wanneer hij merkt dat deze centimeters wereld bestaan uit ijs op asfalt besluit mijn fiets tot overgave mijn hoofd slaat als een bronzen klok op zondag galmt in aanraking met grond
de ambulance is er plots, wie heeft de overgang van asfalt naar sirene weggeknipt de fluoman die bij me zit draagt schoenen die door vuur gaan als het moet
de heelfabriek sluist mij door gangen over bedden van papier klemt mijn hoofd in het tuig dat zoemend mijn intiemste spinsels leest
terwijl ik wacht weet ik dat nu de tumor aan het licht zal komen, kronkels soppend in het bloed, ik zie de lamp al dimmen in de bovenkamer
achter het scherm wordt een voet gegipst, schrik gepareerd met grappen, de dokter komt mijn hoofd wordt geklasseerd, cold case rust, pijnstillers, terugkomen indien nodig
ik sta op straat, mijn ogen knipperen de alledaagsheid toe, verkeer briest vredig ik draag mijn hoofd als een kristallen bol antieke globe die zacht knarst bij draaien
She wants the house with the red armchair to envelop her.
Safety spread out like a blanket over the blazing cushions.
Sitting. Just sitting.
But the wind blows through.
Secret air streams leave the doors ajar,
as if an invisible person pushes them slightly open.
Drawing attention.
At first it startles her, then it reminds her
of shuttered altarpieces in quiet churches.
Sacred content wanting to be seen.
She imagines opening battered panels, finding a once beloved,
now estranged face behind one.
More recent crucifixions behind others.
Framed by the wind they look like finished paintings,
but she knows better.
She will have to bear another round through the seasons.
The lines of the face curving like those of a landscape.
The sensation of overstretched limbs and pierced flesh
coming back to her.
Whenever the wind blows through the house with the red armchair.
Leaving doors ajar.
Ik zit een gedicht te schrijven over de dood – ik heb de laatste regels in mijn hoofd, het staat er bijna – wanneer ik een doffe klap tegen het raam schuin achter me hoor. Het gebeurt zelden, maar ik weet wat het betekent: er is een vogel tegenaan gevlogen. Ik denk: ‘kansloos, op slag dood, niet kijken, laat me geen dode vogel moeten opruimen, please nee’. Ik ga toch kijken: er ligt een musje op het platte dak onder het raam, op zijn/haar (?) zij. Bewegingloos, zo lijkt het, dan zie ik dat de flank lichtjes op en neer gaat, het halfdichte ooglid trilt. Ik open het raam, steek traag mijn rechterhand uit om mus niet te laten schrikken. Denk: ‘als je je laatste adem uitblaast, laat er dan een vriendelijke hand in de buurt zijn, ook al ben je niet vertrouwd met vriendelijke handen.’ Ik strijk met één vinger, mus lijkt niet te schrikken of bang te zijn, blijft gewoon liggen. Ik fluister wat bezwerende dingen: ‘je gaat niet dood, komaan, niet doodgaan, volhouden’. Ik raap voorzichtig het slappe lijfje op en vouw licht mijn vingers er omheen. Het oog knippert, de flank rijst en daalt, de bek gaat open en dicht. De vleugels en pootjes lijken niet zichtbaar beschadigd, maar liggen er lam bij. De tijd staat stil. Op de daken rondom fel gekwetter, alsof familieleden gealarmeerd commentaar geven bij de gebeurtenis. Minutenlang verandert er niets. Dan plots grijpt het ene klauwtje om mijn pink, het andere om mijn ringvinger. Met een schokje staat mus rechtop in mijn handpalm. Ik denk weer hard: ‘je vleugels zijn ok, je kan het, nog even uitrusten, kalmpjes aan’. Mus staat te staan, mus heeft geen haast. Mus laat iets vallen, links van mijn pink, netjes op het dak, tot twee keer toe. Ik verwacht dat er na een tijdje misschien wat voorzichtig geklapper zal komen, wat onhandig testen of alles het nog doet. Maar nee. Zonder overgang zetten de pootjes zich krachtig af. Mus vliegt in één vloeiende beweging tot in de perenboom vijf meter verderop en verdwijnt tussen beregende bladeren en vruchten. Ik keer terug naar mijn schrijfplek en schrijf de laatste regels die al in mijn hoofd zaten.
***
praatje met de dood
in een lege straat zag ik de dood
ik wist dat hij het was omdat zijn jas te lang was
bijna tot op zijn schoenen
niemand draagt nog zulke lange jassen
tenzij de dood
hij lachte wat betrapt
herpakte zich
rechtte zijn schouders zei
denk niet dat je me kan bezweren
door me recht aan te kijken met die vranke blik
ik zei je hebt gelijk
ik weet dat je geen zachte vriend bent
brutale klappen uitdeelt als een bokser
lacht om targets en agenda’s
en altijd het laatste woord hebt
hij keek en knipperde niet met zijn ogen
inderdaad zei hij
we maakten beiden rechtsomkeer
ik ging naar huis
hij verder in zijn lange jas in de lege straat
je kan dan wel stoer denken
het is hun leven nu
maar je temperatuur stijgt en daalt met de hare
je hartspier balt zich op het ritme van de zijne
hoe doet hun vader het
de blik net iets strakker op eigen belangwekkende bezigheden
met meer gepaste afstand dan jij toekijkend
al bonst het ook in zijn botten
wanneer grote kinderen balanceren
en zoveel harder kunnen vallen dan toen van het hek
jij voelt nog rukjes van die draad van bloed en slijm
hij herinnert zich het knippen
jij droeg hen op de plek waar alleen jij het kon
hij op alle andere delen van een sterker lijf
nu dansen jullie de tango van nog nodige ouders
op vrijdag fel met bier en om ter snelste grappen
op maandag met lood in de aderen na een telefoontje
elk op verschillende muziek soms
of zonder in een donkere kamer
schuifelend tegen elkaars schouder
Het naambandje om de porseleinen pols probeert mij te overtuigen:
deze vrouw in het bed is wel degelijk uw familielid J.
Ik graaf in de puinhoop van vervormde trekken,
tref geen spoor van haar,
schreeuw bijna mijn protest de gang in:
dit-is-zij-niet-hier-ligt-de-tante-van-een-ander-hoe-durven-jullie!
Dan plots vind ik een wenkbrauw,
het voorhoofd met de juiste welving,
zie hoe ze achter de bonte oogleden knipoogt:
kijk mij hier liggen, nichtje.
Dat gekke haarnet op mijn kapotte hoofd,
ik kan het echt niet helpen hoor.
Ik luister, knik, ik praat met elke beurse plek.
De loop van slangetjes over bleek vel volg ik
tot ze verdwijnen in een plooi.
Waar gaan die dingen heen?
Nu zij bestaat uit cijfers op een scherm,
bij de gratie van brouwsels in zakjes,
neem ik haar bij de hand,
doen we een zweefvlucht door de kamer.
Tot ik het raam open en zij met een zucht ontsnapt.
En altijd zal je zien dat net de zachtmoedige oom,
de goedlachse nicht met één haal worden geknakt.
Terwijl wat jou betreft de nurkse neef,
de chagrijnige schoonzus eerder in aanmerking kwamen.
De inhalige doet niet aan die logica.
Zijn kennersoog merkt op wat jij en ik niet kunnen zien.
De plotse knik in de knie, de seconde van lichtheid in het hoofd,
het overslaan van de bloedpomp.
Waarop hij knipt met de vastheid van de chirurg
en diens gebrek aan sentiment.
Misschien maar beter zo.
Vreesden we hem nog meer als hij te voorspellen viel.
Het hoofd van de vrouw zit vol.
Vogels, bloemen, vruchten, lianen, een palmboom, een kolibrie om te completeren.
Haar ogen kijken uit dit verborgen oerwoud naar buiten, onverstoorbaar.
Binnenin mag kleur exploderen, zij draagt een shirt met smalle streep.
Hoogstens verraadt een blosje op elke wang, het is nu eenmaal warm.
Voor een hoed zit het hoofd te vol.
Hij zou wankelen, eraf vallen, in de goot rollen.
Vergeet die hoed.
De vrouw draagt dit hoofd behoedzaam als was het een aquarium waaruit niet mag worden gemorst.
Zo dragen vrouwen doorgaans hun hoofd.
Het uitdelen begint, zonder teken, zonder aanleiding.
Zij overhandigt een parkiet.
Een stuk of wat pioenen stromen uit haar mond.
Zij schudt en laat het rijpe vijgen regenen.
Het hoofd loopt leeg.
Tot zij naar buiten kijkt uit leegte.
Zij weert een aanvliegende ijsvogel af.
Strijkt de laatste flinter kamperfoelie van een mouw.
Er komen nu dagen van niets geven.
Zij zal aan tafel zitten, bij de bloesemtak in het vaasje.
Beschavingsgeluid blijft uit.
Telefoon en wereld zwijgen.
Of laten haar links liggen.
Het hangt af van de blik.
Ze bevindt zich als tussen witte lakens aan waslijnen.
Water verdampt traag.
Binnenkoertjes liggen voor de eeuwigheid.
Hemdsmouwen waaraan gisteren haar blik bleef haken vervagen.
Ze denkt aan de schilder die telkens opnieuw
de achterdeur van haar huis schilderde.
Beweerde aldoor bang te zijn en toch bleef schilderen.
Tussen bollend wit katoen kan alles heruitgevonden worden.
Gelukkig hoeft het niet.
Lakens doen aan vlaggen denken.
Koelte op zomerbedden.
Lijkwades.
Levenslijnen.