Lezen, deze! (3)

Voor H.C. (Hans Cornelis) ten Berge is dichten een vorm van onderzoek, aldus de Wikipedia-pagina die aan hem gewijd is. Een opvallend beknopte pagina trouwens voor iemand met een decennia omspannende bibliografie en een indrukwekkend lijstje literaire prijzen.

Eerlijk is eerlijk, ‘Splendor’ (2016) is de eerste bundel die ik van hem las. Dat van dat onderzoek blijkt meteen al in de eerste cyclus ‘Ik vlieg door de dertiende eeuw’, die zo begint:

Scherend over onland en woesting, de zandzee van de ziel
die onbenoemd en onbekend in al zijn naaktheid
op het vuur van de verlossing & verleiding wacht,
overstraalt de magere taal der mystiek
mijn schraal bekleed gebeente.

In één lang gedicht verhaalt ten Berge over een aantal mystieke vrouwen uit de dertiende eeuw. Ze bewegen op de smalle lijn tussen extase en waanzin, tussen aanbidding en erotiek. De ene ‘rolt als een hoepel biddend door de straat’, een andere geeft een lapje dijbeen als amulet mee aan een vriend. Ten Berges toon heeft iets mythisch, je leest er fascinatie voor de tijdgeest en de mystica’s in.

Aan het eind vliegt de ‘ik’ in het gedicht de dertiende eeuw uit om te belanden bij Adelheid Langmann, een Duitse non die in de 14e eeuw in de abdij van Engelthal leefde. Is de ik hier Christus, of is hij toch de in de ban van de extatische vrouwen geraakte H.C.? Het wordt niet duidelijk wie het ‘hemels beest’ is, maar zinnelijkheid en mystieke vervoering gaan duidelijk hand in hand:

De langste cyclus van de bundel heeft als titel ‘O de aarde’. Het is een poëtische kroniek in 21 kortere en langere gedichten over het lot van de aarde en de manieren waarop ze geweld wordt aangedaan. Ook hier die mythische toon, maar ook gewoon een bezingen van diversiteit en de schoonheid van een sneeuwavond.

De cyclus waar de bundel z’n titel aan ontleent heeft als ondertitel ‘de metafysica van het licht’. Opnieuw krijgen we een onderzoek. Ten Berge verwijst naar middeleeuwse denkers die over licht schreven, komt uit bij het luminisme en bij Gorter en verwerkt ook zijn eigen lichtbeleving.

Kenmerkend voor ten Berges poëzie zijn een grote bewogenheid en engagement voor de thema’s waarover hij schrijft. Hij sleept je als het ware mee in zijn onderzoekende stijl en maakt je deelgenoot van zijn enthousiasme. Zijn taal is sprankelend zonder opzichtigheid, inventief en creatief. Hier en daar stuit je op woorden die neologismen lijken, maar wel degelijk blijken te bestaan: onland, woesting, slat, slamassel, vliedberg, horst, uurglas …

‘Splendor’ bevat ook een aantal poëticale gedichten, in elke cyclus is de dichter die reflecteert over zijn métier wel ergens aanwezig. Uit ‘De weg naar de woorden’:

Verder maken vergankelijkheid en sterfelijkheid deel uit van het geheel, maar niet, zoals dat bij oudere auteurs soms het geval is, onder de vorm van verzuchting of klacht. Ten Berge schrijft hier en daar op licht spottende toon over het verlangen om de dood te omzeilen en heeft blijkbaar een te grote levenlust en liefde voor de wereld om naar zwaarmoedigheid te neigen. Deze regels uit ‘Splendor’ vatten hem misschien wel mooi samen:

Ik oefen het lied van de aarde, veracht
deze wereld nog niet.

,

Gepubliceerd door


Plaats een reactie