Slapeloos gedicht over knopen

Soms kan ik niet slapen. Kan ik dan niet slapen omdat er een gedicht moet worden geschreven? Of schrijf ik een gedicht omdat ik niet kan slapen? Ik zal het me maar niet afvragen.

 

gordiaans

er zijn knopen en daar lig je in
een lus een acht
gooi je je lasso uit dan vang je eigen enkels
bot of hoogstens een paar trage vliegen
hollywoodauto’s in lege landschappen zijn echt niet meer voor jou
nee jij gaat nergens heen
je surft op het droge je bent zelf de plank
dat dat geen compliment is weet je dame
zelfs geen luis in de pels kan je je wanen
wel zo’n wijfje van die
veel te erg verbreide soort
wat heb je toch
een stelletje kinderen schurft en kolder in je kop
overschot aan recepten voor
granola allesreiniger en liefdesverdriet
misschien ben je herkenbaar
misschien wisselt iemand je nog net in voor
een badhanddoek een mok een pannenset
of word je op de valreep gered ontwar je
maar dan DIY en zonder goeroes of godinnen

knoop

Maak eens een visueel gedicht

Vandaag een mini-cursusje ‘visuele poëzie’ gevolgd van Wisper in Leuven, begeleid door creatieve fee Sandrine Lambert. Een beetje nieuwe wereld voor mij. Hieronder twee ideeën. Ik zou zeggen: ‘Do try this at home’, ter opfrissing van je bezwete zomerhoofd.

1. Druk een mooie zin (of twee). Als je geen drukpers hebt kan je de letters ook stempelen of ergens uitknippen of zelf mooi schrijven of printen. Maak er met stiften, potloden, verf, foto’s, stempels … een beeld bij. Het wordt dan zoiets als dit …

 

2. Maak een schrapgedicht. Neem een volledige pagina tekst, maakt niet uit welke de inhoud is, druk die af op papier en selecteer de tekst die nog leesbaar moet zijn. Al de rest schrap je door of kleur je in. Je kan er nog andere visuele details aan toevoegen, op schilderen, erbij plakken. Deze hieronder is niet opbeurend, maar geeft wel een idee van wat het kan worden. Bij visuele poëzie komt er gewoon wat er komt.

moeder

iets voor twaalven en het huis
moet nog wat rechtgetrokken in de hoeken
voor zij onder zeil gaat bovenin
ze weet dat breedbeeld noch almacht binnen bereik liggen
dat hoogstens haar hand
gladstrijkt omspoelt wegbergt tot
de volgende explosie van huiselijkheid in een nieuwe dag

ze kent de permanentie van haar lichaam
dat niets heeft van een breed schip of een kerk
om bij onweer in te schuilen
meer lijkt op de perenboom met volle takken
die niet wegwandelt nooit het tuinhek voor altijd achter zich dichtslaat
rotte vruchten zonder aarzeling laat vallen
en ook wel eens een tak verliest

ze doet dit al sinds kinderheugenis
de kweek is klaar al haperen de vleugels nog
maar nooit is het af nooit uit nooit helemaal volbracht
het weze zo
ze gaat naar boven
neemt het wasgoed mee
zet de wekker

blouse

In treinen

Af en toe stuur ik gedichten in naar wedstrijden of voor publicatie. Heel soms levert dat iets op, maar net zo vaak komt het neer op afwijzing. Schrijven is incasseren. In het beste geval krijg je feedback en kan je daar iets mee. Hieronder één van mijn afgewezen schrijfsels. De feedback van twee ‘echte’ dichters was: goed gemaakt, maar neigt toch te sterk naar de kolder, op het fraaie einde na. Nu hoef ik het met feedback natuurlijk niet eens te zijn. Gedichten schrijf je om te delen, dus deel ik het hier. En ook al is de sfeer licht, ik bedoel dit gedicht helemaal niet als kolder. Wat ik er wel mee wil zeggen: soms, wanneer je in een zware periode zit (zie laatste strofe), kan je door de kleine opmerkelijke dingen rond je te zien toch plots enige lichtheid ervaren. In treinen is dat zeker het geval af en toe. Tussen haakjes: alles gebaseerd op ware feiten (behalve het ei).

 

In treinen

In treinen gebeurt er nog eens wat.
Er kotst er één,
hij waggelt weg,
een ander stapt er overheen.

Een heer toont te veel been
boven de sok.
Na drie stations zakt hij ineen
en glijdt de krant halfstok.

Een tienermeisje zegt:
‘De kleinste maat is daar te groot voor mij’.
Haar moeder – blik op locked –
pelt traag een ei.

Een jonge vrouw verdraagt de wapperende handjes van een reisgenoot,
interpreteert zijn klanken met devoot gezicht.
Is hij haar broer?
Zijn kogelronde blik op elke koe en fiets gericht.

En ik? In treinen mis ik minder.
Tranen kunnen achter een hand.
Ik beeld me in en blijk toch nog op weg
naar jouw bevroren land.

trein

 

Vleugelpiano’s

2120250-AKLUNKRW-7

Vleugelpiano’s

Vleugelpiano’s zijn zwart.
Witte een gril van de natuur – zoiets als albino’s –, bruine een verwaarloosbare vergissing.
Buffetpiano’s? Je weet toch waarom ze zo heten?
Zet er wat schotels met hapjes op als je een feestje houdt en vergeet ze verder.
Vleugelpiano’s dus. Mateloos onbescheiden, ruim in de schouders
als die bink aan wiens arm je graag gezien wordt.
Stemhebbend, ook met alle kleppen dicht.
Oogstrelend, zelfs met een gehaakt kleedje en een vaas met plastic bloemen erop.
Van te diep in hun zwart kijken word je stomdronken.
Je kust ze ten afscheid als minnaars van wie je voelt dat het de laatste keer is.
Om te knuffelen zijn ze te groot, maar bij liefdesverdriet kan je eronder gaan liggen
en bij storm waaien ze niet weg.
Je kan ze openklappen als oude voorraadkasten die op hun rug liggen en hun inhoud
langzaam prijsgeven, je in leven houden als het erom spant.
Vleugelpiano’s doen aan winstmaximalisatie.
Foute noten liggen niet aan hen, hemelbestorming wel.
Voor één ding moet je op je hoede zijn, kom niet te dicht.
Ze slokken je op, ze lijmen je vingers vast.
Ze wurgen je net niet met een snaar.
Je bent euforisch. Voor je het weet verloren.

 

Foto: Jan Chlebek

pandemonium

soms benijd ik de tuimelbeker.
andere keren wil ik liefst het plastic bakje zijn,
achter de gesloten deur van het keukenkastje, leeg en schoon.
soms – willen of niet – de vork die nu eenmaal niet rechtop kan staan
en een grillig heft heeft als geen ander ding in de bestekbak.
soms – nee niet trots daarop – de pan met restje van vijf dagen oud,
dat deksel wil je echt niet optillen.

vorkigheid.
tuimelbekerdom.
etterbakje.
pandemonium.

Het verzachtend effect van museumbezoek

Is daar onderzoek naar gedaan, naar de effecten van museumbezoek? Dat vroeg ik me plots af. Eigenlijk naar aanleiding van mijn eigen recente bezoek aan Museum M in Leuven. Ik kom er regelmatig. Als een café je stamkroeg kan zijn, dan is Museum M mijn ‘stammuseum’. Het slaat nergens op, want ik ga er altijd in mijn eentje heen, dus van stam is geen sprake, maar dat heeft geen belang. Googlen op ‘psychologisch effect van museumbezoek’ levert nauwelijks wat op, behalve dat museumbezoek, net als contact met dieren en mediteren, het welbevinden van mensen met een hersenaandoening zou verbeteren. Hersenaandoening of niet, mijn welbevinden wordt in elk geval beter van musea. Ik maak een wereldreis in één of andere sfeer – en dat zonder geestverruimende middelen – en word stil en mild binnenin. Als ik me creatief wat opgedroogd voel, gaat alles soms weer stromen. Dat was nu ook weer zo. Ik stapte het museum uit en schreef (zie lager).

LieveBlancquaert6_tcm39-85262Wat er op dit moment te zien is in Museum M? ‘Ecce homo’, een prachtige dialoog tussen fotografe Lieve Blanquaert en de vaste collectie, over de manieren waarop lijden wordt uitgebeeld. De foto’s zijn tussen, naast of tegenover de schilderijen en beelden opgehangen: ze contrasteren en harmoniëren, verruimen, actualiseren, verscherpen of verzachten. Verfrissend dat een museum genoeg durf heeft om verschillende kunstuitingen naast elkaar te presenteren en elkaar te laten versterken. Mooi ook hoe foto’s uit 2016 de springlevendheid van kunstwerken uit soms lang vervlogen eeuwen kunnen laten oplichten. Je hebt nog wel even de tijd om naar ‘Ecce homo’ te gaan kijken – tot 17 januari 2017 om precies te zijn – , maar stel het niet te lang uit.

 

Museum M

 

Binnentreden met

niet meer bagage dan mijzelf.

Hoewel dat weinig lijkt

soms zwaar te tillen toch.

 

Kaartje kopen,

jas en tas achterlaten,

zaal 1,

overgave.

 

Aan de houten engelen met fluiten,

uit die eeuwen toen engelen met fluiten

er nog toe deden.

Aan de roodheid van een gewaad.

Aan het verstikkend veilige duister

van Permekes landschap.

Overgave aan elke tint

van huid, elk vlekje, krasje, elke ader.

Overgave

aan muren,

drempels,

hoogtes,

spiegels,

uitzichten,

stiltes.

 

Gaandeweg binnengesijpeld worden,

met de inhoud van die anderen

die ook toevallige namen hebben.

Nieuwe vloeistoffen wolkend door eigen,

infuus van opluchting.

 

Wanneer ik buiten kom

ben ik meer kunstenaar

dan eerder.

Zo licht

dat ik mijn lippen in mijn gezicht voel zitten,

armen bengelend in het gelid van oksels.

Weer verwachting geworden,

bereidheid,

klaarte.