sandra roobaert

    • Blog
    • Boek mij!
    • De inventaris van wat blijft
    • Dichter&Dichter
    • Over mij
    • SchrijfTijdlijn
    • Welkom!
  • Dag 4: Torino!

    Al bekend bij de Romeinen. Laatste plek om voorraden in te slaan voor je de Alpen overstak. Vele eeuwen later de stad van het geslacht Savoie, nadat Emanuel Filibert van Savoie er de hoofdstad van zijn hertogdom van maakte. Nog veel later – in 1861 – de eerste hoofdstad van het verenigde Italië, omdat Victor Emanuel II, een Savoie, de eerste koning van het land werd. Stad van Fiat, Lavazza-koffie en de vroege filmindustrie.

    En stad van een strak stratenplan en een kluit paleizen en musea, de Musei Reali, met dank aan de Savoies, die hun rijkdom niet in een sok staken. De man in het infokantoor bij het station zegt dat reserveren een must is voor Palazzo Reale en de musea die eraan vasthangen. Net zo voor de panoramische lift in Mole Antonelliata, die is voor vandaag vast al helemaal uitverkocht. Ik stap naar het centrum en vraag mij af of ik er opnieuw ingetuind ben, dat fenomeen waardoor te veel mensen zich tegelijk op dezelfde plekken in de wereld willen bevinden. Is Turijn zo populair? En waarom weiger ik tevoren online reservaties te maken en tickets te kopen? Waarschijnlijk omdat het een heel stuk avontuur weghaalt wanneer ik twee maanden van tevoren al weet hoe mijn dag in Turijn er zal uitzien. Ik wil vrij kunnen bewegen, kerken, musea en parken binnenwandelen zoals het uitkomt. Mij laten leiden door een affiche die een tentoonstelling aankondigt in een museum dat niet in de must-see-top-10 staat.

    Palazzo Reale, toch even checken. Leegte bij de kassa. Zijn er nog tickets voor vandaag? Natuurlijk. Soms wanneer ik door een museum loop, krijg ik een hol gevoel in mijn maag en denk ik plots dat al die madonna’s, annunciaties, kruisafnemingen, metershoge veldslagen en eeuwenoude portretten van vooral machtige mannen toch allemaal variaties op hetzelfde zijn. Er zijn er veel te veel, na vijf infobordjes krijg ik een waterhoofd, waarom doe ik mezelf dit aan? Ik sla twee zalen over en weet het dan weer.

    Ik doe dit om de engel die een vliegje op zijn rug heeft.

    De engel in de tegenoverliggende hoek met het uitkijkje achter zich.

    De uitdrukking op het gezicht van de Madonna.

    Vrouwen die de was te bleken hangen op een oud stadszicht.

    Om dat intrigerende draagtasje met die vis (de Bijbelse figuur Tobias die in de buik van een vis een middel vond om zijn vaders blindheid te genezen).

    Om het zwarte marmer en de gouden engelen van de Capella della Sindone, speciaal gebouwd om de sindone (lijkwade) te bevatten. Ze bevindt zich in het Palazzo Reale, maar heeft grote doorkijkramen die uitgeven in de Duomo.

    En misschien ook om na te veel schilderijen, antieke beelden, gestucte en beschilderde plafonds, keramiek, opgezette paarden en harnassen naar buiten te struikelen, van de airco naar de hitte, en in de Giardini Reali ‘boterhammekes te eten’.

    Bij de Mole Antonelliana staat een file voor de panoramische lift. Een medewerker komt vlak na mij de rij definitief afsluiten. De lift heeft een dagelijks quotum van enkele duizenden passagiers en iets voor 2 in de middag ben ik de laatste die nog zonder ticket mag aansluiten. Soms heb je gewoon stom geluk. Na een uur aanschuiven en mensen kijken is er boven uitzicht.

    De dag gaat verder met ijs en foto’s van Dorothea Lange, de Amerikaanse fotografe die in de jaren 1930 wereldberoemde beelden maakte van gezinnen die getroffen werden door de crisis na de beurskrach van 1929 en de dust bowl in de landbouwgebieden van Midden-Amerika. Ik wist niet dat ze in opdracht werkte van een agentschap dat de situatie van deze mensen wilde documenteren om zo hulp van de overheid te verkrijgen. En ook niet dat ze tien jaar later tijdens WO II Japanse Amerikanen fotografeerde die door de overheid onder dwang geëvacueerd werden en in interneringskampen ondergebracht. Foto’s om stil van te worden.

    Na nog veel meer stappen, langs de Po, langs de kades waar vroeger vrachtschepen gelost werden en die nu door hippe bars worden ingenomen en door Parco Valentino, waar Italiaans uitbundig genoten wordt van de zaterdagmiddag, is het op: voeten beginnen te atrofiëren en de boterhammekes in de paleistuin vanmiddag bleken toch een beetje schamel. Nog even twee minuten soloreis-moed, een eetplek uitkiezen en in de warme avondwind bij een open raam genieten van elke hap en slok.

    11 september 2023

  • Dag 3: Nice – Turijn

    Van Nice naar Turijn is niet de handigste treinverbinding, maar het kan. En als het kan, is er geen reden om het niet te doen. De duur is ondergeschikt, het traject volslagen onbekend en dus spannend, en onderweg zijn is in dit geval ook letterlijk mooi. Eerst gaat het met bijna voortdurend zicht op de Middellandse Zee tot in Ventimiglia, net over de Frans-Italiaanse grens. De trein is overvol, met zowel forensen als toeristen. Ik moet staan en benijd de vroege zwemmers die ik in het transparante water zie dobberen. Na Monaco / Monte Carlo zijn er plots zitplaatsen vrij. Traject 2 gaat tot Cuneo. De trein slingert zich door de Alpes Maritimes: nauwe kloven met steile wanden, op de bodem staat de rivierbedding bijna helemaal droog. Na enkele stations met Italiaanse namen zijn er plots weer bordjes met SNCF erop: Breil-sur-Roya, Saint-Dalmas-de-Tende … De spoorlijn loopt hier afwisselend over Italiaans en Frans grondgebied. De uitzichten zijn vaak indrukwekkend en niet meer dan korte flitsen tussen ontelbaar veel tunnels. De stationnetjes lijken niet op de prioriteitenlijst voor onderhoud of renovatie te staan.

    De overstaptijd in Cuneo bedraagt 5 minuten en we zijn iets te laat vertrokken uit Ventimiglia. Zou het lukken? De treinbegeleider maakt een rondje om iedereen die richting Turijn moet op de hoogte te brengen op welk spoor de trein vertrekt en de overstap gaat naadloos. Het gezapige ‘treno regionale’-gevoel is weg: in deze trein is airco en automatische mededelingen in twee talen. Het landschap lijkt niet langer uit een vakantiebrochure te komen: inspiratieloze landbouwgronden strekken zich uit tot zo ver je kan kijken.

    Torino Porta Nuova: ik vraag de weg aan drie politie-agenten want ben vergeten opzoeken hoe ik moet stappen naar mijn verblijfplek. Hoewel ik dit jaar een betere telefoon heb dan vorig jaar krijg ik mijn mobiele data niet aan het roamen. Italiaanse politie-agenten zien er doorgaans iets imposanter uit dan Belgische: ze zijn allemaal jong, aan de krachttraining, doen gewichtig en lijken eerder op militairen in het blauw. Ik zeg dat ik weet dat het niet ver is, ongeveer anderhalve kilometer stappen. De ene zegt meteen dat ik best een taxi neem. Nee nee, ik ben geen taxi lady, zeg ik. De volgende wijst naar de juiste uitgang, zegt dat ik de straat moet oversteken en bus 18 moet nemen, het is twee haltes verder. Ok jongens, laat maar. Is het een vorm van machismo, vinden dat een vrouw boven een bepaalde leeftijd en met een tamelijk grote rugzak ofwel in een taxi of in de bus moet gestopt worden, of interpreteer ik te snel? Op het plein voor het station blijkt een informatiepunt te zijn: een oudere dame vouwt een stadsplannetje open, tekent de weg uit, gaat met mij naar buiten en zorgt dat ik de goeie kant opga. Zo moet dat zijn.

    Na een kwartier stappen wacht Francesca mij op, de perfect ééntalige kamerverhuurster. Er zijn vier sleutels nodig om binnen te komen, maar de kamer is charmant, met oude meubels en tapijten. Ik versta 80 % van het gebabbel van Francesca en doe mijn best om de juiste replieken uit mijn micro-woordenschat te vissen.

    De rest van de dag gaat op aan een verkennend tochtje: hoe klinkt, voelt, ruikt deze stad? Oh ja, juist, er is hier een lijkwade, ze blijkt in de Duomo te hangen. Vier rivieren, waaronder de Po en de Dora. Veel sjieke boetieks, lekkere focaccia uit het vuistje, oranje tramstellen die zo oud zijn dat het lijkt alsof ze voor een plezier-ritje uit het trammuseum zijn gehaald. Ik ga niet meteen overstag voor Turijn: het is statig, met wijdse pleinen en eerder brede en kaarsrechte straten. Niet lelijk, maar ook niet echt gezellig.

    De Mole Antonelliana, de iconische toren waarin het Museo del Cinema gehuisvest is, is wel fascinerend. Oorspronkelijk bedoeld als synagoge, maar architect Antonelli had duidelijk andere ambities met het gebouw, dus die synagoge kwam er niet van. Wel een lift die je 85 m hoog brengt naar een panoramisch terras en 360°-uitzicht over de stad. Plannen genoeg voor morgen.

    10 september 2023

  • Dag 2: Les musées de Nice, het ritueel van de zonsondergang

    Zodra ik goed en wel opgestaan ben, is het heet. Ik ontbijt en de zon wurmt zich tussen de gordijnen door, amper half negen en ik zet de ventilator in de kamer aan. Wanneer het in België heet is, voelt dat als iets licht alarmerends, een uitzonderingstoestand. Hier voelt het als een dagelijks feest, een manier van leven. Ik heb maar één volle dag in Nice en ga die opzuigen als een cocktail door een rietje. Hoeveel musea kan je vermenigvuldigen met het doorkruisen van hoeveel wijken en het afvinken van hoeveel uitzichten en gebouwen? De ûbergulzige reiziger in mij wordt wakker. Ik neem de bus die de heuvels rond het centrum in klimt naar Musée Matisse. Openbaar-vervoervergelijkingen, altijd een interessant thema: elke halte wordt zowel op beeldscherm als auditief aangekondigd , je hoeft totaal niet op het puntje van je stoel te zitten om op de juiste plek uit te stappen. En de bus heeft airco. De Lijn kan er voorlopig niet aan tippen.

    Musée Matisse bereik je via een parkje met olijfbomen, een sculptuur van Tinguely, een trap.

    Van hier af aan wordt de dag een snoer van odalisken, gekoelde zalen, sensuele pentekeningen, een ommetje langs een zuiders kerkhof (Cimetière de Cimiez), het te voet afdalen van de heuvel tot aan Musée Marc Chagall, een onderdompeling in kleuren en Bijbelse thema’s, une baguette de campagne met beleg in een speeltuintje (Nice is best zuinig met openbare zitplaatsen), pop art, Niki de Saint Phalle en Yves Klein in MAMAC (Moderne en Hedendaagse Kunst), verrassende uitzichten vanaf de dakterrassen van laatstgenoemd museum, ‘le vieux Nice’ wat ik gisteravond ook al een keer zag, opklimmen naar een waterval, resten van een voormalig kasteel en toeristen-uitkijkjes op het strand en de baai.

    En dan valt de avond. Zal ik iets te eten kopen en dat ‘thuis’ opeten? Ik logeer twee nachten bij N. en haar dochter F. In mijn kamer hangt een citaat uit de Koran dat ik niet kan lezen, op een blaadje staan de huisregels: behalve ‘schoenen uittrekken’ en ‘niet roken’ ook ‘geen hesp, geen varkensvlees’ en ‘geen alcohol’. Is het door dat laatste of eerder door de warme dag dat ik plots zo’n zin krijg in wit of rosé? Besluit: voorlopig niet naar huis. Ik shop alle ingrediënten bij elkaar voor een avondlijke strand-picknick en vooral de 37,5 ml gekoelde Grenache voelt essentieel. Het (keien)strand van Nice heeft mondaine afgebakende bars waar mensen in deftige avondkledij loungen, maar die laat ik met plezier links liggen. Honderd meter verderop kan je een stukje keien uitkiezen en gaan zitten. Terwijl ik mijn slaatje opeet en Grenache uit de fles drink, zie ik dat zich hier een ritueel afspeelt: in groepjes of alleen gaan mensen nog even een paar minuten de zee in, de horizon begint suikerboonroze te kleuren, iedereen praat op gedempte toon terwijl de golfslag hoorbaarder wordt, de zee ruikt plots heel erg naar zee, de laatste zwemmers drogen zich af, hier en daar wordt gegeten. Het licht laat het afweten, de avond daalt in, de Grenache is op. Vanaf Place Massena rijdt tramlijn 1 tot vlakbij het appartementsgebouw van N. en F. Hopelijk is een alcohol-adem geen bezwaar.

    7 september 2023

  • Dag 1: Landen – Nice

    Meestal speelt vertrek zich niet zo netjes af als vandaag. Er is niet heel veel tijd, maar wel genoeg om ontbijt en een bescheiden lunch voor onderweg klaar te maken, de rugzak hoeft alleen maar de laatste spullen in ontvangst te nemen en dan staat er nog een mini-tijdvenstertje open. De voordeur hoeft niet in allerijl achter mij dichtgegooid te worden. Er is tijd voor de Russische gewoonte van ‘zitten ten afscheid’: even rustig bij elkaar zitten vlak voor vertrek, dat zou geluk brengen, kwade geesten afwenden die je oproept wanneer je zomaar het huis uitrent. Dus doen we dat. Geen haast, daarna kalmpjes de auto in naar het station.

    Uitstappen, en dan, in de loop van een paar seconden, daagt het: de kleine rugzak met telefoon, portefeuille en documenten erin bevindt zich niet in de auto. Ongeloof, adrenaline-rush, terugrijden. Hij blijkt netjes in de buurt van de voordeur te staan, waar hij werd neergezet voor dat nu vervloekte ‘zitten ten afscheid’. Er zijn twee treinen kort na elkaar naar Brussel-Zuid, waar ik de Thalys naar Parijs en daarna Nice moet halen. Ik mis de tweede trein net, de volgende heeft extra haltes en zal in het beste geval één minuut na vertrek van de Thalys aankomen in Brussel. Nog niet vertrokken en ik heb het al een beetje verknald, obstakel één over mezelf afgeroepen.

    Wat volgt is een ochtend van totale focus: in Brussel-Zuid recht naar de internationale loketten, het rotnieuws dat ik hoogstwaarschijnlijk een nieuw ticket naar Parijs moet kopen aan een veel hoger tarief, vraag maar aan de boordchef van de trein, misschien mag u wel zonder meer mee. Nee hoor, geen genade voor laatkomers, betalen mevrouw, c’est la politique de Thalys, daar kan ik niks aan doen. Maar ja, u haalt vast wel de aansluiting naar Nice. Ik durf niet te denken aan de aderlating in het geval ik die niet zou halen. Het comfortabele uur dat ik zou hebben gehad om mij van Paris Gare du Nord naar Gare de Lyon te begeven is nu geslonken tot een half uur. Focus, het moét lukken. Bij aankomst in Parijs doe ik naar mijn gevoel beroep op de verenigde krachten van zowat de halve mensheid: kan u me helpen om een ticket voor de RER te kopen (man bij de automaten)? / is dit de goeie richting voor Gare de Lyon (vrouw op de roltrap en daarna man op het perron) / ik moet de Thalys naar Nice hebben op spoor 15, ga ik zo de goeie kant uit? (veiligheidsman in Gare de Lyon) / helpt u me even aub (spoorwegman in de buurt van de automatische doorgang die de QR-code op mijn telefoon weigert op te pikken) / waar is rijtuig 017 aub (SNCF-vrouw op het perron). Zes mensen dragen ertoe bij dat ik om 10u08, twee minuten voor vertrek, instap. Altijd weer vind ik dit spectaculair, hoe de meest betrouwbare hulp in dit zo digitale tijdperk uit de mond en de wijzende armen van mensen komt.

    Laat varen nu die stress en focus, relax, de komende zes uren doorkruis je Frankrijk. Lezen, schrijven, uit het raam kijken hoe geleidelijk het zuiden in het landschap kruipt: de kleur van de huizen verandert in vanille-ijs en zachtgeel tot oker, roze en cafe latte. Verdord gras, stoffige aarde, stugge lage bomen en groenbegroeide heuvels.

    Ik verwacht ‘grande vitesse’ tot in Nice, maar plots stopt de trein in Marseille en treedt het reisgevoel in: de normaliteit is weg en alles voelt uitheems. We staan een kwartier stil en de trein op het perron tegenover ons lijkt dat nog langer te zullen doen: reizigers lopen in en uit, roken op het perron, geven honden te drinken, zitten op treden in deuropeningen van wagons. Daarna is het uit met de snelheid. Toulon, Les Arcs, … Tussen de bebouwing en de bomen door zie je af en toe een strook Middellandse Zee, de kromming van een baai, witte yachten, strandgangers. In de buurt van Cannes rijden we langs villa’s op rotspunten met duur uitzicht, palmbomen en zwembad. Over een half uurtje Nice. Nog even uit het raam kijken naar glinstering en loomheid, lichtval en graffiti, het bladderen van gevels in de zon.

    7 september 2023

  • De achterkant van de wereld

    Ik heb me aangeboden om te vrijwilligen en ontmoet samen met een hulpverlener enkele mensen in een opvanginitiatief voor vluchtelingen uit Oekraïne. Ze zijn ondergebracht in een voormalig openbaar gebouw dat zo goed en zo kwaad als het kan herbestemd is voor bewoning.

    V. is een mama met twee kinderen in de basisschool. Ze doet haar uiterste best om zich verstaanbaar te maken in het Nederlands en het lukt redelijk. Morgen heeft ze een examen. De hulpverlener en ik complimenteren haar met haar inspanningen. Ze glimlacht. Ze moet leren, om te kunnen werken, uit de opvang te verhuizen.

    Op de trap ontmoeten we een gezin: vader, moeder, een peuter. Ze zijn Roma, knikken bij wijze van groet, de man glimlacht, de vrouw kijkt sceptisch met het kind op de arm. Ik vraag me af of ze denken dat ik een soort inspecteur ben. Daarna glimlacht de vrouw toch. Er is niet echt gesprek, alleen een soort primitief contact.

    Bij de voordeur drentelt A. rond, een broodmagere oudere man, tanig, hij lijkt niet op de doorsnee Belgische senior. Ik stel me hem makkelijk voor in een afgelegen dorp waar hij met andere oudere mannen driekwart van de dag op een bank zit te praten op een stoffig pleintje. Hier is wel een bank, maar niemand om mee te praten. A. spreekt geen woord Nederlands. De hulpverlener probeert duidelijk te maken dat hij woensdag, samen met een andere bewoner, geacht wordt de douches en toiletten schoon te maken. Ik zie aan het gezicht van A. dat de kans dat hij de douches en toiletten ook effectief schoon zal maken zo goed als nihil is. Wanneer de hulpverlener vraagt hoe het weekend was en wat hij gedaan heeft, legt A. twee handen tegen zijn linkerwang en houdt hij zijn hoofd schuin. Hij heeft geslapen.

    Wanneer ik op mijn fiets stap en de paar kilometers naar huis afleg, voel ik me bedrukt. Ik denk aan het verouderde gebouw, de gangen met net iets te veel rommel, de licht groezelige vloeren, de kale keuken waar niemand met plezier zou kunnen staan koken, de douches die je waarschijnlijk zo snel mogelijk wil verlaten. Volgens de hulpverlener is deze plek al een stuk beter dan de vorige opvang waar ze woonden. Plots valt me in: ‘de achterkant van de wereld, deze mensen bevinden zich aan de achterkant van de wereld’.

    Er is ook een voorkant van de wereld. De meesten van ons houden zich daar op. We zijn ingesponnen in een web waar we ons nauwelijks van bewust zijn. Woorden die voortdurend uit de monden stromen van mannen en vrouwen in nette (mantel)pakken vormen de knopen en mazen van het web: tewerkstelling, koopkracht, concurrentiepositie, scholingsgraad, levenslang leren, productiviteit, … De woorden raken ons aan en zeggen iets over ons. Zelfs als we er niet zo van houden, hebben ze toch betrekking op ons. Alle woorden veronderstellen beweging, altijd naar voren gericht, liefst ook naar meer, beter, groter.

    Wanneer je je aan de achterkant van de wereld bevindt, heb je doorgaans een opeenstapeling van obstakels: je begrijpt en spreekt de taal niet genoeg, je ziet er op één of andere manier ‘anders’ uit, je hebt geen diploma’s of wekt geen vertrouwen wanneer je je aanbiedt als kandidaat-huurder, je worstelt langdurig in je hoofd.

    De mensen in de opvang, zouden zij er ooit in slagen om de achterkant te verlaten en in de voorkant te raken? Ik hoef er niet lang over na te denken: V. misschien wel, met de nodige hulp en op voorwaarde dat ze niet opbrandt als mama alleen. A. en het Roma-gezin? Ik denk het niet. Ik zie niet op welke manier zij de beweging die onze samenleving verwacht, vooruit, doelgericht, kunnen maken, hoe hard dat ook klinkt. In de achterkant van de wereld lijkt alles eerder stationair, of het beweegt anders, achteruit, op zijpaden die vaak niet begrijpelijk zijn voor mensen aan de voorkant.

    Voor mensen aan de achterkant is wel iets voorzien: hulpverlening, sociale diensten. Het wordt soms ‘vangnet’ genoemd. Maar ook daar wordt beweging verwacht, vooruitgang, herstel van autonomie. Hulp is voorwaardelijk, tijdelijk. Onze samenleving kan niet goed om met mensen die langdurig, of misschien wel altijd, aan de achterkant blijven. Wie gevlucht is, moet zich kunnen integreren en dan ‘zoals wij’ zijn. Wie depressief is, moet zich laten behandelen en dan weer ‘gezond’ zijn. Wie arm is, moet een traject volgen om schulden af te betalen en problemen op te lossen en dan ‘een nieuwe start’ maken.

    Kunnen we ook zonder ongemakkelijk met de handen te wringen en dingen te verbloemen erkennen dat het sommigen niet lukt om zich (opnieuw) naar de voorkant van de wereld te werken? Is er ook dan nog hulp, de erkenning: ook jij bent een mens, ook jij hoort erbij, en als het niet lukt, hoef je niet naar voren, beter, meer te bewegen. Ook als je blijft waar je bent, mag je er zijn. Het lijkt mij een graadmeter van een humane samenleving, dat ook de permanente achterkant van de wereld deel mag zijn van het plaatje. Dat je wanneer je je daar bevindt, niet verdwijnt in de onzichtbaarheid. Dat de mannen en vrouwen in de nette (mantel)pakken voor jou ook nog woorden hebben, en dat ze niet veroordelend of problematiserend zijn. Dat er ook dan nog iemand is, die met je op de bank gaat zitten en een praatje maakt, liefst iemand van de voorkant, zodat die lijn tussen voor- en achterkant minder hard wordt, zodat er grensverkeer komt, nieuwe paden.

    Niemand betaalde mij om dit verhaal te schrijven en jij kon het gratis lezen, ook al is schrijven mijn werk en niet mijn hobby. Wil je mij steunen zodat ik kan verder schrijven, dan kan je dat doen via Petje Af, met een eenmalige donatie of een abonnement.

    19 juni 2023

  • Radicaal

    Ik moet naar de bank om enkele circulaire cheques te laten uitbetalen. De grootbank waar ik voorlopig nog klant ben, maar waar ik graag vanaf wil, is dinsdag- en donderdagochtend vrij open. De tendens om barrières voor live contact met klanten op te werpen, bijvoorbeeld door voornamelijk op afspraak te werken, is duidelijk. Kom vooral niet zomaar langs bij je bank, lijkt de boodschap te zijn.

    Ik word door een typische bankmeneer naar een glazen hokje gecoacht: glad, strak pak, armgebaren en zalvende woorden die mijn radar meteen als betuttelend registreren. Ik wil doodgewoon de cheques uitbetaald krijgen. Cash.

    – Nee, dat gaat niet, cash. We storten het op uw rekening.

    – Waarom kan het niet cash?

    – (licht neerbuigend glimlachje) Omdat we helemaal geen cash meer hebben in de bank.

    – Waarom niet dan?

    – Al onze cash zit in de geldautomaat aan de ingang, mevrouw.

    – Ok, maar ik vind dit geen goede dienstverlening, ik wil graag de keuze hebben op welke manier de uitbetaling gebeurt.

    – Alles is meer en meer digitaal, mevrouw, zo is dat.

    – Ja, dat is de evolutie naar de cashloze samenleving, persoonlijk vind ik dat geen goede evolutie.

    – (opnieuw het wat smalende glimlachje) Oh, maar dat gaat u niet tegenhouden hoor, dat is onvermijdelijk.

    – Ik vind het geen goeie zaak voor de klanten, met digitaal verdient de bank op elke transactie en is er van alles een spoor.

    – Verdienen op transacties, dat is peanuts hoor, dat is niet ons verdienmodel en ja, data worden overal verzameld.

    – Niet wanneer ik cash uitgeef, dan weet u als bank niet waaraan.

    – Ja, dat is waar, maar als u die evoluties allemaal niet wil, dan moet u in een tentje in de Ardennen gaan wonen.

    – Dat is altijd meteen het argument wanneer je kritisch bent over zogenaamde vooruitgang, dan wordt er gedaan alsof je een oermens bent of terug wil naar de Middeleeuwen.

    De bankmeneer sust: zo heeft hij het niet bedoeld. We raken het eens dat we het oneens zijn, hij doet het nodige om het geld op mijn rekening te zetten en de wapenstilstand bestaat eruit dat ik het geïnde geld meteen aan de ingang uit de geldautomaat kan halen, wat ik ook prompt doe.

    Ben ik nu radicaal? Het woord speelt al een tijdje in mijn hoofd. Vergezeld van vragen. Mag je radicaal zijn? Wanneer ben je radicaal? Is radicaal eerder goed of toch een beetje fout of onwenselijk? Mag een ander radicaal zijn, maar ik niet?

    Ik geloof dat ik een stevig start-stopmechanisme heb ten opzichte van radicaal. Soms mag ik het even zijn. In een opwelling van verontwaardigde boosheid mag ik er wat uitgooien, waarna het mondslot weer wordt aangehangen. Mag ik iets doen, waarna ik mezelf weer terugfluit, het hok in. Om allerlei redenen: radicaal is toch wel een beetje overdreven, je zichtbaarheid gaat de hoogte in, de kansen stijgen dat je kop spreekwoordelijk wordt afgehakt of dat je jezelf voor schut zet. En het verlangen om iedereen happy, comfortabel en in de friend zone te houden kan je maar beter uitzwaaien. Nog: als ik het waag om een beetje radicaal te zijn, vind ik van mezelf dat ik alles, maar dan ook alles op een rijtje moet hebben, 150 argumenten en 300 feiten achter de hand om mijn mening indien nodig te staven. Dus radicaal met mate, zoals alcohol en suiker en foute vetten. Toch dacht en denk ik aan radicaal, en voel ik dat mijn radicaal-balans aan het schommelen is. Kan je alsmaar rustig en on-radicaal blijven toekijken in een wereld die volslagen radicaal is?

    Ik vind het behoorlijk radicaal, al die plekken waar vroeger geldautomaten waren en nu grimmige dichte wanden. En die slogans op de geldautomaten die er nog wel zijn, in de aard van ‘drop hier je cash’, alsof cash een soort walgelijk afval is dat je zo snel mogelijk kwijt wil.

    Ik vind het adembenemend radicaal wanneer ministers het aandurven om te suggereren dat een pauzeknop nu wel een goed idee is wanneer het gaat om klimaatmaatregelen en natuurherstel.

    Ik vind het afschuwelijk radicaal dat er vorig jaar in België 298 miljoen kippen werden geslacht en 105 miljoen varkens. Nee, er ontbreekt geen komma in die getallen.

    Ik vind het walgelijk radicaal dat een clubje weerzinwekkend rijke mannen manieren verzinnen om zo snel mogelijk de triljoenen dollars aan grondstoffen op de maan en Mars te ontginnen.

    Ik vind het onethisch radicaal wanneer in alle toonaarden over groei-groei-groei wordt gezongen, maar er tegelijk kapot wordt bespaard in de zorg, het onderwijs en de culturele sector.

    Ik vind het beschamend radicaal wanneer met dat zwart-gele vlaggetje ‘Vlaamse identiteit’ in het gezicht van een gekleurde medemens wordt gezwaaid, met de boodschap dat hij/zij er alvast niet genoeg deel van uitmaakt om één of andere functie te bekleden.

    Ik geloof dat ik in zo’n radicale wereld ook een beetje radicaal mag zijn. De bankmeneer beleefd een beetje tegengas mag geven, ook al maakt hij de regeltjes niet. Net ietsje minder elk woord hoef te wikken en wegen, net ietsje minder eerst de andere kant zo goed mogelijk moet proberen te begrijpen. Omdat er zo veel op het spel staat. Omdat het over behoud en overleving en welzijn en rechtvaardigheid gaat. Over dingen die ik aanvoel als inherent goed of fout. En ja, ik mag ook aanvoelen, hoef niet meer de hele tijd de 150 argumenten en 300 feiten aan te dragen.

    Wat ik verder vaststel: wat voor buiten geldt, gaat ook op voor binnen. Ik hoef niet te blijven rondlopen met malaises in relaties, niet te slikken wanneer iemand iets zegt of doet wat ik als kwetsend aanvoel. Ik hoef niet te laten passeren om de lieve vrede, niet te zeggen ‘mja’ of er het zwijgen toe te doen wanneer ik het helemaal niet eens ben. Ik hoef niet meer zo passe-artout en middle of the road te zijn om vooral niemand voor het hoofd te stoten.

    Ik mag keuzes maken die ingaan tegen het paradigma geld-verdienen – consumeren – entertainment – slapen dat zo kenmerkend is voor onze samenleving. Ik mag stoppen met mezelf aan te manen om normaal en redelijk te zijn en doen en mezelf in te passen zoals iedereen.

    Je bent dus gewaarschuwd, hier is sprake van enige radicalisering. Maar als dat te veel afschrikt of aan bommen en granaten doet denken, kunnen we het ook gewoon ‘uitgesproken’ noemen.

    6 juni 2023

  • Treinsporen, gedichten

    Op weg naar een stad ver weg, de voorstelling van een poëziedebuut. De trein loopt vol, ik haal mijn tas van de stoel naast me, een man zijgt neer en duikt in een misdaadroman. Ik concentreer me op mijn laptopscherm, door mijn oortjes hoor ik de stem van D, ik tik een transcriptie van wat hij zegt. Het interview is buiten opgenomen, op de achtergrond fluiten vogeltjes. D praat over landschapspijn, de natuurplekken die hij zag verdwijnen in zijn kindertijd, en hoe hij nu probeert om overal waar het kan, vooral in de stad, plekken terug te geven aan de natuur.

    Overstappen in Brussel, wachten. Op het perron staat een jonge vrouw met haar rug naar de sporen gedraaid te jongleren met vijf ballen. Het lukt haar telkens enkele seconden, dan valt er een bal uit, soms rolt er één dicht naar de perronrand maar ze pakt hem elke keer net op tijd. Ze oefent onverstoorbaar, ballen in de lucht, op de grond, oprapen, herbeginnen, minuut na minuut. Ooit gaat het haar lukken, vijf ballen is veel.

    In de volgende trein zit een jongetje heel luid en heel Russisch te zijn. Zijn moeder laat hem. Bijna kan ik de stem van D en de vogeltjes niet meer horen. Ik mag van mezelf de sociale conventie van vertederd reageren op kleuters negeren. Ik pak mijn spullen en ga vier banken verderop zitten.

    Ik kom aan in de stad ver weg, stap naar de bibliotheek, geroezemoes, kom uit mijn binnencocon, haal mijn sociale persona tevoorschijn. Ik schud een mannenhand, een vrouwenhand, hoe gaat het. Elke keer wanneer ik een hand schud, denk ik aan de man die enkele jaren terug beweerde dat we dat wellicht nooit meer zouden doen. Elke keer denk ik: ha, jij krijgt zo heel erg geen gelijk.

    De voorstelling trekt in een roes van woord en klank, gelach en applaus voorbij. Ik hoor dat het goed is, soms stroomt er iets in mij in tegenbeweging. Ik bouw geen dammen op. Aan het eind spreekt de man die de eerste bundel overhandigt aan de dichteres, die de man kust en daarna de bundel.

    De zaal krabbelt op, bundels worden gekocht, bij de signeertafel groeit een file. Ik bemachtig wijn, praat links en rechts, soms lukt dit soort dingen mij slecht, vandaag glijd ik door gesprekken als de wijn door mijn keel. Ik kijk uit naar A, ik zie haar niet. Ik hou de tijd in het oog, wil de trein terug niet missen, zie A buiten de zaal staan praten. Voor haar kinderen is A een schip, voor mij een haven, besef ik. Het voelt warm. We praten ultrakort, ik dwing mezelf om nog even naar binnen te gaan. Ga drie handen schudden tot slot. Ken je mij nog? Even een vraagteken. Oh ja, natuurlijk ken ik je nog. Wat goed, ik zal proberen te komen in het najaar.

    Fikse pas naar het station en dan een kleine samenscholing bij het dienstregelingenbord. Rijdt vandaag niet, rijdt vandaag niet, rijdt vandaag niet. Collectieve verontwaardiging, iemand zegt dat er een vervangbus richting M komt maar wanneer? In M hoef ik helemaal niet te zijn, raak ik nog thuis? De spoorwegman die uit de tunnel komt, krijgt het over zich heen. Hij is gehard, wil het alleen over deze avond hebben en wat er verder gebeuren zal.

    Ik bel met het warme thuisfront, hij kijkt voor me op de spoorwegplanner. Als je een thuisfront hebt, heb je geen smart phone nodig. Hij wil gaan slapen, hij zal zijn telefoon aan laten staan.

    We praten in een groepje: een man met een baardje, een ouder koppel (iedereen die ouder is dan ik is ‘ouder’), een vrouw met vlechtjes en een regenbroek. Spoorwegverhalen, iedereen wil ventileren. Ten slotte is er een trein naar Brussel. Koppel, vlechtjesvrouw en ik stappen in. Even weten we niet of we bij elkaar zullen gaan zitten. Toch maar aparte banken, maar de gesprekken gaan nog wat door. De man en de vrouw van het koppel hebben allebei coole schoenen: zij knalrode enkellaarsjes met een hak, hij witte bottines met kleurige streepjes. Zal ik ze een compliment geven? Ik doe het niet.

    We keren ieder in onszelf, ik begin de bundel te lezen, er zijn verzen over een kind dat een camouflagebroek draagt, een zwart-wit geblokte sjaal, een baard en de angst van zijn moeder. En over een orgeldraaier na een oorlog. Het raakt.

    Brussel. De nacht gaat in. In plaats van een uur te wachten op de aansluiting in het wat grimmig wordende station neem ik een trage trein die me weer een stukje dichter naar huis brengt. Wanneer ik door de trein stap, zie ik vlechtjesvrouw zitten. Ik wil liever alleen zijn, maar ze steekt herkennend haar hoofd boven de stoelen uit. Ik ga naast haar zitten, zeg dat ze gerust de puzzel in het krantje op haar schoot verder mag maken. Ze zegt dat ze vastzit. We hoeven van elkaar niet sociaal te doen, ze sluit een paar minuten haar ogen, ik lees nog wat, wanneer ze haar ogen weer opent, vertel ik iets over de bundelvoorstelling. We stappen bijna uit. Moet je nog ver? En jij? We nemen afscheid.

    Een half uur wachten en dan de laatste trein, het is ver na middernacht. Laatste treinen zijn mannentreinen, de weinige vrouwen hebben gezelschap. Ik niet. Net zo min als het meisje met heel lange haren, een zware rugzak en een tas aan elke hand. We stappen uit. Wat ben je zwaar beladen, gaat het? Ze gaat naar een festival. Op dit uur, deze tijd van het jaar? Ja, het begint morgen, vrienden pikken haar op met de auto. Ik stuur haar de kant van de parking uit, haal mijn fiets uit de stalling. Wanneer ik voorbij de afhaalstrook kom, rijdt er een zwart busje voor. Een jongeman springt eruit, loopt om de voorkant heen, het meisje gooit haar rugzak af, ze roepen dingen zoals jonge mensen dingen roepen, gooien hun armen open voor elkaar.

    Ik fiets de nacht in. Het is zacht. Nog drie kilometer.

    29 april 2023

  • Langzaamheid

    Ik praat met iemand. Hij gebruikt het woord ‘langzaamheid’. Hij bedoelt daarmee: niet sneller dan de snelheid waarmee een menselijk lichaam zich kan voortbewegen. Ik voel de betekenis ervan in mijn ledematen.

    Eigenlijk gaat fietsen met een rotvaart. Wel twintig kilometer per uur. Terwijl je benen malen ben je in gedachten al waar je moet zijn.

    Kan je ook leren om sneller te ademen, een snellere spijsvertering te hebben, je nagels sneller te laten groeien, aan hogere snelheid te slapen?

    Elke dag word ik wakker met het voornemen om nu eens niet zo traag te zijn. Eerder zoiets als ‘fluks’. Elke ochtend ben ik niet-fluks. Het ontbijt rekt zich uit, geen contract jaagt mij de straat op. Ik besluit deze luxe leven te noemen.

    Ik lees een interview met een BV: hij leert dan weer te leven met de nieuwe grenzen die zijn lichaam aangeeft na kanker. Terwijl hij vroeger wel 100 uur in de week werkte, kan dat nu niet meer. Mag je pas minder en trager wanneer je lichaam heel hard wake up heeft geschreeuwd en dan is ingestort als een 9/11-toren?

    Ik ben voorlopig niet ingestort. Ik heb het druk met het niet druk hebben. Gewoon de juiste druk, de rimpelloze spanning van een nog nieuwe ballon. Je moet het ook een keer proberen, het is heerlijk.

    Misschien is traag een beetje provocerend. Zoiets als middenin een gang van de supermarkt stilstaan terwijl je winkelkar de boel blokkeert en besluiten dat je absoluut niks in de gaten zal hebben.

    Verpoppende rupsen provoceren niet. Hebben evenmin iets in de gaten, behalve hun binnenkant. Neem het verpoprecht op in de universele verklaring van de rechten van de mens.

    En laten we ervoor zorgen dat traagschaamte nooit een ding wordt. In geen enkel woordenboek komt.

    15 maart 2023

  • Hard werk

    Vraag iemand ‘Wat voor werk doe je?’ en je krijgt spontaan een jobomschrijving. Iets wat de ondervraagde doet in een kantoor, bedrijf, winkel of andersoortige werkplek. Werk is dat wat je doet als werknemer voor een werkgever. Werk is waar je voor betaald krijgt.

    Stel je voor dat je een ander antwoord kreeg. Dat iemand zou zeggen:

    ‘Ik werk in m’n tuin.’

    Of: ‘Ik zorg voor m’n bejaarde vader.’

    ‘Ik renoveer m’n huis.’

    ‘Ik help vluchtelingen.’

    ‘Ik fotografeer.’

    ‘Ik leer weven.’

    ‘Ik studeer Chinees.’

    Waarschijnlijk zou de reactie zijn:

    ‘Oh ja, maar daar word je dan niet voor betaald, toch?’

    Of: ‘Oh ja, je bent mantelzorger. Je bent vrijwilliger. Je bent huisvrouw. Je bent student. Dat is dan een hobby, eigenlijk, dat fotograferen?’

    Geld is de basis. De spil, de kern. Zonder kunnen we niet overleven. En dus moeten we werken. En dus is werk waar voor betaald wordt het enige wat we echt ‘werk’ noemen. Werk zonder dat ongemakkelijke ‘oh ja, maar’ er achteraan.

    Ook wie geen betaald werk uitvoert, is geneigd om die ‘maar’ te gebruiken. ‘Het is maar vrijwilligerswerk’. ‘Maar ik word er voorlopig niet voor betaald, dus ja …’.

    Als je er zelf voor kiest om betaald werk op te geven en er niet meteen ander hebt, kom je in een soort limbo terecht. Mensen kunnen je niet peilen. Je valt in de oncomfortabele categorie van mensen die ‘niks doen’. De vragen zijn licht penibel:

    ‘Ben je al aan het uitkijken naar iets anders?’

    ‘Heb je al vooruitzicht op …?’

    ‘Nee, ik heb niks anders, nee, ik kijk niet uit, het kan nu wel even.’

    ‘Oh ja.’

    Is er afgunst aan de andere kant te bespeuren? Of misschien wat stilzwijgende veroordeling? (‘Luilak!’).

    Ik zit in de ‘luilak’-positie. En ben hard aan het werk.

    Ik wil zo veel mogelijk voedsel zelf kweken in mijn moestuin.

    Ik schrijf een boek en maak een gedichtenbundel klaar voor publicatie.

    Ik maak interviews van mensen die buiten ‘het systeem’ proberen te leven.

    Ik ben actief in een vzw.

    Ik studeer en lees, dat heb ik nodig voor het schrijven.

    Ik heb volwassen kinderen en bejaarde ouders aan wie ik tijd en zorg besteed.

    Ik ken nog andere mensen die keihard werken en niet op de werkvloer staan. Een vriendin rouwt om een geliefde die – ‘veel te jong’, zoals dat heet – stierf. Het is knokken om overeind te blijven, alleen al maar de dagelijkse dingen rond krijgen vergt een voortdurende discipline. Ook de nachten zijn vaak moeilijk. ‘Ik werk 24u op 24’, zegt ze. Rouw-werk krijgt geen erkenning. Je wordt geacht het in stilte te verrichten, er niet te veel over te praten. Dat maakt het nog zwaarder.

    Mensen met psychische problemen of burn-out werken aan zichzelf. Misschien willen ze liever in bed blijven liggen, maar toch staan ze elke dag op. Met muizenstapjes verzetten ze bergen in therapie, in begeleidingstrajecten. Ze vallen niet op, hun inspanningen zijn onzichtbaar, ze zijn vaak ook niet zo geneigd om daar veel over te vertellen, want het is gevoelig, taboe. De ander wil er misschien niet echt over horen, of wordt ongemakkelijk bij het onderwerp.

    Er is zo veel werk dat we geen ‘werk’ noemen omdat er geen geld mee gemoeid is. Het moet gedaan worden, anders draait alles vierkant. Toch hebben we er geen ogen of oren naar en geen hart voor. We vinden het vooral normaal en evident.

    Sommige mensen ervaren geld krijgen voor hun werk als een noodzakelijk kwaad. Een vriendin kweekt ecologische bloemen en zegt: ‘Als er zoiets als een basisinkomen bestond, kon ik ze gratis weggeven. Dat zou mooi zijn.’

    Er zijn ook mensen die zeggen: ‘Ik zou niet weten wat ik met m’n tijd moest als ik m’n job niet had’. Een vriendin die met pensioen is, vertelt dat werkende mensen zich wel ‘ns afvragen ‘hoe zij haar dagen gevuld krijgt’.

    Betaald werk is de norm, het kenmerk van de fatsoenlijke mens, het onderscheidingsteken waardoor je je plek in de maatschappij letterlijk verdient.

    We hebben verhalen nodig. Veel verhalen over mensen die hard werken zonder dat er geld tegenover staat. Die verhalen hebben we niet. Omdat het niet interessant klinkt. Omdat zulke situaties altijd iets van tijdelijkheid hebben. ‘Wanneer ga je weer wel geld verdienen?’ Omdat niet voor geld werken volkomen onrealistisch lijkt. ‘Hoe overleef je dan?’. ‘Je moet toch aan je pensioen denken?’.

    Er wordt vaak gezegd dat mensen een job nodig hebben voor hun zelfwaardegevoel. Ik denk dat dat alleen klopt omdat onze samenleving zo buitensporig veel waarde toekent aan betaald werk en niet omdat het iets inherent menselijks zou zijn.

    Het vergt ontzettend veel moed om bewust geen betaald werk te hebben. Er is creativiteit en vertrouwen voor nodig. Geloof in jezelf ook. Waarschijnlijk zou het voor iedereen goed zijn om het een tijdje te ervaren. Alleen al maar om te zien wat het met je doet. Hoe je omgaat met de tijd, hoe je hem vult. Op welke manier je zelfwaardegevoel verwerft. Hoe je je verhoudt tot alles wat ‘moet’ en ‘hoort’. Geen job hebben, het is hard werk.

    20 februari 2023

  • Bella Italia: van Bari naar Bologna (dag 26 – 29)

    In Italië waren er nationale verkiezingen op 25/09. Heb ik daar iets van gemerkt? Weinig. In het straatbeeld toch niet. Zo goed als geen affiches, geen zichtbaar campagne voeren. En op de verkiezingsdag zelf – in Bari – is het alleen maar te merken aan het feit dat schoolgebouwen op zondag geopend zijn en je er af en toe iemand naar binnen of buiten ziet gaan. Geen rijen, niks aanschuiven om te stemmen. Ik merk het dan weer wél wanneer ik een reservatie ga maken om de volgende dag de hogesnelheidstrein naar Bologna te nemen.

    ‘Sorry, maar alle treinen voor de hele dag zijn volgeboekt. Als u wil, kan u nog wel ’s nachts reizen.’ En dat blijkt dan toch met de verkiezingen te maken te hebben, zo legt de loketdame uit: veel Italianen maken verplaatsingen om te gaan stemmen, en de dag daarop keert iedereen terug naar huis. Voor haar lijkt het een voldongen feit dat ik – tenzij midden in de nacht – niet in Bologna raak. Is er dan geen alternatieve route mogelijk? Er langer over doen met een tragere trein? Ik heb tenslotte alle tijd. Ze kijkt wat bedenkelijk en gaat op zoek. ‘Ok, u kan met de snelle trein wel tot in Pesaro reizen, maar dan moet u overstappen op een regionale trein.’ Opgelucht bedank ik haar voor de gevonden oplossing. ‘Tja, die regionale trein, beschouw het als een avontuur’, zegt ze. Ik verzeker haar dat ik al bijna een hele maand aan het reizen ben, ettelijke regionale treinen heb genomen en elke keer prima ervaringen heb gehad. Ze kijkt verbaasd en geflatteerd en zegt ‘Oh dankuwel’. Wat is dat met die Italianen dat ze zo weinig vertrouwen hebben in hun spoorwegen, of dat een tragere trein geen optie lijkt te zijn als er ook een snelle is? Of is het dat ik de Belgische spoorwegen zo gewend ben, met aan één stuk ‘Rijdt vandaag niet’, grote vertragingen, ‘personen op het spoor’, hier en daar aftandse treintjes etc.

    Wanneer ik de volgende ochtend in de trein stap, stel ik vast dat ‘vol’ relatief is. Er zijn nog heel wat vrije plaatsen en bij elke halte loopt het wel voller, maar ik blijf hier en daar lege stoelen zien. Ik check bij een treinbegeleider of ik na Pesaro niet gewoon kan verhuizen naar een andere stoel in plaats van uit te stappen. Hij kijkt op zijn tablet en weet haarfijn te vertellen waar reizigers ‘vermist’ zijn in mijn wagon: de plek is gereserveerd, maar de reiziger is niet ingestapt aan de voorziene halte. Hij zegt dat ik gerust op zo’n stoel mag gaan zitten. Vermits ik vandaag met mijn interrailticket reis en een reservatie een vaste prijs heeft, hoef ik ook niks bij te betalen. Nog maar een keer ‘leve Trenitalia’.

    Mijn enthousiasme daalt wel wanneer ik in Bologna wijselijk meteen een reservatie wil maken voor de trein Como – Zürich die ik drie dagen later moet nemen. De rij aan de klantendienst doorkruist de hele stationshal, van de 9 loketten zijn er maar twee open en na anderhalf uur wachten heb ik mijn reservatie op zak. Ik merk dat de meeste mensen er staan om een abonnement te verlengen en dat de file de volgende dagen net zo lang is. Na de lange treinreis is het ver in de middag en ga ik op weg naar de Via Borgo di San Pietro. Bologna is de enige plek waar ik via aribnb heb geboekt. Verhuurder Alessandro doet avondwerk en heeft mij allerlei berichten gestuurd. Ik haal de sleutel van zijn appartement op in een koffiebar in de buurt, vraag de weg aan twee werkmannen die op een ladder staan in de hal van het oude gebouw en kom ten slotte aan in een wat afgeleefd, maar charmant appartement op de hoogste verdieping. Even rust en dan naar buiten. Zoals ik meestal doe wanneer ik ergens aankom, volg ik gewoon mijn neus. In Bologna kan je dat heel letterlijk doen. De stad heeft drie bijnamen en één daarvan is ‘La grassa’, verwijzend naar de rijke gastronomie. Vast ook naar het aantal horecazaken. Het stikt hier echt van de terrasjes, bars, trattoria’s en restaurants. De meeste zien er relaxt en redelijk geprijsd uit. Dat ligt dan misschien weer aan de tweede bijnaam: ‘La dotta’ (de geleerde), wat verwijst naar de Universiteit van Bologna, één van de oudste van Europa en net als in Leuven heel zichtbaar in het straatbeeld. De bevolking is hier opvallend jong, overal wordt op pleintjes gezeten, gepraat en gegeten en overal in de stad kom je universiteitsgebouwen tegen. De derde bijnaam van Bologna is ‘La rossa’ en slaat op de overwegend rode kleur van de daken, en naar het schijnt ook op de linkse politieke signatuur van de stad.

    Bologna heeft een mooi centraal plein dat een beetje aan Firenze doet denken. De bouw van de Basilica di San Petronio duurde eeuwen en ze blijft onafgewerkt. De onderkant is bekleed met wit en roze marmer, terwijl de bovenkant in ruwe baksteen is gebleven.

    De Piazza Maggiore vormt een geheel met de Piazza di Nettuno. Op alle momenten van de dag is het een pleisterplek, maar vooral ’s avonds wordt het er gezellig.

    Met Pisa heeft Bologna een scheve toren gemeen. De Garisenda is wel veel minder bekend. Hij heeft gezelschap van een andere toren, de Asinelli-toren. Tussen de 12e en 13e eeuw was Bologna een stad vol torens. Later werden de meeste afgebroken of stortten ze in, maar Garisenda & Asinelli, genoemd naar twee toenmalige families, staan er nog steeds. Garisenda werd ooit omwille van de stabiliteit een meter of 20 ingekort.

    Voor de rest hoeven we Bologna niet te vergelijken met andere steden, het heeft meer dan genoeg eigenheid. Onder andere door de typische portieken. Ontstaan in de Middeleeuwen als manier om meer woonoppervlakte te voorzien en ten behoeve van de zich uitbreidende universiteit en haar studenten. Ze bleken zo’n succes dat het stadsbestuur in de 13e eeuw een verordening uitvaardigde dat alle huizen die nieuw gebouwd werden een portiek moesten hebben. Intussen zijn de portieken Unesco Werelderfgoed.

    In totaal zijn er zo’n 40 km aan portieken en de allerlangste loopt van één van de stadspoorten naar het Santuario di San Luca, op een heuvel buiten het historische stadscentrum. Op mijn laatste ochtend in Bologna besluit ik het 4 km lange traject te stappen. Het wordt een pittig tochtje: vanaf de stadspoort is het bijna aan één stuk stijgen tot je de 666 arcaden achter je hebt en bij de kerk – en het uitzicht vanaf de koepel – aankomt.

    Wat valt er nog te doen in Bologna? Kunst en cultuur natuurlijk. Het MAMbo-museum klinkt funky en is het ook, de kunst is hier echt modern, de laatste 20 jaar zijn bijvoorbeeld ook goed vertegenwoordigd. In hetzelfde gebouw zit het Morandi-museum. Morandi woonde z’n hele leven in Bologna en is de man van de wel heel stille stillevens.

    En dan moet er natuurlijk ook nog gegeten worden. Bologna is de tortellini-stad. Of is het tortelloni? Blijkbaar zijn tortellini kleiner, traditioneel met vleesvulling en klaargemaakt in bouillon, terwijl tortelloni groter zijn, met vegetarische vulling en met een eenvoudige saus erbij. Ik eet ze met prei, nootjes en saffraansaus en ja, de ‘dolce del giorno’ kan er ook nog bij. Daarna kan ik weer kilometers afleggen.

    Maar uiteindelijk komt aan alles een einde, ook aan een eerst eindeloos lijkende reis. Op dag 28 reis ik in de avond naar Como, dicht genoeg om op dag 29 helemaal thuis te kunnen raken. De treinroute gaat langs het meer van Lugano en nog veel meer prachtige meren in die streek, de Gotthardtunnel – 20 minuten aan hoge snelheid -, en later de vele burchten langs de Rijn. Zelfs in Duitsland gaan de overstappen vlekkeloos en helemaal op schema stap ik rond 19u30 uit in Landen. Mijn lieve maatje staat al reikhalzend naar mij uit te kijken op het perron.

    Eén besluit is alvast gemaakt: hier blijft het niet bij …

    3 oktober 2022

Vorige pagina Volgende pagina

Maak een website of blog op WordPress.com

 

Reacties laden....
 

    • Abonneren Geabonneerd
      • sandra roobaert
      • Voeg je bij 62 andere abonnees
      • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
      • sandra roobaert
      • Abonneren Geabonneerd
      • Aanmelden
      • Inloggen
      • Deze inhoud rapporteren
      • Site in de Reader weergeven
      • Beheer abonnementen
      • Deze balk inklappen