
Ik heb me aangeboden om te vrijwilligen en ontmoet samen met een hulpverlener enkele mensen in een opvanginitiatief voor vluchtelingen uit Oekraïne. Ze zijn ondergebracht in een voormalig openbaar gebouw dat zo goed en zo kwaad als het kan herbestemd is voor bewoning.
V. is een mama met twee kinderen in de basisschool. Ze doet haar uiterste best om zich verstaanbaar te maken in het Nederlands en het lukt redelijk. Morgen heeft ze een examen. De hulpverlener en ik complimenteren haar met haar inspanningen. Ze glimlacht. Ze moet leren, om te kunnen werken, uit de opvang te verhuizen.
Op de trap ontmoeten we een gezin: vader, moeder, een peuter. Ze zijn Roma, knikken bij wijze van groet, de man glimlacht, de vrouw kijkt sceptisch met het kind op de arm. Ik vraag me af of ze denken dat ik een soort inspecteur ben. Daarna glimlacht de vrouw toch. Er is niet echt gesprek, alleen een soort primitief contact.
Bij de voordeur drentelt A. rond, een broodmagere oudere man, tanig, hij lijkt niet op de doorsnee Belgische senior. Ik stel me hem makkelijk voor in een afgelegen dorp waar hij met andere oudere mannen driekwart van de dag op een bank zit te praten op een stoffig pleintje. Hier is wel een bank, maar niemand om mee te praten. A. spreekt geen woord Nederlands. De hulpverlener probeert duidelijk te maken dat hij woensdag, samen met een andere bewoner, geacht wordt de douches en toiletten schoon te maken. Ik zie aan het gezicht van A. dat de kans dat hij de douches en toiletten ook effectief schoon zal maken zo goed als nihil is. Wanneer de hulpverlener vraagt hoe het weekend was en wat hij gedaan heeft, legt A. twee handen tegen zijn linkerwang en houdt hij zijn hoofd schuin. Hij heeft geslapen.
Wanneer ik op mijn fiets stap en de paar kilometers naar huis afleg, voel ik me bedrukt. Ik denk aan het verouderde gebouw, de gangen met net iets te veel rommel, de licht groezelige vloeren, de kale keuken waar niemand met plezier zou kunnen staan koken, de douches die je waarschijnlijk zo snel mogelijk wil verlaten. Volgens de hulpverlener is deze plek al een stuk beter dan de vorige opvang waar ze woonden. Plots valt me in: ‘de achterkant van de wereld, deze mensen bevinden zich aan de achterkant van de wereld’.
Er is ook een voorkant van de wereld. De meesten van ons houden zich daar op. We zijn ingesponnen in een web waar we ons nauwelijks van bewust zijn. Woorden die voortdurend uit de monden stromen van mannen en vrouwen in nette (mantel)pakken vormen de knopen en mazen van het web: tewerkstelling, koopkracht, concurrentiepositie, scholingsgraad, levenslang leren, productiviteit, … De woorden raken ons aan en zeggen iets over ons. Zelfs als we er niet zo van houden, hebben ze toch betrekking op ons. Alle woorden veronderstellen beweging, altijd naar voren gericht, liefst ook naar meer, beter, groter.
Wanneer je je aan de achterkant van de wereld bevindt, heb je doorgaans een opeenstapeling van obstakels: je begrijpt en spreekt de taal niet genoeg, je ziet er op één of andere manier ‘anders’ uit, je hebt geen diploma’s of wekt geen vertrouwen wanneer je je aanbiedt als kandidaat-huurder, je worstelt langdurig in je hoofd.
De mensen in de opvang, zouden zij er ooit in slagen om de achterkant te verlaten en in de voorkant te raken? Ik hoef er niet lang over na te denken: V. misschien wel, met de nodige hulp en op voorwaarde dat ze niet opbrandt als mama alleen. A. en het Roma-gezin? Ik denk het niet. Ik zie niet op welke manier zij de beweging die onze samenleving verwacht, vooruit, doelgericht, kunnen maken, hoe hard dat ook klinkt. In de achterkant van de wereld lijkt alles eerder stationair, of het beweegt anders, achteruit, op zijpaden die vaak niet begrijpelijk zijn voor mensen aan de voorkant.
Voor mensen aan de achterkant is wel iets voorzien: hulpverlening, sociale diensten. Het wordt soms ‘vangnet’ genoemd. Maar ook daar wordt beweging verwacht, vooruitgang, herstel van autonomie. Hulp is voorwaardelijk, tijdelijk. Onze samenleving kan niet goed om met mensen die langdurig, of misschien wel altijd, aan de achterkant blijven. Wie gevlucht is, moet zich kunnen integreren en dan ‘zoals wij’ zijn. Wie depressief is, moet zich laten behandelen en dan weer ‘gezond’ zijn. Wie arm is, moet een traject volgen om schulden af te betalen en problemen op te lossen en dan ‘een nieuwe start’ maken.
Kunnen we ook zonder ongemakkelijk met de handen te wringen en dingen te verbloemen erkennen dat het sommigen niet lukt om zich (opnieuw) naar de voorkant van de wereld te werken? Is er ook dan nog hulp, de erkenning: ook jij bent een mens, ook jij hoort erbij, en als het niet lukt, hoef je niet naar voren, beter, meer te bewegen. Ook als je blijft waar je bent, mag je er zijn. Het lijkt mij een graadmeter van een humane samenleving, dat ook de permanente achterkant van de wereld deel mag zijn van het plaatje. Dat je wanneer je je daar bevindt, niet verdwijnt in de onzichtbaarheid. Dat de mannen en vrouwen in de nette (mantel)pakken voor jou ook nog woorden hebben, en dat ze niet veroordelend of problematiserend zijn. Dat er ook dan nog iemand is, die met je op de bank gaat zitten en een praatje maakt, liefst iemand van de voorkant, zodat die lijn tussen voor- en achterkant minder hard wordt, zodat er grensverkeer komt, nieuwe paden.
Niemand betaalde mij om dit verhaal te schrijven en jij kon het gratis lezen, ook al is schrijven mijn werk en niet mijn hobby. Wil je mij steunen zodat ik kan verder schrijven, dan kan je dat doen via Petje Af, met een eenmalige donatie of een abonnement.
Geef een reactie op sandra roobaert Reactie annuleren