Carol Ann Duffy, vertaald

Poëzievertalingen van hedendaagse dichters uit het Engels zijn tamelijk schaars. Geen spat mee te verdienen voor een uitgever? Iedereen kan toch wel genoeg Engels lezen om het origineel te begrijpen? Misschien wat van allebei. Het gevolg is dat Engelstalige dichters, hoe bekend ze in eigen land ook mogen zijn, nauwelijks tot bij ons doordringen. Tenzij ze een Nobelprijs winnen. Met Carol Ann Duffy (°1955, UK) is dat voorlopig niet het geval. Haar poëzie is herhaaldelijk bekroond en van 2009 tot 2019 was ze Poet Laureate, een eretitel die in het Verenigd Koninkrijk al bestaat sinds 1616. Duffy was de eerste vrouwelijke Poet Laureate (na drie eeuwen!), ze is Schotse, feministe en voorvechter van LGBTQ+-rechten.

In 1999 publiceerde ze ‘The World’s Wife’, een verzameling gedichten die allemaal geschreven zijn vanuit het standpunt van vrouwen. Vaak vrouwen van bekende mannen uit de wereldgeschiedenis of de mythologie. Van mevrouw Sisyphus tot mevrouw Freud, mevrouw Lazarus tot mevrouw Shakespeare. Toen ik ze las, kreeg ik spontaan zin om er een paar te vertalen.

Er zijn er hele korte bij. Mevrouw Icarus en Mevrouw Darwin handelen het met een paar regels en een kwinkslag af.

Mevrouw Darwin

7 april 1852

Vandaag een bezoekje aan de zoo.
Ik trok hem aan zijn mouw –
Zeg schat, iets in die chimpansee daar
doet me beslist denken aan jou.

Mevrouw Icarus

Ik ben niet de eerste noch de laatste
die op een heuveltje gaat staan
kijkt naar de man die ze heeft getrouwd
terwijl de hele wereld aanschouwt
wat een absolute sufferd hij is, wat een eersteklas snoeshaan.

Andere gedichten zijn veel langer. De vrouwen komen erin naar voor als eigengereide karakters die het heft in eigen handen nemen. Koningin Herodes blijkt een drastisch bevel te hebben gegeven. Pontius Pilatus’ vrouw probeert ervoor te zorgen dat Jezus niet wordt gedood.

Pilatus’ vrouw

Om te beginnen zijn handen – die van een vrouw. Zachter dan de mijne
met nagels als parels, als schelpen uit Galilea.
Werkloze handen. Banale handen die wenken om druiven.
Van hun bleke, motachtige aanraking kromp ik ineen. Pontius.

Ik verlangde naar Rome, thuis, een ander. Toen de Nazareeër
zijn intocht deed in Jeruzalem glipten mijn dienstmeisje en ik naar buiten
van pure verveling, vermomd, we sloten aan bij de opgehitste massa.
Ik struikelde, greep de teugel van een ezel, keek op

en daar was hij. Zijn gezicht? Lelijk. Begaafd.
Hij keek me aan. Ik bedoel hij keek mij aan. Mijn God.
Je leven zou je geven voor zulke ogen. Toen was hij verdwenen
zijn ruwe trawanten baanden een weg naar de stadspoorten.

De nacht voor zijn proces droomde ik over hem.
Zijn bruine handen raakten me aan. Toen voelde ik pijn.
Was er bloed. Ik zag dat elke eeltige handpalm doorboord was
met een spijker. Ik werd wakker, bezweet, geil, angstig.

Laat hem met rust. Ik stuurde een waarschuwend briefje, kleedde me snel.
Toen ik aankwam was de Nazareeër met doornen gekroond.
De menigte joelde om Barabbas. Pilatus zag me,
keek weg, rolde omzichtig zijn mouwen op

en waste traag zijn nutteloze geparfumeerde handen.
Toen grepen ze de profeet en sleepten hem naar buiten,
naar het Galgenveld. Mijn dienstmeisje weet al de rest.
Was hij God? Natuurlijk niet. Pilatus geloofde van wel.

Koningin Herodes

Ijs in de bomen.
Drie Koninginnen voor de poorten van het Paleis
in bont gehuld, met vreemde accenten
hun zwetende, hijgende beesten
geladen voor een lange, harde tocht
ze volgden de gids en de knecht naar de stallen
hoffelijk, vol vertrouwen; oh, en met geschenken
voor de Koning en de Koningin van hier – Herodes, ik –
in ruil voor verzonken baden, bedden met gordijnen
fruit, het beste vlees, de fijnste wijn
dansers, muziek, gesprekken –
uiteindelijk kwam het hierop neer
iedereen in diepe slaap, behalve ik
het levendige drietal –
tot aan de bittere ochtend.

Ze waren wijs. Ouder dan ik.
Wisten wat ze wisten.
Zodra Herodes’ dronken kop achterover klapte
vroegen ze om haar te zien
vast slapend in haar wieg
mijn kleintje.
Zilver en goud
het losse wisselgeld van haarzelf
glanzend in de zachte schaal van haar gezicht.
Gratie, zei de langste Koningin.
Kracht, sprak de Koningin met de hennahanden.
De zwarte Koningin
maakte een kleine zeester van mijn dochters vuistje
zei Geluk, staarde mij aan
van Koningin tot Koningin, met ogen vol brutale lust.

Kijk uit, zeiden ze, naar een ster in het oosten –
een nieuwe ster
die de nacht doorboort als een spijker.
Het betekent dat hij hier is, leeft, pasgeboren.
Wie? Hij. De Echtgenoot. Held. Hengst.
De Ideale Schoonzoon. Vrijer. Hartendief.
De Huwelijkskandidaat. De Echtbreker. De Bigamist.
De Wolf. De Ploert. De Gladjakker. De Rat.
De Hartenbreker. Ladykiller. Mr Right.

Mijn baby roerde zich
zoog lege lucht op zoek naar melk
tot ik knielde
en de zwarte Koningin mijn borst uit mijn jurk schepte
de linker, ze naar beneden leidde
naar het mondje van het kind.
Geen man, zwoer ik
zal haar een traan ontlokken.
Daarbuiten klonk een pauwenschreeuw.

Naderhand leek het een droom.
De sterk ruikende kamelen
knielend in de sneeuw
de ruwe kreet van de gids, scherp als een havik
hij klapte zijn lederen handschoenen tegen elkaar
spuwde, rukte de dampende kruik mede
uit de handen van de gilletjes slakende meid –
ze was twaalf, dertien.
Ik keek hoe elke getulbande Koningin
als een god haar rijdier besteeg.

Die nacht toen ik gespreid lag
onder Herodes’ verstikkende gewicht
zag ik in een flits weer de felle ogen van de zwarte Koningin
haar dringende waarschuwing schroeide
opnieuw mijn oor. Kijk uit voor een ster, een ster.
Voorwaar, hij is hier …

Een hufterige kerel die haar hart komt breken,
een pipse Prins die haar naam weghaalt
haar een ring geeft, een prul, klatergoud.
Ik liet de Stafchef komen
een man uit de bergen
met een rood litteken, als een knipperlicht
in het gemene staren van zijn oog.
Verzamel mannen en paarden
messen, zwaarden, entersabels.
Rijd van hier af naar het oosten
en dood elke zoon van elke moeder.
Doe het. Spaar geen een.

Middernacht. De kwetterende sterren
rilden in een nerveuze hemel.
Orion in het Zuiden
altijd op de hoogte, die had gezien
niet gezien, het allemaal al eerder had gezien
de blaffende Hondsster op zijn hielen.
Hoog in het westen
een met diamant bezette W.
En dan, zoals voorspeld
opzichtig, driest, brutaal in het oosten –
en blauw –
de Ster van de Aanbidder.

We doen ons best
wij Koninginnen, moeders
moeders van Koninginnen.

Voor onze slapende meisjes
waden we door bloed
met ogen als dolken.

Hoor hoe achter onze wiegeliedjes
de hoeven van de vreselijke paarden
daveren en donderen.

Gepubliceerd door


Reacties

  1. Antony Samson Avatar
    Antony Samson

    Tof, Sandra! Ik ga haar werk eens checken.

    Like

    1. sandra roobaert Avatar
      sandra roobaert

      Leuk! Missie geslaagd!

      Like

  2. Angelet Damien - DGeo.3 Avatar
    Angelet Damien – DGeo.3

    Blakend mooi, Sandra.
    Ik dank je.

    Like

    1. sandra roobaert Avatar
      sandra roobaert

      Dankjewel, Damien, graag gedaan!

      Like

Geef een reactie op sandra roobaert Reactie annuleren