In treinen

Af en toe stuur ik gedichten in naar wedstrijden of voor publicatie. Heel soms levert dat iets op, maar net zo vaak komt het neer op afwijzing. Schrijven is incasseren. In het beste geval krijg je feedback en kan je daar iets mee. Hieronder één van mijn afgewezen schrijfsels. De feedback van twee ‘echte’ dichters was: goed gemaakt, maar neigt toch te sterk naar de kolder, op het fraaie einde na. Nu hoef ik het met feedback natuurlijk niet eens te zijn. Gedichten schrijf je om te delen, dus deel ik het hier. En ook al is de sfeer licht, ik bedoel dit gedicht helemaal niet als kolder. Wat ik er wel mee wil zeggen: soms, wanneer je in een zware periode zit (zie laatste strofe), kan je door de kleine opmerkelijke dingen rond je te zien toch plots enige lichtheid ervaren. In treinen is dat zeker het geval af en toe. Tussen haakjes: alles gebaseerd op ware feiten (behalve het ei).

 

In treinen

In treinen gebeurt er nog eens wat.
Er kotst er één,
hij waggelt weg,
een ander stapt er overheen.

Een heer toont te veel been
boven de sok.
Na drie stations zakt hij ineen
en glijdt de krant halfstok.

Een tienermeisje zegt:
‘De kleinste maat is daar te groot voor mij’.
Haar moeder – blik op locked –
pelt traag een ei.

Een jonge vrouw verdraagt de wapperende handjes van een reisgenoot,
interpreteert zijn klanken met devoot gezicht.
Is hij haar broer?
Zijn kogelronde blik op elke koe en fiets gericht.

En ik? In treinen mis ik minder.
Tranen kunnen achter een hand.
Ik beeld me in en blijk toch nog op weg
naar jouw bevroren land.

trein

 

Vleugelpiano’s

2120250-AKLUNKRW-7

Vleugelpiano’s

Vleugelpiano’s zijn zwart.
Witte een gril van de natuur – zoiets als albino’s –, bruine een verwaarloosbare vergissing.
Buffetpiano’s? Je weet toch waarom ze zo heten?
Zet er wat schotels met hapjes op als je een feestje houdt en vergeet ze verder.
Vleugelpiano’s dus. Mateloos onbescheiden, ruim in de schouders
als die bink aan wiens arm je graag gezien wordt.
Stemhebbend, ook met alle kleppen dicht.
Oogstrelend, zelfs met een gehaakt kleedje en een vaas met plastic bloemen erop.
Van te diep in hun zwart kijken word je stomdronken.
Je kust ze ten afscheid als minnaars van wie je voelt dat het de laatste keer is.
Om te knuffelen zijn ze te groot, maar bij liefdesverdriet kan je eronder gaan liggen
en bij storm waaien ze niet weg.
Je kan ze openklappen als oude voorraadkasten die op hun rug liggen en hun inhoud
langzaam prijsgeven, je in leven houden als het erom spant.
Vleugelpiano’s doen aan winstmaximalisatie.
Foute noten liggen niet aan hen, hemelbestorming wel.
Voor één ding moet je op je hoede zijn, kom niet te dicht.
Ze slokken je op, ze lijmen je vingers vast.
Ze wurgen je net niet met een snaar.
Je bent euforisch. Voor je het weet verloren.

 

Foto: Jan Chlebek

De vergeetachtige engel

angel

Engelen spreken tot de verbeelding. Zijn ze wel zo heilig als ze er meestal uitzien? Wat zit er onder hun gewaad? Hoe zitten hun vleugels vast? Wat eten ze? Kan je op ze rekenen wanneer je ze nodig hebt? Een gedicht schrijven bij een kunstwerk doe ik zelden, maar bij deze engel van Paul Klee kon ik het niet laten. Wanneer Klee begint te tekenen sluipt er meestal eenvoud en speelsheid in, maar ook dubbele bodems. Is het toeval dat hij uitgerekend in 1939 een serie engelen tekent?

 

 

 

 

Vergeetachtige engel, 1939

Dat hij eergisteren al de gewaden van de opperengel had moeten halen in de stomerij.
Dat er dringend gouden lepeltjes moeten bijbesteld.
Dat de stoep voor de poort moet geveegd.
De bazuinen moeten opgepoetst want morgen is het zondag.

Zijn hoofd loopt om, hij is van het dromerige type, weet je wel.
Hij staart vaak in de wolken en vraagt zich af of geen vleugels hebben ook voordelen heeft.
Misschien mag alles dan trager hoewel als hij eens naar beneden kijkt weet hij het niet zo zeker.

Ondanks dat mankement wil Klee hem tekenen vandaag.
Hij had ook kunnen zeggen: stuur je broer of neef maar naar me toe, die hebben tenminste vereeuwiging verdiend.
Maar nee, de kunstenaar begrijpt die neergeslagen blik, die van gêne friemelende handen.
Met wat lijnen heeft hij hem zo op papier.
Niet ten voeten uit, want vergeetachtigen hebben altijd meer te verbergen dan zo op het eerste gezicht lijkt.
Wanneer hij klaar is en de engel uitgeleide doet, plukt hij discreet een stofpluk uit diens linkervleugel.
Vast vergeten opschudden na het ragen van de gewelven.

Waarom leest een mens in vredesnaam poëzie?

Voor het grootste deel van de mensheid is poëzie lezen en schrijven even ver van hun bed als forelvissen of aandelen verhandelen dat voor mij is. Toch ga ik over dat eerste maar weer een keertje schrijven, want daar heb ik iets mee en met die forellen en aandelen daarentegen helemaal niks.

Dat wil niet zeggen dat poëzie een soort walhalla voor me is, het gegarandeerde paradijsje om in thuis te komen wanneer bijvoorbeeld de boze wereld echt heel boos is. Verre van: poëzie is vaak een strijdtoneel, de perfecte liefde-haat-crush met alles erop en eraan. Ik lees redelijk wat poëzie en vaak zegt het me niks. Begrijp ik er geen loeder van, snap ik niet waar het goed voor mag wezen wat die dame of heer daar schrijft, ervaar ik het als holle praatjes voor de vaak. Daar vallen makkelijk redenen voor te bedenken. 1. De hoogst beleden belevingswereld van de ander blijft hermetisch voor me omdat ik er niks van mezelf in herken. 2. De dichter moet het in tegenstelling tot de romanschrijver die desnoods 500 pagina’s tekeer kan gaan met één of een paar schamele blaadjes doen waar nog niet eens volle lijnen opstaan, en bouw in zulk bestek maar eens wat op waar een ander wat aan heeft. 3. En dan die taal! Al zijn ze door bondigheid gebonden, dichters mogen ook veel: obscure metaforen gebruiken,  grammatica ombuigen, dubbelzinnigheid scheppen door meervoudige betekenis, (ontbreken van) structuur en interpunctie, … Kortom, potentieel balt het gedicht zich samen tot een duister kluwen dat – mij in elk geval – alleen maar op de zenuwen werkt.

Waarom poëzie dan toch die aantrekkingskracht heeft? Omdat gek genoeg alle redenen voor de hierboven beschreven afkeer in staat zijn zich binnenstebuiten te keren en dan net het recept vormen voor magie en hartverovering. Het persoonlijke van de ander kan ook met knetter en vonk bij me inslaan, drie meesterlijk geschreven lijntjes kunnen een wereld voor me openen, een beeld en wat uniek gecombineerde woorden kunnen maken dat ik op m’n lip bijt en m’n hart een tel vergeet of er eentje extra slaat.

Beeld: Val (Valérie Goutard)

Het overkwam me weer eens, vanmorgen, wat mistroostig lezend in ‘Wasdom’ van Hagar Peeters. Gedicht na gedicht de holle ergernis van ‘wat bazel je toch, mens!’, en dan plots trekt de hemel open bij de cyclus ‘Wederkerigheid’. Het is niet zo heel verwonderlijk, want gedicht na gedicht gaat het over gestuntel in hartszaken en laat ik op dat terrein nu net wat hebben meegemaakt. Een mens die – hoewel nog in leven – voor je doodgaat, het schrijnen van rouwen om een levende, of ben jijzelf het die wat zit te sterven, je kent het vast wel. Bij Hagar Peeters lees ik in ‘Het ongeluk’:

‘Zo moet ik verleden week zijn overleden.
Ik ben door iets onnoembaars overreden
toen ik onoplettend overstak van mij naar jou.

Inderdaad, ja. En dan, twee gedichten verderop:

‘dat er in de straat een opmars van aftochten plaatshad
alleen door lantaarnpalen gadegeslagen
dat er niets meer hetzelfde is
behalve dat steeds in het verborgene doodgaan’

Ken ik, dat in het verborgene doodgaan. Het verandert geen spat aan situaties, en toch doet het wat: troost – even -, verlicht door herkenbaarheid, geeft een nieuwe teug adem. Dan weet ik het weer wel, waarom ik poëzie lees, en schrijf.

 

 

pandemonium

soms benijd ik de tuimelbeker.
andere keren wil ik liefst het plastic bakje zijn,
achter de gesloten deur van het keukenkastje, leeg en schoon.
soms – willen of niet – de vork die nu eenmaal niet rechtop kan staan
en een grillig heft heeft als geen ander ding in de bestekbak.
soms – nee niet trots daarop – de pan met restje van vijf dagen oud,
dat deksel wil je echt niet optillen.

vorkigheid.
tuimelbekerdom.
etterbakje.
pandemonium.

‘Tot leven / Een liefdesgeschiedenis’ – Michel Faber over liefde, leven en dood

Ergens in de eerste jaren van deze eeuw was er ‘Lelieblank, scharlakenrood’ (The Crimson Petal and the White), de decadent dikke roman van Michel Faber (°1960) over de lotgevallen van Sugar, een prostituee in het Victoriaanse Engeland. Een gigantische bestseller, en voor mij een memorabele leeservaring. Hoewel ik me toen niet kon voorstellen dat ik ook maar een letter die van zijn hand verscheen zou laten passeren, las ik in later jaren nooit meer iets van Faber.

totlevenTot ik onlangs op ‘Tot leven / Een liefdesgeschiedenis’ stuitte. Faber verloor in 2014 zijn geliefde Eva, na een jarenlange strijd tegen beenmergkanker. ‘Tot leven’ is een bundeling van gedichten die hij schreef in haar laatste levensfase en in het jaar na haar dood.  Lees je zoiets als je niet zelf rechtstreeks met ziekte of rouw wordt geconfronteerd of beroepshalve een recensie moet schrijven? Ja dus. En waarom dan? Goeie vraag. Misschien omdat ziekte en dood ‘doodgewoon’ bij het leven horen en ‘kopje in het zand’ niet veel zoden aan de dijk zet.  Omdat ‘Tot leven’ je bij de eerste lukrake regels bij je nekvel grijpt en niet meer loslaat. Omdat het ook, ondanks de onverbloemdheid van aftakeling en sterven en de rauwheid van verdriet, pure liefdespoëzie is die Faber schrijft. In de Engelse titel van de bundel komt dat sterker tot uiting: ‘Undying. A Love Story’. De suggestie van ‘undying love’ heeft hier een dubbele bodem, in het Nederlands zeggen we ‘onsterfelijke liefde’, een mogelijkheid waar de vertalers Harm Damsma en Niek Miedema niet voor hebben gekozen, wellicht omdat ‘onsterfelijk’ een veel ruimere betekenis heeft dan ‘undying’ die in het Engels dan weer eerder met ‘immortal’ overeenstemt. Niets dan lof overigens voor de knappe vertaling die Damsma en Miedema afleveren.

Wat zo sterk is aan ‘Tot leven’: het is eerlijke en dikwijls gedurfd eenvoudig klinkende poëzie, transparant en toch meerlagig. Er zit niks in van het effectbejag, het intellectualisme en de ondoorzichtigheid die je in hedendaagse poëzie soms aantreft. Gevoelens liggen aan de oppervlakte in alle kwetsbaarheid en zowat alles mag gezegd worden zonder doekjes eromheen. Dikwijls gaat het ook over de allerconcreetste dingen : kleren die niet meer passen, een pruik, medische procedures, lopen dat schuifelgang wordt, schoon beddengoed, het gewicht van een urne met as in een plastic zakje…  Concreet wordt telkens gekoppeld aan achterliggende gevoelens en gedachten, soms beschreven, soms alleen maar gesuggereerd.

De bundel is in twee delen opgesplitst, waarbij deel I gaat over de periode voor Eva’s dood. Deze cyclus eindigt met het gedicht ‘Het tijdstip dat je koos’, waarin Faber beschrijft hoe zijn vrouw ongemerkt wegglipt uit het leven.

‘Ik dutte wat. Jij was niet dood.
Het beddengoed ging op en neer.
Jij was zo angstaanjagend hulpeloos
als een grizzlybeer in barensnood,
als een pasgeboren kind zo broos.
Ik had mijn ogen even dicht,
twintig minuten, hooguit een halfuur.
Dat was het tijdstip dat je koos’.

Deel II bevat gedichten geschreven na Eva’s dood. Faber weet op adembenemende manier over te brengen hoe de vrouw met wie hij zo intiem was en hijzelf voortaan tot gescheiden werelden behoren. Hij kijkt naar de hemel en schrijft over de ‘eerste van vele manen die ons niet samen zullen beschijnen’, hij beschrijft hoe hij niet langer zich aan haar slakkengang aanpast en acht mijl keihard fietst om boodschappen te doen.

‘Ik had haast, godverdomme.
Het ging vanzelf.
Wat een schaamteloos gebrek aan tact
zoals ik daar uitdrukkelijk demonstreerde
dat ik niet heb wat jij hebt
en jou zo dwing te slikken
dat ik nog leef
en jij niet’.

Hij stelt vast dat hij zich laat verslonzen in het stationnetje in de Schotse Hooglanden waar ze samen jarenlang woonden, maant zichzelf aan om gezonder te eten, wat vaker onder de douche te gaan en te beseffen ‘Je bent haar kwijt. Probeer niet zo bezitterig te zijn’. Hij handelt praktische kwesties af, vraagt zich af of hij het aan haar verschuldigd is haar planten in leven te houden en eet ingevroren kliekjes van maaltijden die zij heeft gekookt. In ‘Vraag het dan gerust’ gaat hij in op al die mensen die hem zeggen ‘Als er iets is wat we kunnen doen, het maakt niet uit wat, vraag het dan gerust’. Hij vraagt of iemand met hem in een rotvaart door het heelal kan scheuren, naar de plek waar God zich schuilhoudt.

‘En wacht op mij terwijl ik de deur
van de directiekamer intrap
en de hoogheilige kloothommel
wegruk uit zijn onderonsje met de Eeuwigheid,
zijn topoverleg met de Geheimenissen des Levens,
zodat hij mij eens haarfijn uit kan leggen
waarom mijn vrouw zo nodig
moest worden gemarteld en gekleineerd
en uiteindelijk geëxecuteerd.’

En ach, hij weet dat ze met ‘het maakt niet uit wat’ een kop thee bedoelen of een lift naar de stad, dus houdt hij zich gedeisd en vraagt hij maar helemaal niks. Door heel de bundel heen schijnt de liefde, ‘oude’ liefde die niet idealiseert, die ook nog op post blijft wanneer de ander schoonheid verliest en hulpbehoevend wordt. Liefde die niks heeft met voetstukken, maar wel een monument in woorden optrekt voor een vrouw die voor de auteur uniek, bijzonder en onvergetelijk is. Wat voor ons lezers overblijft, is poëzie waar je af en toe koude rillingen van krijgt en die je tegelijk met een heel warm hart achterlaat.

‘Tot leven. Een liefdesgeschiedenis’ – Michel Faber, Uitgeverij Podium, 2016
Originele titel: ‘Undying. A Love Story
Vertaling: Harm Damsma en Niek Miedema’

Mooi interview met Michel Faber op de website van Vrij Nederland.

 

 

‘Hoop’ is het ding met veren

Een heel jonge Emily Dickinson, één van de zeldzame foto’s die van haar zijn gemaakt.

Emily Dickinson (1830 – 1886, Amerikaanse dichteres) dwaalt even door mijn dagen. Ik had haar graag gesproken, of wat brieven met haar uitgewisseld. Ze woonde in Amherst, Massachussets, en leidde een weinig ophefmakend leven, grotendeels op dezelfde plek, in hetzelfde huis. Ze bleef ongetrouwd en kinderloos, maar had inspirerende vriendschappen met mannen die vooral betrekking hadden op haar poëzie . Trouw aan zichzelf schreef en schreef ze, meer dan 1700 gedichten, waarvan er 7 tijdens haar leven werden gepubliceerd, en dan nog in bewerkte vorm. Haar stijl was voor die tijd vernieuwend: haar voortdurende gebruik van gedachtenstreepjes, hoofdletters middenin de tekst en ongebruikelijk of afwezig rijm pasten niet in de toen strakkere vormschema’s van poëzie. Op de koop toe was ze een vrouw, waardoor nog sneller werd geoordeeld dat wat ze schreef ongeschikt voor een publiek en dus onpubliceerbaar was. Behalve voor haar meest nabije vrienden en familie moet ze soms mensenschuw zijn overgekomen en ze leek er zelf niet altijd op gebrand om een lezerspubliek te hebben. Gelukkig heeft de tijd haar postuum faam gebracht en wordt ze nu als één van de grote vernieuwers in de Amerikaanse poëzie aan het eind van de 19e eeuw beschouwd.

Hieronder een gedicht van Emily Dickinson over hoop. Heel mooi als je het mij vraagt, en hoop is iets wat we allemaal altijd kunnen gebruiken. Niet tevreden over de Nederlandse vertaling in de bundel ‘De mooiste gedichten van Emily Dickinson’ (uitgave De Morgen – Bibliotheek / Wereldpoëzie, 2002) heb ik er zelf een andere gemaakt.

‘Hope’ is the thing with feathers –
That perches in the soul –
And sings the tune without the words –
And never stops – at all –

‘Hoop’ is het ding met veren –
Dat neerstrijkt in de ziel –
Het zingt het lied, de woorden niet –
En niemand – houdt het tegen –

And sweetest – in the Gale – is heard –
And sore must be the storm –
That could abash the little Bird
That kept so many warm –

En zoetst klinkt het – bij felle Wind –
Alleen de zwaarste storm –
kan het verslaan – dit Vogeltje
Bij wie je warmte vindt –

I’ve heard it in the chillest land –
And on the strangest Sea –
Yet, never, in Extremity,
It asked a crumb – of Me.

Ik hoorde ’t in het kilste land –
En op de vreemdste Zee –
Maar vroeg het, zelfs in Hoogste Nood,
Een kruimel van Me? Nee.