Maak eens een visueel gedicht

Vandaag een mini-cursusje ‘visuele poëzie’ gevolgd van Wisper in Leuven, begeleid door creatieve fee Sandrine Lambert. Een beetje nieuwe wereld voor mij. Hieronder twee ideeën. Ik zou zeggen: ‘Do try this at home’, ter opfrissing van je bezwete zomerhoofd.

1. Druk een mooie zin (of twee). Als je geen drukpers hebt kan je de letters ook stempelen of ergens uitknippen of zelf mooi schrijven of printen. Maak er met stiften, potloden, verf, foto’s, stempels … een beeld bij. Het wordt dan zoiets als dit …

 

2. Maak een schrapgedicht. Neem een volledige pagina tekst, maakt niet uit welke de inhoud is, druk die af op papier en selecteer de tekst die nog leesbaar moet zijn. Al de rest schrap je door of kleur je in. Je kan er nog andere visuele details aan toevoegen, op schilderen, erbij plakken. Deze hieronder is niet opbeurend, maar geeft wel een idee van wat het kan worden. Bij visuele poëzie komt er gewoon wat er komt.

moeder

iets voor twaalven en het huis
moet nog wat rechtgetrokken in de hoeken
voor zij onder zeil gaat bovenin
ze weet dat breedbeeld noch almacht binnen bereik liggen
dat hoogstens haar hand
gladstrijkt omspoelt wegbergt tot
de volgende explosie van huiselijkheid in een nieuwe dag

ze kent de permanentie van haar lichaam
dat niets heeft van een breed schip of een kerk
om bij onweer in te schuilen
meer lijkt op de perenboom met volle takken
die niet wegwandelt nooit het tuinhek voor altijd achter zich dichtslaat
rotte vruchten zonder aarzeling laat vallen
en ook wel eens een tak verliest

ze doet dit al sinds kinderheugenis
de kweek is klaar al haperen de vleugels nog
maar nooit is het af nooit uit nooit helemaal volbracht
het weze zo
ze gaat naar boven
neemt het wasgoed mee
zet de wekker

blouse

Soms

Soms moet zij het lief ontlopen om niet te hoeven spreken
en de vlucht vooruit nemen naar de top van het huis.
Soms moet zij boeken om zich heen slaan en de lamp aanknippen ook al is het dag
en haar koude voeten opnieuw tussen de lakens laten glijden
waar goddank nog warmte van lijven bewaard ligt.
Soms moet zij, het hoofd achterover, door de rechthoek raam staren
en bekers blauw drinken en ook al lust zij geen warme melk, toch lijkt het daarop.
Soms moet de ochtend herbeginnen en
doet zij hem over zonder er een punt van te maken.
Soms mag het bloeden wat haar betreft stoppen, maar het gaat door
de dagen, de maanden, haar ondergoed.
Soms wordt het later, zij weet het, het deert niet.

 

In treinen

Af en toe stuur ik gedichten in naar wedstrijden of voor publicatie. Heel soms levert dat iets op, maar net zo vaak komt het neer op afwijzing. Schrijven is incasseren. In het beste geval krijg je feedback en kan je daar iets mee. Hieronder één van mijn afgewezen schrijfsels. De feedback van twee ‘echte’ dichters was: goed gemaakt, maar neigt toch te sterk naar de kolder, op het fraaie einde na. Nu hoef ik het met feedback natuurlijk niet eens te zijn. Gedichten schrijf je om te delen, dus deel ik het hier. En ook al is de sfeer licht, ik bedoel dit gedicht helemaal niet als kolder. Wat ik er wel mee wil zeggen: soms, wanneer je in een zware periode zit (zie laatste strofe), kan je door de kleine opmerkelijke dingen rond je te zien toch plots enige lichtheid ervaren. In treinen is dat zeker het geval af en toe. Tussen haakjes: alles gebaseerd op ware feiten (behalve het ei).

 

In treinen

In treinen gebeurt er nog eens wat.
Er kotst er één,
hij waggelt weg,
een ander stapt er overheen.

Een heer toont te veel been
boven de sok.
Na drie stations zakt hij ineen
en glijdt de krant halfstok.

Een tienermeisje zegt:
‘De kleinste maat is daar te groot voor mij’.
Haar moeder – blik op locked –
pelt traag een ei.

Een jonge vrouw verdraagt de wapperende handjes van een reisgenoot,
interpreteert zijn klanken met devoot gezicht.
Is hij haar broer?
Zijn kogelronde blik op elke koe en fiets gericht.

En ik? In treinen mis ik minder.
Tranen kunnen achter een hand.
Ik beeld me in en blijk toch nog op weg
naar jouw bevroren land.

trein

 

Vleugelpiano’s

2120250-AKLUNKRW-7

Vleugelpiano’s

Vleugelpiano’s zijn zwart.
Witte een gril van de natuur – zoiets als albino’s –, bruine een verwaarloosbare vergissing.
Buffetpiano’s? Je weet toch waarom ze zo heten?
Zet er wat schotels met hapjes op als je een feestje houdt en vergeet ze verder.
Vleugelpiano’s dus. Mateloos onbescheiden, ruim in de schouders
als die bink aan wiens arm je graag gezien wordt.
Stemhebbend, ook met alle kleppen dicht.
Oogstrelend, zelfs met een gehaakt kleedje en een vaas met plastic bloemen erop.
Van te diep in hun zwart kijken word je stomdronken.
Je kust ze ten afscheid als minnaars van wie je voelt dat het de laatste keer is.
Om te knuffelen zijn ze te groot, maar bij liefdesverdriet kan je eronder gaan liggen
en bij storm waaien ze niet weg.
Je kan ze openklappen als oude voorraadkasten die op hun rug liggen en hun inhoud
langzaam prijsgeven, je in leven houden als het erom spant.
Vleugelpiano’s doen aan winstmaximalisatie.
Foute noten liggen niet aan hen, hemelbestorming wel.
Voor één ding moet je op je hoede zijn, kom niet te dicht.
Ze slokken je op, ze lijmen je vingers vast.
Ze wurgen je net niet met een snaar.
Je bent euforisch. Voor je het weet verloren.

 

Foto: Jan Chlebek

De vergeetachtige engel

angel

Engelen spreken tot de verbeelding. Zijn ze wel zo heilig als ze er meestal uitzien? Wat zit er onder hun gewaad? Hoe zitten hun vleugels vast? Wat eten ze? Kan je op ze rekenen wanneer je ze nodig hebt? Een gedicht schrijven bij een kunstwerk doe ik zelden, maar bij deze engel van Paul Klee kon ik het niet laten. Wanneer Klee begint te tekenen sluipt er meestal eenvoud en speelsheid in, maar ook dubbele bodems. Is het toeval dat hij uitgerekend in 1939 een serie engelen tekent?

 

 

 

 

Vergeetachtige engel, 1939

Dat hij eergisteren al de gewaden van de opperengel had moeten halen in de stomerij.
Dat er dringend gouden lepeltjes moeten bijbesteld.
Dat de stoep voor de poort moet geveegd.
De bazuinen moeten opgepoetst want morgen is het zondag.

Zijn hoofd loopt om, hij is van het dromerige type, weet je wel.
Hij staart vaak in de wolken en vraagt zich af of geen vleugels hebben ook voordelen heeft.
Misschien mag alles dan trager hoewel als hij eens naar beneden kijkt weet hij het niet zo zeker.

Ondanks dat mankement wil Klee hem tekenen vandaag.
Hij had ook kunnen zeggen: stuur je broer of neef maar naar me toe, die hebben tenminste vereeuwiging verdiend.
Maar nee, de kunstenaar begrijpt die neergeslagen blik, die van gêne friemelende handen.
Met wat lijnen heeft hij hem zo op papier.
Niet ten voeten uit, want vergeetachtigen hebben altijd meer te verbergen dan zo op het eerste gezicht lijkt.
Wanneer hij klaar is en de engel uitgeleide doet, plukt hij discreet een stofpluk uit diens linkervleugel.
Vast vergeten opschudden na het ragen van de gewelven.

Waarom leest een mens in vredesnaam poëzie?

Voor het grootste deel van de mensheid is poëzie lezen en schrijven even ver van hun bed als forelvissen of aandelen verhandelen dat voor mij is. Toch ga ik over dat eerste maar weer een keertje schrijven, want daar heb ik iets mee en met die forellen en aandelen daarentegen helemaal niks.

Dat wil niet zeggen dat poëzie een soort walhalla voor me is, het gegarandeerde paradijsje om in thuis te komen wanneer bijvoorbeeld de boze wereld echt heel boos is. Verre van: poëzie is vaak een strijdtoneel, de perfecte liefde-haat-crush met alles erop en eraan. Ik lees redelijk wat poëzie en vaak zegt het me niks. Begrijp ik er geen loeder van, snap ik niet waar het goed voor mag wezen wat die dame of heer daar schrijft, ervaar ik het als holle praatjes voor de vaak. Daar vallen makkelijk redenen voor te bedenken. 1. De hoogst beleden belevingswereld van de ander blijft hermetisch voor me omdat ik er niks van mezelf in herken. 2. De dichter moet het in tegenstelling tot de romanschrijver die desnoods 500 pagina’s tekeer kan gaan met één of een paar schamele blaadjes doen waar nog niet eens volle lijnen opstaan, en bouw in zulk bestek maar eens wat op waar een ander wat aan heeft. 3. En dan die taal! Al zijn ze door bondigheid gebonden, dichters mogen ook veel: obscure metaforen gebruiken,  grammatica ombuigen, dubbelzinnigheid scheppen door meervoudige betekenis, (ontbreken van) structuur en interpunctie, … Kortom, potentieel balt het gedicht zich samen tot een duister kluwen dat – mij in elk geval – alleen maar op de zenuwen werkt.

Waarom poëzie dan toch die aantrekkingskracht heeft? Omdat gek genoeg alle redenen voor de hierboven beschreven afkeer in staat zijn zich binnenstebuiten te keren en dan net het recept vormen voor magie en hartverovering. Het persoonlijke van de ander kan ook met knetter en vonk bij me inslaan, drie meesterlijk geschreven lijntjes kunnen een wereld voor me openen, een beeld en wat uniek gecombineerde woorden kunnen maken dat ik op m’n lip bijt en m’n hart een tel vergeet of er eentje extra slaat.

Beeld: Val (Valérie Goutard)

Het overkwam me weer eens, vanmorgen, wat mistroostig lezend in ‘Wasdom’ van Hagar Peeters. Gedicht na gedicht de holle ergernis van ‘wat bazel je toch, mens!’, en dan plots trekt de hemel open bij de cyclus ‘Wederkerigheid’. Het is niet zo heel verwonderlijk, want gedicht na gedicht gaat het over gestuntel in hartszaken en laat ik op dat terrein nu net wat hebben meegemaakt. Een mens die – hoewel nog in leven – voor je doodgaat, het schrijnen van rouwen om een levende, of ben jijzelf het die wat zit te sterven, je kent het vast wel. Bij Hagar Peeters lees ik in ‘Het ongeluk’:

‘Zo moet ik verleden week zijn overleden.
Ik ben door iets onnoembaars overreden
toen ik onoplettend overstak van mij naar jou.

Inderdaad, ja. En dan, twee gedichten verderop:

‘dat er in de straat een opmars van aftochten plaatshad
alleen door lantaarnpalen gadegeslagen
dat er niets meer hetzelfde is
behalve dat steeds in het verborgene doodgaan’

Ken ik, dat in het verborgene doodgaan. Het verandert geen spat aan situaties, en toch doet het wat: troost – even -, verlicht door herkenbaarheid, geeft een nieuwe teug adem. Dan weet ik het weer wel, waarom ik poëzie lees, en schrijf.