ballenmachine van de Lottotrekking: er tuimelden een miljoen beelden in rond en ze werden aan de lopende band uitgespuwd. Een stukje schrijven was er even te veel aan. In drie treinen en een bus legde ik de – ruwe schatting – 560 km af tussen Zürich en Genova. Het koninginnestuk van de dag – misschien wel van heel mijn reis als het om treinroutes gaat – de adembenemende 4 uur en 20 minuten tussen Chur en Tirano. In de Bernina Express instappen heeft iets van de magie van de Hogwarts Express van Harry Potter, al ziet het er heel anders uit.

Zo dus. Let op de vlekkeloos gepoetste ramen tot aan het plafond. Panoramischer kan je het niet krijgen. Mijn gereserveerde plaats is geen raamplaats, maar wanneer de trein vertrekt, zit ik tot mijn verbazing moederziel alleen in deze wagon. Ik voel mij als een kind in een attractiepark en ga telkens verzitten van links naar rechts, afhankelijk van waar het uitzicht het mooist is. Bij de eerste halte in Filisur is het gedaan met deze pret en stappen er groepen in. Ze spreken allemaal Duits en lijken zowat allemaal van pensioenleeftijd. Het uitzicht uit de megaramen is ongeveer vanaf minuut 1 spectaculair en bijna iedereen heeft de hele tijd z’n gsm in de aanslag om foto’s te maken. Af en toe wordt via de intercom aangekondigd wat eraan komt en dan veren sommigen recht om vooral niks te missen. Ik zit in de voorlaatste wagon en ben daar heel blij om, want het geeft die bijzondere sensatie wanneer je plots de voorkant van de trein ziet die al de bocht om is. Op het 65m hoge Landwasser-viaduct ziet dat er zo uit (met wat raamreflecties).

Het weer is niet heel mooi en soms regent het een klein beetje. Met wat flarden mist erbij geeft dat een bijzonder sfeertje.

De Bernina Express rijdt eerst door de dalen tussen de bergen, maar dan klimt de trein steeds hoger. Je ziet diepe kloven naast het spoor gapen met kolkende rivieren op de bodem. Uiteindelijk moet de trein de Bernina-pas over en dan wordt het echt adembenemend. Je oren gaan ploppen en het gaat plots een stuk trager. Graag een gletsjer? Hier komt-ie.

Je ziet de toppen niet meer boven je uittorenen, je bent er bovenop, middenin. Het landschap is ruig, alpien.

Het volgende spektakel, Lago Bianco, bovenop de pas. De sfeer is ingetogen, een beetje mysterieus. We zijn nog altijd in Zwitserland, maar de namen van de haltes hebben al Italiaanse namen – Pontresina, Diavolezza (niks gevaarlijks daar, alleen wat koeien en een kabelbaantje) – en je ziet heel langzaam de architectuur veranderen: de kerktorens zien er anders uit, de ramen worden hoger en smaller en hebben typische houten luiken. Maar eerst Lago Bianco.

Helemaal boven, bij Alp Grüm, mogen we 10 minuutjes uitstappen. De ijle berglucht opsnuiven en ja, alweer foto’s maken. Van het meer van Poschiavo dat je in de diepte ziet liggen bijvoorbeeld. Welke kleur is dit? Smaragdgroen, turquoise, jade?

Het laatste hoogtepunt van de route is het cirkelvormige viaduct van Brusio. Geopend in 1908 en bestaande uit negen overspanningen van elk 10 meter. Om de hellingsgraad onder het maximum van 7% te houden rijdt de trein in een cirkel en daarna onder het eigen spoor door. Ziet er zo uit voor de trein op het viaduct is.

En zo wanneer hij erover rijdt.

Daarna zijn we bijna in Tirano. Wanneer de trein het stadje inrijdt, heeft hij geen eigen bedding meer en lijkt hij een tram die door de straten en tussen de huizen rijdt. En voilà, we zijn in Italië. Dat is onmiddellijk te merken, waarover later meer. Het is nog maar iets na de middag. Volgt nog een busrit van Tirano naar Colico, heel mooi doorheen het Valtellina-dal, met heuvel na heuvel waar kleine dorpjes tegenaan geplakt liggen. En een treinrit naar Milano, langsheen het Como-meer. Hier was ik jaren geleden op vakantie, prettig weerzien. En tot slot een treinrit naar Genova. Minder opmerkelijk, en intussen ben ik moe genoeg om het gewoon uit te zitten. In Genova krijsen meeuwen, zijn de straten nat, voelt het echt al zuidelijk voor deze noorderling en is het vochtig warm. De avond valt, gelukkig is het hotel vlakbij het station.

Bella Italia: ci sono quasi (dag 2)

De nacht heeft wat intermezzi, want ja, mijn vrees van gisteravond werd bevestigd: er snurkt iemand. Vermits ik mij aan de ‘women only’-kant van het capsulehotel bevind, moet het een vrouw zijn. Een zeurderige vrouwensnurk met een uithaaltje, naar boven toe. Niet leuk. Maar goed, het haalt mij in elk geval vroeg genoeg uit bed om om 7 uur op een nuchtere maag in het station te staan om mijn treinreis voor morgen te regelen. Het Reisezentrum is zo goed als leeg, de jonge vrouw aan het loket is in opleiding en wordt geschaduwd door een oudere dame die achter haar zit. En dan kom ik met mijn ambitieuze plan: de Alpen over met de Bernina Express tot in Italië, en daarna via Milaan naar Genua. Een spoorlijn die tot Unesco Werelderfgoed is uitgeroepen, die staat op mijn bucket list, natuurlijk. Niks dan superlatieven lees je erover: ze gaat over en door tientallen viaducten en tunnels, over het 65m hoge Landwasser-viaduct, ze beklimt pieken tot boven de 2000 m en als uitsmijter is er het spiraalvormige viaduct bij Brusio. Maar eerst die reservatie bemachtigen. Tot net over de Zwitserse grens lukt het allemaal prima, daar voorbij ligt terra incognita voor de twee loketdames. Ik zie ze bijna opgelucht ademhalen wanneer ik zeg dat ik het Italiaanse traject wel met de Italiaanse spoorwegen zal regelen morgen.

Wanneer ik naar buiten stap, wordt de stad wakker: de schoonmaker met zijn karretje in de catacomben van het station, het meisje in strakke zwarte broek en wit hemdje dat terrastafeltjes buiten zet langs een kade, de hip geklede vrouw op blokhakken met drie boeketten bloemen in de armen en de gedecideerde flair van iemand die iets in de culturele sector doet. Vroege ochtend in een stad, het doet mij altijd denken aan ‘Il est cinq heures, Paris s’éveille’ van Jaques Dutronc. Ik ontbijt op een bankje onder een boom langs het water. De zon klimt al boven de daken van de huizen uit. Zürich is een stad van hoeken en kantjes, doorkijkjes, trappen en hoogtes waar je plots uitzicht hebt. Een stad van fonteintjes ook. Mooie oude fonteintjes, met een versiering of een beeld erop, vaak met niet meer dan een bescheiden waterstraal. Bij de fontein met de vis die mij gisteren al opviel, komt een atletische man met grijzend haar zijn drinkbus vullen. Ik vraag hem of alle fonteinen in Zürich drinkbaar water hebben. Hij zegt dat het er zo’n 1200 zijn en ja, het water is overal drinkbaar, deze is trouwens zijn favoriet. En als water op een openbare plek in Zwitserland niet drinkbaar is, dan staat het vermeld. In België lijkt het me eerder andersom te zijn.

Ik heb gisteren een Zürich Card gekocht en kijk ernaar uit om de rest van deze dag op vertoon ervan overal gratis te kunnen binnenstappen. Bij de eerste stop gaat het al mis: de vrouw aan de kassa van het Kunsthaus zegt dat ik nog 23 CFH moet bijbetalen, bovenop de 27 die ik al uitgaf aan de Zürich Card. Mijn budgetbewustzijn protesteert, ik ga terug naar buiten, in mezelf mopperend dat je je nooit moet laten verleiden om dagpassen te kopen in steden: toeristenvoer waarmee je alleen wat inferieure attracties kan scoren en voor wat je echt wil gaan doen toch nog moet dokken. Geen kunst dan maar, misschien is het wel gewoon goed als ik mij vandaag buiten mijn evidente voorliefdes begeef. Ik dwaal rond en vergeet mijn bozigheid, kijk gefascineerd naar scholieren bij een verbazingwekkend mooi schoolgebouw. Ze hebben pauze en mogen blijkbaar een heel eind buiten het schoolterrein zwermen. Ze doen wat jongeren doen: roken, gsm’en, in groepjes klitten, met steentjes gooien. Ik geloof dat ze er geen boodschap aan hebben hoe mooi de omgeving is waarin ze studeren. Ik geloof dat ik niet anders was op hun leeftijd.

Ik kom bij Bürkliplatz bij het meer van Zürich en de steigers waar rondvaartboten vertrekken. Over 10 minuten gaat er één, in het Engels heet het mini cruise en ik zie dat ik hem gratis kan nemen met mijn Zürich Card. Het volgende anderhalf uur breng ik op het water door, de stad wordt kleiner achter ons, in de verte een ijle horizon waar de grijzen en blauwen van water en lucht in elkaar overgaan. Links en rechts op de heuvelachtige oevers liggen voorsteden van Zürich die iets van vakantie-resorts hebben. Af en toe stoppen we bij kleine waterstations en stappen er wat passagiers uit en in. Ik stel vast wat ik de rest van de dag overal zal zien: Zürichers, misschien bij uitbreiding Zwitsers, léven echt in hun steden. Ze rennen niet gehaast naar hun werk met een beker koffie in de hand. Nee, ze zitten gezellig te praten op kademuren, planten zich op een grasveld in een park en trekken hun schoenen uit. Ik zie een oudere man die onder wat bomen bij het water zijn t-shirt uittrekt, een pareo om zijn middel slaat, zijn shorts en onderbroek voor een zwembroek verwisselt en dan zijn krant gaat zitten lezen. Ik zie een vrouw die in badpak van een steiger glijdt en in het meer een eindje gaat zwemmen. Ik zie scholieren die rechtop staan op een vlot en dat met z’n allen voortbewegen met peddels, af en toe joelend, terwijl een sportleraar hen begeleidt op een kleiner vlot. Overal zie je mensen genieten. Overal zijn er ook plekken die daartoe uitnodigen. Deze stad lijkt over te lopen van sfeervolle publieke voorzieningen: ‘openbare stoelen’ op pleinen en in parken, mooi vormgegeven banken met groen er omheen, terrasjes onder bomen bij het water.

Na de cruise zwerf ik verder. Ik wil absoluut het Pavillon Le Corbusier zien en neem een bus die er in de buurt stopt. De eerste indruk is dat het met zijn losstaande dak en fel gekleurde vlakken een beetje aan een tankstation doet denken. Maar wat voor een tankstation. Binnen raak ik helemaal in de ban. Wat is het dat zo raakt aan de gebouwen van deze man. Ik kan het niet echt zeggen. Het prachtige spel van binnen- en buitenruimtes door de grote glaspartijen, de ingenieuze lijnen, strak en dan weer gebogen, de afwisseling van metaal en hout, het kleurgebruik. Ik blijf maar foto’s maken.

Stilaan treedt de Zürich-roes in: ik zie de botanische tuin van de universiteit met zijn halvemaanvormige serres en ook hier weer bakken sfeer, neem een bus en een tram (gratis met de Zürich Card!) en slaag er nog net voor sluitingstijd in om een vluchtig spoor door het Landesmuseum te trekken. Ik zie oude jurken en uniformen, veel geglazuurde tegelkachels, een vitrine vol Zwitserse horloges, een verzameling bizarre sledes in de vorm van een schoen, een vogel of met een monsterkop vooraan. Gisteren wees K., mijn reismaatje-voor-een-dag mij erop hoe goed Zwitsers zijn in architectuur en die blik vergezelt mij nu. Het Landesmuseum is een historisch gebouw waar een moderne betonnen doos aan is geplakt en de combinatie werkt wonderwel. Hierna kan de protestantse Grossmünster-kerk er ook nog wel bij, maar dan is het tijd om op het balkon van mijn tijdelijke thuis wat te eten en een stukje te schrijven. Vanavond op tijd in bed, hopend dat de snurkster intussen naar andere oorden verkast is. Morgen gaat de eerste trein om 6u38, richting Chur. Als het goed zit, komt de volgende aflevering uit Genova.

Bella Italia, vengo da te (2)

Resterende dagen voor vertrek: met vandaag erbij gerekend 13.

Te voltooien boekingen: 1

Reisroute: volledig, in de praktijk achtereenvolgens in 29 dagen tijd van Landen naar Zürich, Genua via Chur en Tirano (Bernina Express), La Spezia, Pisa, Siena, Firenze, Rome, Assisi met vraagteken, Napels, Sorrento, Bari, Bologna, Como, Landen. Ik wil graag weten hoeveel kilometer ik zal afleggen, maar stel vast dat het moeilijk is om een tool te vinden waarmee je treinkilometers kan berekenen. Wanneer je met de auto reist, reken je in de ruimte. Zoveel kilometer. Wanneer je met de trein reist, word je blijkbaar verondersteld alleen maar in tijd te rekenen. Zoveel uren en minuten.

Gezelschap: mezelf. In Firenze en Rome: dochter 2.

Ik besef dat het een tamelijk indrukwekkend parcours is om in een maand af te leggen. Af en toe vind ik bij mijn digitale omzwervingen – genre Tripadvisor, genre ‘The top 10 must see in …’ – opmerkingen als: voor stad X heb je echt minstens drie dagen nodig. Ik klik ze weg, wil het niet weten. Nee, ik zal niet overal minstens drie dagen verblijven. En ik vertrouw erop dat het ok zal zijn. Ik mag het plannen zoals ik zelf wil en ik geef dus helemaal toe aan mijn slokop-natuur, dat stukje in mij dat telkens weer iets nieuws wil, vooruitstormend als een kind op de kermis. De lichte thrill van plekken waar ik nooit eerder ben geweest, de namen van de steden die de magische klank van toverformules krijgen en zullen verschijnen in de vorm van metalen borden op perrons. Ik maak deze reis voor een deel om de liefde voor het treinreizen, en treinreizen zal ik krijgen, volop. Ik kan me niet voorstellen om deze route in mijn eentje met de auto af te leggen, het voelt alsof ik met een rotsblok op mijn rug zou moeten vertrekken. Ik weet dat ik het niet zou durven.

Te nemen beslissing: een betere telefoon aanschaffen of lenen? Lees: eentje die echt deftig en slim is en waar je op commando en binnen een paar seconden elke gewenste brok informatie en elke nuttige functie uit tevoorschijn kan lokken.

Genomen beslissing: nee, ik doe het niet. Ik merk dat het mij stress bezorgt en ik hoef geen extra stress. Ik neem een laptop mee, want schrijven en af en toe wat online zetten voelt wél essentieel, en toevallig is laptop plus wifi ook best slim, alleen staat het wat gek om die combinatie op straat tevoorschijn te halen om één of andere QR-code te scannen of treintijden op te zoeken. Elke dag wat voorbereidend opzoekwerk dus, en de vermogens gebruiken waarmee ik van nature begiftigd ben, als daar zijn: oren, ogen en mond. ‘Puoi aiutarmi per favore?’ We zijn het niet meer gewend anderen om hulp te vragen in de openbare ruimte. Soms krijg ik bijna het gevoel dat het niet meer hoort, dat je je eigen vragen moet zien op te lossen, want iedereen heeft toch zo’n slim ding dat alles weet.

Veel dus, veel steden, veel natuurschoon, maar ook veel kunst en architectuur. Ik krijg het lichtjes benauwd wanneer ik over het stendhalsyndroom lees. De Franse schrijver Stendhal tekende nauwgezet op hoe hij in 1817 bij een bezoek aan Firenze overvallen werd door een flauwte bij het aanschouwen van het zoveelste meesterwerk. Hij was blijkbaar niet de enige: een Italiaanse psychiater bestudeerde een honderdtal gevallen en beschreef ze uitgebreid in 1979. In de meest ernstige vorm treden hallucinaties of psychotische verschijnselen op. Ik zal op mezelf letten: beloofd. Af en toe de ogen dichtknijpen in het Uffizi of aanverwanten. Hijgend naar buiten strompelen voor het te laat is.

Ik zal missen: geliefden en vrienden, de rust van mijn huis, de tuin die bij mijn terugkeer plots zal opgeschoven zijn naar vroege herfst, de eerste treurnis in bladgroen, de lichte vermoeidheid in late bloemen.

Als er iets foutloopt, ik een aansluiting mis, de weg kwijt ben, verstrikt raak in mijn uiterst schamele Italiaans, zal ik aan Pema Chödrön denken: ‘Wij zoeken altijd naar een vast referentiepunt terwijl dit helemaal niet bestaat. Alles is tijdelijk. Alles is voortdurend aan verandering onderhevig, vloeiend, vluchtig en open. Niets is vast te pinnen op de manier waarop wij dit willen. In wezen is dit geen slecht nieuws. Maar wij lijken allemaal zo geprogrammeerd dat wij dit gegeven ontkennen. Leven met onzekerheid kunnen wij absoluut niet aan.’

Annie Dillard lezen helpt: ‘Een blommige, bloezige wolk schoof statig over een onzichtbaar pad in de hogere luchtlagen, als een trotse reuzenslak gleed ze op haar vlakke voet voort. Ik rook zout in de wind, kalkoen, wasgoed, bladeren … mijn God wat een wereld. Elke seconde gebeurt er iets wonderbaarlijks.’

En Pierre Teilhard de Chardin in de teksten van Annie Dillard: ‘Mijn hele leven, iedere minuut van mijn leven, is de wereld geleidelijk voor mijn ogen ontvlamd en gaan laaien, tot hij me omringde, geheel van binnenuit verlicht.’

Ik zal het proberen: het wonderbaarlijke in de seconden te zien, het laaien te voelen.

Bella Italia, vengo da te, (se posso)

Manarola, Cinque Terre (bron: Pixabay)

Ik heb een maand. Waarin ik niet hoef te werken. Waarin ik alles – nu ja, misschien niet echt alles, laten we zeggen alles binnen redelijke en weldenkende perken – kan doen waar ik zin in heb. Het wordt reizen. (Grotendeels) in mijn eentje. Die maand is september 2022. Ik weet het al een half jaar, maar nog altijd is mijn plan niet meer dan de vage schets van een route in mijn hoofd. Maandenlang lag een potige blokkade dwars in mijn borstkas, je zag ze nog net niet uitsteken aan de zijkant van mijn ribben. ‘De kinderen hebben je nodig, wat als er iets met je hoogbejaarde ouders gebeurt, ook al is je lief niet zo’n reiziger, je kan toch niet zomaar weggaan, eigenlijk komt het nu niet uit en kan je het niet beter uitstellen, en oh die arme collega’s die dan weer …’. Als iemand anders het lijstje met bezwaren afraffelde, zou ik met mijn ogen rollen en denken: ‘ocharm, nog zo’n vrouwmens dat zich aan handen en voeten laat kluisteren door de rest van de wereld’. Blijkt maar weer eens dat clichés altijd cliché lijken wanneer je ze een ander ziet uitleven. Wanneer je ze zelf vertoont, worden ze plots uniek en legitiem.

Maar ze zijn er ook om achter te laten, natuurlijk. Wat ik bij leven en welzijn – als ’t God belieft, zei mijn oma altijd – zal doen op 1 september. Ik ben in het zesde decennium van mijn leven – ugghh ben ik echt al zo oud, ik ben toch geen zestiger? nee, maar je bent wel in het zesde decennium, niks aan te doen – en heb nog nooit alleen gereisd. Natuurlijk wel alleen ergens heen, maar dan wel om daar, op de verre plek, in één of ander gezelschap te zijn. Eén van mijn dochters zal een stukje meereizen, maar voor de rest zal ik alleen zijn. En ik hou daarvan af en toe, maar heb geen idee hoe het mij reizend en week na week zal bevallen. Eigenlijk heb ik er geen voorstelling van.

Waarheen het gaat, hebben titel en foto van dit stukje al ruimschoots verraden. Mijn hoofd blijft zeggen dat ik, nu ik de gelegenheid en de tijd heb – ‘komt misschien noooooit meer terug, komaan zeg’ – naar iets veel specialers en wilders en coolers dan Italië moet gaan. Naar Lhasa ofzo, naar Kamtsjatka, de Karpaten of de Lofoten of een continent waar ik nog niet ben geweest, of minstens heel Oost-Europa door. Maar nee, mijn hart blijft zo luid mogelijk Italië scanderen. Onze gezinsvakanties brachten ons nooit verder dan het Como-meer, de compromissen kwamen altijd neer op koelere noordelijker streken. Intussen bleef ik terugverlangen naar de plekken die ik op mijn 17e zag, laatste jaar van de klassieke humaniora, de in steen gebeitelde Rome-reis. Deze keer veroorloof ik me om mateloos gulzig te zijn. Zal ik via Siena en Perugia, en oh ja, Assisi moet er ook nog bij. Heb ik tijd om langs de oostkust, Bari misschien, en dan zo naar het noorden, wie weet lukt Venetië nog op de terugweg.

Het vervoermiddel? De trein, naturalmente. Ik heb intussen al genoeg Europese steden met de trein bereisd om te weten dat de trein de ruggengraat van mijn reis moet worden. Ik stel mij voor dat ik ergens een lijn uitkies, instap, uit het raampje kijk en denk: ‘hé, hier ziet het er leuk uit’ en dan uitstap op een plek waar ik niks over weet. Zo zal het allicht niet gaan, ik vrees dat het soort reizen op de bonnefooi waar ik over droom misschien niet meer bestaat of kan. Maar misschien is dat laatste ook wel een excuus en heb ik niet de ‘guts’ om ’s ochtends niet te weten waar ik ’s avonds zal slapen, en of ik wel een slaapplek vind. Laten we toch maar wat voorbereiden. Ideeën genoeg. En ontdekkingen. Blijkbaar zijn er in Italië veel kloosters en abdijen die kamers verhuren. In mijn hoofd strijk ik met zere voeten en een zware rugzak neer in een spartaans kamertje met een smal bedje en ik zie het al helemaal zitten.

Voor de rest zijn mijn besognes van het type ‘haal er alles uit wat er uit te halen valt, en liefst nog wat meer eigenlijk als het kan’. Ik vraag me af of ik niet één of andere insteek moet hebben, een rode draad. Mijn ecologisch (schuld)bewustzijn zegt dat ik eco-initiatieven moet gaan bezoeken, mijn literair ik dat ik overal waar ik kom de plaatselijke bibliotheek moet aandoen (maar boekhandels en bibliotheken waar het gros van de boeken in een taal is die ik niet voldoende beheers maken mij altijd een beetje triest), mijn vertragende zelf drukt mij op het hart om op zoveel mogelijk plekken de stad uit te gaan om een staptocht te maken. Als ik niet uitkijk, raakt mijn maand van vrijheid bedolven onder de to do-lijsten. En wat zeker moét: nog wat Italiaans leren. Je hebt een goeie maand de tijd: start!

Ik maan mezelf tot kalmte. Even praktisch wezen. Terug naar de treinrouteplanners, de nuchtere vraag of er in Pisa ook iets anders te doen is, vermits ik weinig interesse heb om naar een scheve toren te gaan kijken. Nog een keer beter opzoeken of je als vegan in Italië veroordeeld bent tot elke dag pizza marinara en een insalata verde vooraf.

Die ‘se posso’ in de titel: als ik het goed heb, kan dat zowel ‘als ik kan’ als ‘als ik mag’ betekenen. Zoals in het Frans dus. Die dubbelzinnigheid past vooralsnog uitstekend bij me. Laat ik een mantra kiezen: komt allemaal goed. Komt vast allemaal goed.