Je schrijft en stuurt je werk op. In tijdschrift A heb je nog niet gestaan. Misschien wil tijdschrift B je wel. Het is een bekend riedeltje: kijk of de stijl van een tijdschrift bij je past voor je werk instuurt. Dat blijft doorgaans een hachelijke inschatting. Gewoon proberen dus. Afwijzingen komen meestal snel, dus hoop je dat je niet te gauw antwoord zal krijgen. Maar wachten is frustrerend. Je splijt lichtjes, je leert de spagaat.
Je moet het nooit persoonlijk opnemen als het ‘nee’ wordt, luidt het volgende riedeltje. Natuurlijk doe je dat wel. Je stelt je voor dat er auteurs bestaan die nooit ofte nimmer afgewezen worden. Blijkbaar hou je van wat zelfkwelling. Maar toch: je stuurt in. Er is geen andere optie, je schrijft niet voor de bureaulade. ‘Vrije inzending’ heet zoiets. Niemand heeft om je gedichten gevraagd, maar jij traint ze tot licht impertinente vertegenwoordigers die op een deur staan bonzen en tamelijk onvermoeibaar ‘Doe open!’ blijven herhalen. Soms worden ze weggestuurd. Soms verneem je nooit meer iets van ze. Staan ze misschien wel ten eeuwigen dage op die deur te trommelen en houdt iedereen zich stokdoof daarbinnen. Soms lukt het wel.
Deus Ex Machina – literair tijdschrift, bestaat sinds 1976 – publiceert naar eigen zeggen ‘nieuwe literatuur uit binnen- en buitenland met bijzondere aandacht voor jonge en/of debuterende auteurs & vertalers.’ De deur gaat open voor één van mijn gedichten. Mogen ze het publiceren in het volgende nummer? Dat mogen ze. Na verloop van tijd valt het nummer in de bus.

Het thema is ‘rouw’. Essayistische teksten, persoonlijke teksten, gedichten, tekeningen, schilderijen. Het ziet er mooi uit, de eerste teksten die ik lees trekken mij het thema in. Mijn gedicht is niet opgenomen in de thematische sectie. Het staat achteraan in de afdeling ‘nieuw werk’. Op de allerlaatste – 143e – bladzijde. Wit op zwart. Daar hoort een inwendig mini-vreugdesprongetje bij. Gepubliceerd worden is altijd een moment van tijdelijk arriveren.

Inhoudelijk past mijn gedicht wel wat bij het rouwthema. Ik probeerde er de ervaring in weer te geven van verloren zijn, leegte, alleen staan. Het is het eerste gedicht van een cyclus, maar je kan het ook op zichzelf staand lezen. En nu klaar en naar het volgende? Ja en nee. Gedichten zijn als mensen: hun haren groeien, ze trekken andere kleren aan. Sinds het insturen bleef ik herschrijven. Vooral met de tweede regel was ik niet helemaal tevreden. Ook verderop veranderde er hier en daar wat.
aan deze sneeuwvelden komt geen eind, wit
schicht in mijn enkels, weefsels slibben dicht
het edelhert hoort hier, niet ik
wind stuwt de eerste mens in dagen naar mij toe
mag ik je merken, iets warms op je spelden, ik wil
de snelheid minderen waarmee ik je uit het oog verlies
roodbevlagd loop je door, je stempelt je spoor naast het mijne
maar in tegenrichting, volgt en verlaat me tegelijk
de hermelijn golft wit op wit
schutkleur laat hem opgaan in het landschap
zonder dat het hem eerst hoeft te doden
ik ben herleid tot voetgeploeter, kromming
onder een bochel van meegebracht gewicht
de sneeuwhaas verschijnt als een primitieve geest
heb ik hem echt gezien
tien marmeren vingers reiken
Wordt het er beter door? Dat weet ik niet altijd zo zeker. Als je er een mening over hebt, laat maar komen.
Geef een reactie op sandra roobaert Reactie annuleren